Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2300

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
13/02332
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3636, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 68 Sr en 313 Sv. Afwijzing vordering tot wijziging tll. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102. De aan verdachte primair verweten gedraging is in de tll omschreven als - kort gezegd - doodslag, en in de vordering tot wijziging van de tll als - kort gezegd - diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. De tll is toegesneden op art. 287 Sr en de vordering tot wijziging van de tll op art. 312.3 Sr. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. Hoewel de strafbaarstelling van diefstal met geweld in het bijzonder strekt ter bescherming van het vermogen van de rechthebbende, strekt die strafbaarstelling, mede bezien in samenhang met de in art. 312.3 Sr opgenomen strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’, evenals de strafbaarstelling van doodslag tevens ter bescherming van het leven, terwijl de strafmaxima die op doodslag en op diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend, zijn gesteld, niet uiteenlopen. De gedragingen van verdachte verschillen niet wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zouden zijn verricht, terwijl de aard en kennelijke strekking van het tijdens een worsteling opzettelijk afschieten van kogels met een vuurwapen op een lichaam (zoals omschreven in de op art. 287 Sr toegesneden tenlastelegging) in de kern genomen slechts in beperkte mate afwijkt van het schieten met een vuurwapen terwijl dit de dood van een ander tot gevolg heeft (zoals omschreven in de op art. 312.3 Sr toegesneden vordering tot wijziging van de tll). Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat toewijzing van de vordering tot wijziging van de tll een ander feit oplevert, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2015/17

Conclusie

Nr. 13/02332

Mr. Vegter

Zitting 16 september 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij arrest van 12 april 2013 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Voorts heeft het Hof de bewaring gelast van het nog niet teruggegeven geldbedrag van € 15.000,-. Het bevel tot gevangenneming van de verdachte heeft het Hof opgeheven.



2.1. Tegen deze uitspraak heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof, M. van der Horst, beroep in cassatie ingesteld. Deze heeft eveneens een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

2.2. De raadsman van de verdachte, mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de door het Hof gegeven vrijspraak.

3.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 23 oktober 2009 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen één of meer kogel(s) op het lichaam van [slachtoffer 1] afgeschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 oktober 2009 te Rotterdam, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met een doorgeladen vuurwapen een of meer perso(o)n(en) in een woning, gelegen aan de [a-straat], heeft bedreigd, en/of

- ( vervolgens) in een worsteling is geraakt met een of meerdere van die perso(o)n(en), waarbij een of meerdere van die perso(o)n(en) heeft/hebben getracht dat vuurwapen van hem, verdachte af te pakken en/of

- dat vuurwapen in die worsteling af heeft laten gaan,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten een schotwond in het hoofd (en/of dientengevolge een) hoge dwarslaesie en/of spinale shock heeft bekomen, dat deze Sucuoglu aan de gevolgen daarvan is overleden.”

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013 heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd, in die zin dat vóór het primair ten laste gelegde wordt toegevoegd:

“dat hij op of omstreeks 23 oktober 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een woning aldaar aan de [a-straat] weg te nemen een geldbedrag van 15.000 Euro, althans een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 2], althans aan een ander dan aan hem, verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, deze [slachtoffer 2] - voor of nadat hij, verdachte, het geld in handen heeft gekregen - heeft bedreigd met een vuurwapen en/of met dat vuurwapen meerdere malen heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, zulks terwijl dit feit de dood van [slachtoffer 1] - die zich tussen [slachtoffer 2] en verdachte heeft begeven - tot gevolg heeft gehad;

of”

en dat de zinsnede die begint met “subsidiair” zal luiden als volgt:

“subsidiair, indien een van de onderdelen van het primair ten laste gelegde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:”

3.4. Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging afgewezen. Het Hof heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

“nu toewijzing van de vordering een ander feit zou opleveren in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, nu het in de vordering omschreven feit onder een delictsomschrijving valt ter bescherming van het vermogen en het onderhavige ten laste gelegde feit onder een delictsomschrijving valt ter bescherming van het leven. Voorts merkt het hof op dat in de vordering wijziging tenlastelegging ook een ander slachtoffer genoemd wordt.”

3.5. Het middel klaagt in de eerste plaats over de afwijzing door het Hof van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging.

3.6. In de onderhavige zaak heeft de Advocaat-Generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013 de oorspronkelijke tenlastelegging, behelzende de verwijten primair doodslag (art. 287 Sr) en subsidiair dood door schuld (art. 307 Sr) willen uitbreiden met een aanvullend primair feit, te weten een poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend (art. 312, derde lid, Sr).

3.7. De rechter behoeft de beslissing tot afwijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging niet te motiveren.1 Voor zover het middel daarover klaagt, stelt het een eis die het recht niet kent.

3.8. Dat neemt evenwel niet weg dat het middel een interessante rechtsvraag opwerpt: zijn diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend en doodslag, mede gelet op de onderscheiden delictsomschrijvingen, als “hetzelfde feit” in de zin van art. 313 Sv in verbinding met art. 68 Sr aan te merken?

3.9. Diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend is in art. 312, derde lid, Sr onder Titel XXII "Diefstal en stroperij" van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen, terwijl doodslag in het artikel 287 onder Titel XIX "Misdrijven tegen het leven gericht" van dat Boek 2 strafbaar is gesteld. Deze strafbepalingen luiden als volgt:

- art. 287 Sr:

“Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

- art. 312 Sr:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

2. Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:

1° indien het feit wordt gepleegd hetzij gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat; hetzij op de openbare weg; hetzij in een spoortrein die in beweging is;

2° indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3° indien de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;

4° indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

5° indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

3. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd, indien het feit de dood ten gevolge heeft.”

3.10. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven feiten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr.2

3.11. Gelet op hetgeen het Hof als motivering voor de afwijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft gegeven, zoals hierboven weergegeven onder 3.4, heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd.

3.12. De vervolgvraag is of het Hof blijk heeft gegeven van miskenning van die maatstaf.

3.13. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat van een aanzienlijk verschil in juridische aard van de feiten en gedragingen uit de oorspronkelijke tenlastelegging en de voorgestelde wijziging geen sprake is, gelet op de beschermde rechtsbelangen bij diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend en doodslag, en de overlap van de gedragingen. Voorts wordt gewezen op de maximum strafbedreiging van vijftien jaren op beide strafbepalingen.

3.14. Bij de beoordeling van de verwantschap tussen de delictsomschrijvingen, moet onder meer worden gekeken naar het beschermde rechtsgoed en erop worden gelet dat de strekking van de delictsomschrijvingen ten opzichte van elkaar niet wezenlijk uiteenloopt. Niet is vereist dat de strekking van de desbetreffende delictsomschrijvingen geheel dezelfde is.3 Zolang deze strekking niet wezenlijk uiteenloopt, is uiteraard enige rek daarbinnen toelaatbaar.4

3.15. Wat betreft de rechtsgoederen die de bescherming in de delictsomschrijvingen van deze misdrijven genieten kan het volgende worden opgemerkt. De door art. 312, derde lid, Sr beoogde beschermde belangen zijn, naast bescherming van het vermogen - in het bijzonder de eigendom en het bezit van roerende zaken - tevens de integriteit van het menselijk lichaam inclusief het leven. Het verschil met een doorsnee-diefstal is dat op gewelddadige wijze wordt gehandeld jegens het slachtoffer, de dood ten gevolge hebbend. Art. 312 Sr bevindt zich daarmee op het grensgebied van een geweldsdelict en een vermogensdelict. Het geweld vormt bij deze strafbepaling het middel om de diefstal mogelijk te maken. Art. 312, derde lid, Sr betreft zo beschouwd een diefstal onder verzwarende omstandigheden, die een strafmaximum verhogend effect hebben.

De strafbaarstelling van doodslag in art. 287 Sr beoogt het menselijk leven als zodanig te beschermen. Het opzettelijk iemand van het leven beroven is in wezen het uitsluitende kenmerk van alle misdrijven tegen het leven gericht. Mishandeling met niet bedoeld dodelijk gevolg is geen misdrijf tegen het leven. In de Code Pénal viel het indertijd wel onder doodslag, maar in het Wetboek van Strafrecht is het naar de titel van mishandeling verwezen.5 Het gaat derhalve dus bij doodslag als vervat in Titel XIX "Misdrijven tegen het leven gericht" primair om bescherming van menselijk leven, terwijl er buiten die titel delicten zijn met een dodelijk gevolg die primair een ander rechtsgoed beschermen.

Aldus beschouwd loopt de strekking van de delictsomschrijvingen uiteen.

3.16. Voor de strafmaxima die op diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend en doodslag zijn gesteld geldt dat op beide misdrijven een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of een geldboete van de vijfde categorie staat. Dit is verklaarbaar, gelet op het gegeven dat bij beide strafbepalingen het feit de dood ten gevolge heeft. De strafmaxima lopen aldus niet uiteen.

3.17. Verder dient ter beoordeling van het middel de feitelijke kant van de voorgestelde wijziging van de tenlastelegging ten opzichte van de inleidende dagvaarding in ogenschouw te worden genomen. De in de inleidende dagvaarding tenlastegelegde doodslag en in de voorgestelde wijziging van de tenlastelegging daar aan het primaire feit toegevoegde diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend beschrijven niet dezelfde gedraging. In welke mate verschillen nu de gedragingen van elkaar, zowel naar haar aard en strekking als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht?

3.18. Wat betreft de aard en strekking van de gedragingen bij diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend en doodslag geldt dat ze hierin overeenkomen dat het slachtoffer komt te overlijden. Beide strafbepalingen betreffen misdrijven die gekenmerkt worden door het intreden van een gevolg. Alleen bij art. 312, derde lid, Sr gaat het om een niet beoogd gevolg van handelingen, terwijl bij art. 287 Sr het wel degelijk een beoogd gevolg betreft. In dat kader zij opgemerkt dat de dood bij art. 312, derde lid, Sr een geobjectiveerd gevolg inhoudt - het causaal verband tussen het gedrag en het gevolg is toereikend voor de strafbaarheid – en bij art. 287 Sr is het opzet op de dood gericht en wordt causaal verband aangenomen aan de hand van de leer van de redelijke toerekening.

3.19. Ten aanzien van de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder de in de in de inleidende dagvaarding tenlastegelegde doodslag en de gevorderde wijziging van de tenlastelegging daaraan primair toegevoegde diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend zijn beschreven, merk ik het volgende op. In beide ten laste gelegde feiten is de tijd en plaats dezelfde: 23 oktober 2009 te Rotterdam. Bij de omstandigheden ligt dat anders. De aan de verdachte verweten primaire gedraging is in de inleidende dagvaarding omschreven als - kort gezegd - met een vuurwapen een of meer kogels op het lichaam van [slachtoffer 1] afschieten. In de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten een poging diefstal van een geldbedrag van € 15.000,- toebehorende aan [slachtoffer 2], het bedreigen van deze [slachtoffer 2] met een vuurwapen en/of met dat vuurwapen meerdere malen schieten, zulks terwijl dit de dood van [slachtoffer 1] – die zich tussen [slachtoffer 2] en verdachte begeeft – tot gevolg heeft. Het door wijziging van de tenlastelegging toegevoegde verwijt is gericht op een ander slachtoffer, namelijk [slachtoffer 2]. Bovendien is de verweten handeling niet zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1], maar op het beroven van [slachtoffer 2]. Volgens de steller van het middel bestaat er een overlap in de feitelijke aan de verdachte verweten gedragingen, nu ook in de tekst van de voorgestelde wijziging van de tenlastelegging de bedreiging met een vuurwapen en een daarmee gelost schot is opgenomen. Echter, de dreiging met het vuurwapen wordt niet vermeld in het primaire feit op de oorspronkelijke tenlastelegging. Wel in het subsidiaire feit, maar de voorgestelde wijziging zag juist op het primaire feit. Naar mijn oordeel zijn de omstandigheden van de verweten gedragingen verschillend te achten.

3.20. Hoewel de strafmaxima overeenkomen, is zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen dermate groot dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde" feit in de zin van art. 68 Sr. Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging dus terecht afgewezen.

3.21. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

3.22. Ten tweede komt het middel op tegen de door het Hof gegeven vrijspraak inzake het subsidiair ten laste gelegde nu deze beslissing volgens de steller van het middel onvoldoende met redenen is omkleed.

3.23. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte heeft zich naar de woning van [slachtoffer 2] begeven, kennelijk met de bedoeling om aan hem een hoeveelheid verdovende middelen te verkopen. In de slaapkamer van [slachtoffer 2] is over de prijs van de verdovende middelen een -op dat moment nog mondelinge- strubbeling ontstaan tussen de verdachte en genoemde [slachtoffer 2]. Deze strubbeling is kennelijk op enig moment geëscaleerd en heeft zich daarna verplaatst naar de hal van de woning. Aldaar is deze strubbeling uitgemond in een worsteling tussen hen beiden. De zich op dat moment in de woonkamer van de woning bevindende, broer van [slachtoffer 2], genaamd [slachtoffer 1], is vervolgens naar de hal van de woning gegaan. Enkele van de zich bij hem in de woonkamer bevindende familieleden zijn hem gevolgd naar de hal. [slachtoffer 1] heeft zich hierna gemengd in de worsteling die op dat moment in de hal van de woning plaatsvond. Tijdens deze worsteling zijn er drie schoten met een vuurwapen gelost. Eén van deze schoten heeft [slachtoffer 1] getroffen en hem zodanig verwond, dat hij korte tijd daarna aan de gevolgen van deze schotwond is komen te overlijden.

3.24. Het Hof heeft verdachte van het tenlastegelegde geheel vrijgesproken en overweegt daartoe het volgende:

“Evenals de rechtbank overweegt het hof dat de verdachte vanaf het begin in hoofdlijnen consistent en eensluidend heeft verklaard over de toedracht van het schietincident en het schietincident zelf. Zijn verklaring komt er in de kern op neer dat hij niet heeft geschoten en dat de schoten zijn afgegaan tijdens de worsteling tussen hem en [slachtoffer 2].

Voorts stelt het hof met de rechtbank vast dat de door de familieleden van het slachtoffer afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen niet consistent en eensluidend zijn. Ten aanzien van essentiële onderdelen van de gebeurtenissen voorafgaand, tijdens en na de schietpartij wordt wisselend verklaard. Voorts is een aantal van de gehoorde getuigen op een later moment teruggekomen op onderdelen van eerder afgelegde verklaringen of hebben zij hun verklaringen bij gesteld.

Ook [slachtoffer 2], die vanaf het begin direct betrokken is geweest bij het schiet incident, heeft niet consistent en eensluidend verklaard. Zijn verklaringen - inclusief de verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd - bevatten zowel wat betreft hetgeen aan het schietincident vooraf ging als wat betreft het schietincident zelf, verschillende tegenstrijdigheden en wijken voorts op cruciale onderdelen af van andere stukken in het dossier.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier wel volgt dat de verdachte het vuurwapen op enig moment heeft beetgehad, maar dat het overtuigend bewijs dat de verdachte bewust de voor [slachtoffer 1] fatale kogel heeft afgevuurd dan wel dat het wapen anderszins door zijn toedoen is afgegaan, ontbreekt. Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrij gesproken.”

3.25. Vooropgesteld dient te worden dat het navolgende inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad is. Indien de feitenrechter op grond van de aan hem voorbehouden beoordeling van de selectie en waardering van het voorhanden materiaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen, behoeft dit oordeel - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering en kan het in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Dat betekent ook dat een nadere motivering van een vrijspraak de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk maakt doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat. Wel brengt artikel 359, tweede lid, Sv, mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien het openbaar ministerie ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.6

3.26. Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013 heeft de Advocaat-Generaal het woord gevoerd overeenkomstig het aan het Hof overgelegde requisitoir. Dit requisitoir houdt – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende in:

“14.1.6 Op grond van deze vaststellingen, beschouwd in onderling verband en samenhang, komt het Openbaar Ministerie tot de gevolgtrekking dat het de verdachte is die op 23 oktober 2009 in de woning aan de [a-straat] te Rotterdam een vuurwapen heeft gehanteerd en verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van het slachtoffer, [slachtoffer 1].

14.2.1 De verdachte heeft, naar uit de bewijsmiddelen volgt, drie keer de trekker overgehaald. Dit is gebeurd tijdens een worsteling. Die is ontstaan nadat verdachte een wapen heeft getrokken en op [slachtoffer 2] gericht heeft gehouden. Het Openbaar Ministerie is van mening dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet.

14.2.2 Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] - is volgens jurisprudentie van de Hoge Raad aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is (...) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de 16 omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

14.2.3 Degene die met een geladen pistool dreigt moet erop bedacht zijn dat degene die hij daarmee bedreigt tot de tegenaanval zal overgaan, als ook dat omstanders te hulp zullen kunnen schieten. Alsdan bestaat ook de kans, die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat dit geladen pistool, indien de bezitter daarvan zijn vinger bij de trekker houdt, tijdens die worsteling zal kunnen afgaan en een omstander dodelijk zal treffen. Die kans heeft de verdachte in dit geval door doelbewust een wapen bij zich te steken, daarmee kennelijk bedreigingen te uiten - wetens en willens - aanvaard en op de koop toegenomen.

(…)

III. Strafbaarheid feit; strafbaarheid van de verdachte

Het door het Openbaar Ministerie bewezen geachte feit – het primair tenlastegelegde - is strafbaar. De verdachte is dat ook. Feiten en omstandigheden die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een straf- of schulduitsluitingsgrond zijn vooralsnog niet aannemelijk geworden.”

3.27. Het Hof heeft het requisitoir van de Advocaat-Generaal bij het Hof opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het Hof is afgeweken van dit standpunt en heeft in zijn hiervoor onder 3.24 weergegeven overwegingen tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel het wettige bewijs ontbreekt ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde. Gelet op hetgeen onder 3.25 is vooropgesteld omtrent de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter en tegen de achtergrond van hetgeen door de Advocaat-Generaal bij het Hof in het requisitoir is aangevoerd, was het Hof, ook in het licht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, in dit geval niet gehouden dat oordeel nader te motiveren.

3.28. Daarbij zij het volgende nog opgemerkt. Het Hof heeft de verdachte integraal vrijgesproken van de tenlastelegging, omdat hij – evenals de Rechtbank – niet de feitelijke toedracht heeft kunnen achterhalen. In zijn requisitoir heeft de Advocaat-Generaal zich gericht op het primaire feit en concludeert uiteindelijk dat bewezenverklaring voor het primair tenlastegelegde kan volgen. Slechts zijdelings wordt iets gezegd over het subsidiair ten laste gelegde feit (dood door schuld ex art. 307 Sr). Volgens de steller van het middel sluit het meerdere (opzet) het mindere (culpa) in en richt het requisitoir zich aldus ook op het subsidiair ten laste gelegde. In het bestreden arrest heeft het Hof overwogen dat het overtuigend bewijs dat de verdachte bewust de voor [slachtoffer 1] fatale kogel heeft afgevuurd dan wel dat het wapen anderszins door zijn toedoen is afgegaan, ontbreekt. Nu het Hof toereikend gemotiveerd vrijspreekt voor zowel het primaire als het subsidiaire feit, is - anders dan de steller van het middel meent - er geen sprake van een motiveringsgebrek.

3.29. Ook dit onderdeel van het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ook niet naar analogie van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Zie HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6723, NJ 2011/517. Zie voorts HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1723, NJ 2000/93.

2 Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394 m.nt. Buruma.

3 HR 2 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3838, NJ 2000/174 (Tjoelker) m.nt. De Hullu.

4 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 525-531.

5 NLR, aant. 1 bij Titel XIX “Misdrijven tegen het leven gericht” (bijgewerkt tot 9 februari 2009).

6 Zie bijvoorbeeld HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480, HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8527, HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2101 en HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4103, NJ 2008/422.