Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:230

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
12/05920
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:772, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 5.1 Sr. Originaire rechtsmacht. De in de tenlastelegging onder 1 omschreven feiten worden door de Nederlandse strafwet als misdrijf beschouwd en bij de stukken van het geding bevinden zich de met de artt. 289, 288 en 287 Sr corresponderende strafbepalingen van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop en op de vaststelling van het Hof dat verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, getuigt het oordeel van het Hof dat t.a.v. verdachte sprake is van originaire rechtsmacht niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/05920

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 30 november 2012 verdachte wegens 1. “doodslag”, 2. “medeplegen van valsheid in geschrift” en 3. “opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte hebben mr. G.G.J. Knoops en mr. S.C. Post, beiden advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt in verschillende als subklachten aangeduide varianten dat – kort gezegd - het Hof ten onrechte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit originaire rechtsmacht heeft aangenomen.

4.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, in:

“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Naar het hof begrijpt heeft de verdediging blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 overgelegde pleitnotities het volgende verweer – zakelijk weergegeven - gevoerd:

Er is op basis van de beschikbaar zijnde stukken in deze zaak van de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten sprake geweest van een overname van de strafvervolging door Nederland (afgeleide rechtsmacht), als bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht.

In een dergelijk geval is artikel 552y van het Wetboek van Strafvordering van toepassing dat bepaalt dat een verzoek van een buitenlandse autoriteit tot het instellen van een strafvervolging aanstonds wordt afgewezen indien het recht tot strafvordering voor het feit waarvan overname wordt gevraagd naar Nederlands recht of naar het recht van de verzoekende staat is verjaard.

Op grond van artikel 96 van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in 12 jaar voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 3 jaar is gesteld, waaronder doodslag. Nu tussen het moment van veroordeling van de verdachte in Paramaribo, te weten 24 maart 1994, en het moment waarop de Surinaamse autoriteiten het verzoek hebben gedaan aan Nederland om de strafvervolging over te nemen, te weten 12 december 2007, meer dan 12 jaar zijn verstreken, zou het recht tot strafvordering ten aanzien van de doodslag ten tijde van de overname naar Surinaams recht zijn verjaard. Strafvervolging op grond van artikel 552y lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering zou dan niet meer mogelijk zijn geweest en Nederland zou op die grond dus ook geen van het Surinaamse recht afgeleide rechtsmacht hebben, zoals bedoeld in artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht. Dit zou ertoe moeten leiden - aldus de raadsman - dat het openbaar ministerie niet - ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van de thans meer subsidiair ten laste gelegde doodslag. Indien het hof van oordeel is dat in plaats van afgeleide rechtsmacht sprake is van originaire rechtsmacht, is de raadsman van mening dat dit een inbreuk oplevert op de beginselen van de behoorlijke strafrechtspleging, als gevolg waarvan het openbaar ministerie alsnog niet - ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nu de verdachte een Nederlander is die ervan wordt verdacht dat hij zich in het buitenland heeft schuldig gemaakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het feit is begaan straf is gesteld, heeft Nederland op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (originaire) rechtsmacht. Dat de Nederlandse autoriteiten aanvankelijk het plan hadden om de strafvervolging van Suriname over te nemen en daartoe de procedure als bedoeld in artikel 552x e.v. van het Wetboek van Strafvordering hebben gevolgd, vormt hiervoor geen beletsel. Nederland had en heeft zelfstandig rechtsmacht en kon derhalve zelfstandig tot strafvervolging van de verdachte overgaan.

De overeenkomst tussen Suriname en Nederland betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken noch het daarop betrekking hebbende protocol voorziet in een bepaling die het mogelijk maakt dat een op het tijdstip van ontvangst van het verzoek tot overname van strafvervolging ingetreden vervolgingsverjaring aan de kant van de verzoekende staat als exceptie kan worden ingeroepen wanneer de ontvangende staat zelf originaire rechtsmacht heeft. Gelet op het voorgaande is niet relevant of sprake is van verjaring van de ten laste gelegde doodslag naar Surinaams recht. Naar Nederlands recht is dit onderdeel van de tenlastelegging in ieder geval niet verjaard. Voorts valt niet in te zien dat het aannemen van originaire rechtsmacht in de onderhavige zaak strijd zou opleveren met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, zoals de raadsman heeft aangevoerd. De omstandigheid dat een deel van het dossier bij een brand in 2001 in Suriname verloren is gegaan is betreurenswaardig, doch kan niet aan het openbaar ministerie worden verweten. Overigens is niet aannemelijk geworden dat hierbij belangrijk belastend en/of ontlastend materiaal is verbrand. Voorts hebben de verdachte en de verdediging in eerste aanleg alle gelegenheid gekregen om hun argumenten en verweren naar voren te brengen. Het hof is dan ook van oordeel dat het verweer tot niet - ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dient te worden verworpen.”

4.3.

Het middel en de verweren waarop het voortborduurt berusten op een miskenning van het ter zake geldende recht. Het belangrijkste misverstand lijkt mij daarbij te zijn vervat in de in de schriftuur betrokken stelling dat in geval van een overname van strafvervolging per definitie sprake is van afgeleide rechtsmacht. Maar ook de daaraan gekoppelde stelling dat het bestaan van afgeleide rechtsmacht meebrengt dat op de originaire rechtsmacht geen beroep kan worden gedaan, getuigt van een misvatting. De combinatie van beide stellingen zou betekenen dat de originaire rechtsmacht bij een overname van strafvervolging nimmer een rol kan spelen. Er is weinig wat minder waar is. Ik licht dat hieronder toe.

4.4.

Voor een overname van strafvervolging is geen basis in een verdrag vereist.1 De vervolging geschiedt bij een dergelijke overname ‘gewoon’ op basis van de eigen strafmacht van de aangezochte staat. Voorwaarde is dus onder meer dat die staat zelf rechtsmacht heeft (zogenaamde originaire rechtsmacht). Van enige overdracht van bevoegdheden is derhalve geen sprake. Dat impliceert dat de aangezochte staat ook zonder (de inwilliging van) een verzoek tot overname van strafvervolging tot vervolging kan overgaan of had kunnen overgaan. Opmerking daarbij verdient dat het initiatief tot een dergelijke zelf ingestelde (niet overgenomen) strafvervolging heel wel van een ander land kan zijn uitgegaan. Van een overdracht van strafvervolging is geen sprake als politie of justitie door het verschaffen van informatie bewerkstelligen dat in een ander land tot strafvervolging wordt overgegaan.2 Dat geldt ook als de vervolging in eigen land had kunnen plaatsvinden. Het is bepaald niet ongebruikelijk dat landen onderling afspreken waar de vervolging het beste kan plaatsvinden.

4.5.

De vraag is of het qua rechtsgevolgen uitmaakt of er al dan niet sprake is van overname van strafvervolging. Het belangrijkste verschil is als ik het goed zie dat een (ingewilligd) verzoek tot overname van strafvervolging impliceert dat de verzoekende staat afstand heeft gedaan van zijn recht om zelf een vervolging in te stellen. De aangezochte staat krijgt anders gezegd het alleenrecht op vervolging (voor zover het om de onderlinge verhouding tussen beide staten gaat), terwijl de verdachte daardoor wordt gevrijwaard van dubbele vervolging. Een ander verschil is dat ingeval van overname van strafvervolging de bijzondere bewijsregeling van art. 552gg lid 1 Sv geldt. Een verschil is niet, voeg ik daar voor alle duidelijkheid nog aan toe, dat ingeval van overname van strafvervolging bewijsmateriaal kan worden overgedragen. Dat kan ook als geen sprake is van overname van strafvervolging. Aan het verlenen van dergelijke ‘kleine rechtshulp’ zijn geen zware voorwaarden gesteld. Dergelijk hulp kan ook worden verleend door een staat die bevoegd is het desbetreffende feit zelf te vervolgen.

4.6.

Het wordt niet veel anders als de overname van strafvervolging wel op een verdrag is gebaseerd.3 Ook voor die overname is als regel – over de uitzondering kom ik aanstonds te spreken – vereist dat de aangezochte staat originaire rechtsmacht bezit. Voor zowel de overname van strafvervolging die wel als de overname die niet op een verdrag is gebaseerd, geldt voorts dat het verzoek daartoe niet door de minister mag worden ingewilligd als het recht van vervolging naar het recht van de verzoekende staat door verjaring is vervallen (art. 552y lid 1 sub c Sv). Die voorwaarde vloeit naar het mij voorkomt direct voor uit het wezen van de overname van strafvervolging.4 De verzoekende staat kan geen afstand doen van een recht tot strafvordering dat hij niet (meer) bezit. Als de minister het verzoek op deze grond afwijst, wil dat niet zeggen dat de strafvervolging niet in Nederland kan plaatsvinden. De afwijzing van het verzoek maakt aan de eigen vervolgingsbevoegdheid geen einde. De officier van justitie kan in het verzoek dan ook aanleiding vinden om ‘zelf’ te gaan vervolgen.5

4.7.

De afgeleide rechtsmacht waarop het middel doelt, is wat Nederland betreft geregeld in art. 4a lid 1 Sr. Het artikellid bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is “op ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt”. Voor het aannemen van afgeleide rechtsmacht is dus niet voldoende dat de overname van strafvervolging op een verdrag is gebaseerd. Het desbetreffende verdrag moet bovendien in vestiging van rechtsmacht voorzien.6 Die afgeleide rechtsmacht komt van pas in gevallen waarin de aangezochte staat geen originaire rechtsmacht heeft. Als de aangezochte staat wel eigen rechtsmacht heeft, is de afgeleide rechtsmacht waarin het verdrag voorziet niet echt nodig. Een probleem levert dat niet op. De rechtsmacht van de aangezochte staat heeft in dat geval een dubbele grondslag. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de afgeleide rechtsmacht de originaire rechtsmacht in een dergelijk geval verdringt.

4.8.

Een enkel woord over de vraag wat rechtens is als (al dan niet achteraf) blijkt dat de minister het verzoek tot overname van strafvervolging ten onrechte heeft ingewilligd, bijvoorbeeld omdat het desbetreffende feit naar het recht van de verzoekende staat op het moment van inwilliging al was verjaard. De consequentie lijkt mij alleen te kunnen zijn dat geoordeeld wordt dat geen sprake is van een overname van strafvervolging in de zin van wet en verdrag, zodat op de specifieke rechtsgevolgen die aan een dergelijke overname zijn verbonden geen beroep kan worden gedaan. Verdedigbaar is bijvoorbeeld dat dan de specifieke bewijsregeling van art. 552gg lid 1 Sv toepassing mist. Verdedigbaar is ook dat, ingeval de strafvervolging uitsluitend op afgeleide rechtsmacht is gebaseerd, de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging. Voor een dergelijke niet-ontvankelijkheid is echter – en daarom gaat het mij hier - geen reden als er (ook) originaire rechtsmacht is.

4.9.

Het wordt tijd om een en ander toe te spitsen op de onderhavige zaak. De zich bij de stukken van het geding bevindende brief van 12 december 2007 met bijlagen waarop in het verweer een beroep werd gedaan, houdt in een verzoek om een strafvervolging in overweging te nemen, waarbij als grond voor dat verzoek de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (Trb. 1976, 143 en Trb. 1981, 160) en het bijbehorende Protocol (Trb. 1993, 87) wordt genoemd. Tevens wordt gewezen op “artikel 552x van het Nederlandse Wetboek van strafrecht” (waarmee art. 552x Sv zal zijn bedoeld). Niet onbelangrijk is daarbij dat noch het genoemde Verdrag, noch het bijbehorende Protocol voorzien in de overname van strafvervolging.7 Naar een bepaling die afgeleide rechtsmacht vestigt, zoekt men daarin dan ook vergeefs. De conclusie moet daarom zijn dat, zo het bedoelde verzoek als een verzoek om overname van strafvervolging moet worden beschouwd, dat verzoek geen basis heeft in een verdrag en dat de vervolging waarom wordt verzocht enkel haar grond kan vinden in de originaire rechtsmacht die Nederland ten aanzien van het desbetreffende feit heeft. De centrale klacht van het middel dat sprake is geweest van een “wisseling van de basis van de rechtsmacht van afgeleide naar originaire rechtsmacht” mist dan ook iedere grond.

4.10.

Het middel klaagt ook dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is geweest van overname van strafvervolging, maar alleen van een aanvankelijk bestaand plan daartoe, “haaks staat op de stukken van het geding”. Dat lijkt mij te veel gezegd. Uit de stukken van het geding blijkt enkel dat door Surinaamse autoriteiten een verzoek is gedaan dat door de Nederlandse autoriteiten lijkt te zijn opgevat als een verzoek tot overname van strafvervolging. Dat de minister in het verzoek heeft bewilligd, blijkt echter niet uit de stukken van het geding. Het oordeel van het Hof dat het uiteindelijk niet tot een overname van strafvervolging is gekomen, kan ik dan ook niet onbegrijpelijk vinden, waarbij ik eraan herinner dat die overname niet nodig is om de verdachte in Nederland te vervolgen. Dat de aanzet voor die eigen (niet overgenomen) vervolging kennelijk gelegen is in het gedane verzoek, maakt dat niet anders (hiervoor punt 4.4).

4.11.

Overigens ontgaat mij, gelet op de beperkte rechtsgevolgen die een niet op een verdrag gebaseerde overname van strafvervolging heeft (hiervoor, punt 4.5), het belang van de klacht. In de schriftuur wordt de stelling betrokken dat het door Suriname gedane verzoek uitsluitend betrekking had op gekwalificeerde doodslag en dus niet op de – al verjaarde – gewone doodslag. Dat verzoek (en de eventuele inwilliging daarvan) kan niet tot gevolg hebben dat Nederland zijn bevoegdheid tot strafvervolging (die juist nodig is om aan het verzoek te kunnen voldoen) verliest, laat staan dat Nederland zijn bevoegdheid tot strafvervolging verliest ten aanzien van feiten waarop het verzoek geen betrekking heeft. De inwilliging van het verzoek maakt anders gezegd niet dat de mogelijkheid van een vervolging in Nederland wegens niet-gekwalificeerde doodslag verloren is gegaan. Het zou overigens niet anders zijn geweest als het verzoek wel onbeperkt was gedaan en de minister het verzoek vanwege de ingetreden verjaring had afgewezen voor zover dat op gewone doodslag betrekking had. Die afwijzing laat de bestaande rechtsmacht ten aanzien van die doodslag weer onverlet. Het zou ook niet (veel) anders zijn geweest als de minister het onbeperkte verzoek ten onrechte in zijn geheel had ingewilligd. Voor zover de ingestelde vervolging betrekking heeft op gewone doodslag, kan dan, zo valt te verdedigen, van een rechtsgeldige overname van strafvervolging geen sprake zijn, zodat de rechtsgevolgen daarvan de verdachte niet tegengeworpen kunnen worden (hiervoor, punt 4.8). De uitkomst is dus steeds dat van een (rechtsgeldige) overname van strafvervolging geen sprake kan zijn geweest voor zover die vervolging is gebaseerd op art. 287 Sr. Dat is precies waarop de feitelijke vaststelling van het Hof neerkomt.

4.12.

In de schriftuur wordt nog omstandig betoogd dat het belang van de klacht mede gelegen is in de bijzondere bewijsregeling van art. 552gg Sv. Doordat het Hof originaire rechtsmacht heeft aangenomen, zou de verdediging de mogelijkheid zijn ontnomen om verweer te voeren tegen de bijzondere bewijskracht van de buitenlandse stukken. Dat betoog miskent dat de toepasselijkheid van art. 552gg Sv niet afhangt van de vraag of sprake is van originaire of afgeleide rechtsmacht, maar van de vraag of al dan niet sprake is van een overname van strafvervolging. Het lijkt mij daarbij juist in het belang van de verdachte dat wordt aangenomen dat geen sprake is van een overname van strafvervolging. De stukken missen dan immers bijzondere bewijskracht. Dat het daardoor niet nodig is die bijzondere bewijskracht met allerlei fraaie verweren aan te vechten, moge waar zijn, maar vormt geen rechtens te respecteren belang. Een advocaat kan er tenslotte ook niet over klagen dat hij niets te melden heeft omdat in het vooronderzoek geen vormverzuimen zijn begaan.

4.13.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat het Hof niet c.q. onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inhoudende dat de advocaat-generaal de bevoegdheid tot wijziging van de tenlastelegging voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is bedoeld, alsmede dat het Hof aan art. 68 Sr jo. art. 313 Sv een rechtens te beperkte uitleg heeft gegeven nu een toetsing hieraan (naast een materiële toets) ook omvat een toets aan de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht.

5.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2012 heeft de advocaat-generaal een vordering wijziging tenlastelegging ingediend waarbij het delict doodslag als meer subsidiair feit is opgenomen in de tenlastelegging. De raadsman van de verdachte heeft daarop medegedeeld namens de verdachte bezwaar te hebben tegen deze wijziging. Blijkens zijn op deze terechtzitting overgelegde pleitnota heeft hij aldaar vervolgens onder meer het volgende aangevoerd:

"De angel in deze vordering wijziging tenlastelegging zit hem echter helemaal niet in de omschrijving van het feit c.q. de feiten. De angel zit hem in de vraag wat de betekenis is van de korte verjaringstermijn in Suriname van doodslag (in tegenstelling tot de verjaringstermijn van gekwalificeerde doodslag), voor de vervolging in Nederland. Wat is de betekenis van de overdracht c.q. overname van strafvervolging?! Wat ís eigenlijk overgedragen door Suriname c.q. overgenomen door Nederland?!

Ik breng de zaak met het oog op de beoordeling van de vordering wijziging tenlastelegging in kaart.

• Op 12 december 2007 is aan Nederland het verzoek gedaan strafvervolging in te stellen. Daarbij werd gerefereerd aan de veroordeling wegens gekwalificeerde doodslag op 24 maart 1994 (tot 16 jaar gevangenisstraf);

• De officier van justitie heeft op 7 januari 2008 positief geadviseerd tot het verzoek tot (zo benoemd te zijn) "overname van strafvervolging”. Zulks in reactie op het verzoek van de Minister van Justitie te adviseren over (zo benoemd te zijn) “overname strafvervolging Suriname”. Er wordt in de brief van de Minister van 7 januari 2008 ook gerefereerd aan art 552z Sv.

• De vordering bewaring die op 3 mei 2008 werd gedaan op basis van de aldus overgenomen strafvervolging was geënt (zoals thans de vordering wijziging tenlastelegging) op moord, dan wel gekwalificeerde doodslag, dan wel doodslag in de zin van art 287 Sr. De rechter-commissaris achtte evenwel alleen maar ernstige bezwaren aanwezig ter zake het subsidiair ten laste gelegde, de gekwalificeerde doodslag derhalve. Dat is (zo moet je achteraf vaststellen) ook in lijn met de veroordeling in Suriname voor gekwalificeerde doodslag, zoals die vervolging in Nederland was overgenomen. Ik heb daarvan gezegd dat misschien toen al, zonder dat daarvan expliciet blijkt, bezinning had plaatsgevonden op het feit dat 'gewone' doodslag in Suriname was verjaard.

• De omschrijving in de inleidende dagvaarding (tegen de zitting van 28 juni 2010) kent 2 varianten. Moord (art 289 Sr.) en gekwalificeerde doodslag, zij het dat onderaan wordt verwezen naar én 288 Sr. én 287 Sr.

(...)

De advocaat-generaal zal niet (althans niet met droge ogen) willen beweren dat enige procesdeelnemer uit de eerste aanleg (de rechter commissaris, de leden van de raadkamer gevangenhouding, de zittingsrechters, de Officieren van Justitie) zijn uitgegaan van een originaire vervolging waar het doodslag betreft en een derivatieve vervolging waar het de gekwalificeerde doodslag betreft dan wel zelfs de moord.

(...)

De vraag is nu of het de advocaat-generaal vrij staat een vordering wijziging tenlastelegging door te voeren als gevolg waarvan feiten die overduidelijk afgeleid zijn (de moord; de gekwalificeerde doodslag) aan te vullen met een feit (de gewone doodslag) dat mogelijk op originaire grondslag zal moeten worden beoordeeld.

Het is niet een wijziging die is ingegeven door de noodzaak het feit beter te omschrijven. Ook niet ingegeven door de noodzaak om het feit anders te kwalificeren want op basis van de vigerende omschrijving is doodslag bewezen verklaard op voet van het subsidiair ten laste gelegde in de inleidende dagvaarding. (...) De vordering is ingegeven (en het zou de advocaat-generaal sieren als dat ruiterlijk werd erkend) om daarmee ontvankelijkheid in het leven te roepen of te onderbouwen, door het separaat te benoemen van een feit dat niet zou zijn overgenomen/overgedragen, te weten de doodslag.

Ik heb de volgende specifieke bezwaren tegen toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging;

1. Op zichzelf is niet uitgesloten dat in beroep de tenlastelegging wordt gewijzigd. Die faciliteit bestaat al wat langer. Maar daar moet wel terughoudend mee worden omgesprongen. Want mijn cliënt mist een instantie als gevolg daarvan. De doodslag als zodanig, als meer subsidiair feit (en dus niet als ingelezen feit in het subsidiair ten laste gelegde), heeft hij in eerste aanleg niet aan het oordeel van de rechtbank kunnen onderwerpen want dat lag in die vorm toen niet voor. Dat is in dit bijzondere geval (al was het maar vanwege de mindere bewijskracht van buitenlandse stukken bij originaire vervolging) een handicap. Er zijn hem aldus rechten onthouden die ook van belang zijn bij de beoordeling van de thans voorliggende vordering;

2. De vraag is ook eigenlijk of het niet een ander feit is in de zin van art. 68 Sr. Zo had ik gisteren een zaak waarin de gevangenneming werd toegewezen voor doodslag (het slachtoffer was inmiddels overleden), waar de verdachte al gevangengehouden werd vanwege poging tot doodslag. Er werd door de Officier van Justitie, met het oog op de vordering gevangenneming, een uitspraak van het Hof Arnhem overgelegd waarin was uitgemaakt (LJN: BT8907): "in het bijzonder is het Hof van oordeel dat het stelsel van de wet zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering gevangenneming ter zake van nieuwe, niet in een eerder bevel tot voorlopige hechtenis opgenomen feiten". Als poging tot doodslag op slachtoffer A een ander feit is dan de doodslag op dat slachtoffer (en dus de gevangenneming rechtvaardigt waar al gevangen gehouden werd) is dan doodslag niet een ander feit dan gekwalificeerde doodslag, of zou althans in zo'n geval de vordering 313 Sv. niet moeten worden afgewezen?! Dat klemt te meer in het licht van het feit dat [verdachte] in Suriname al was veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag en hij alleen vanwege bijzondere omstandigheden (kort gezegd; nog maar een klein deel uitgezeten) geen aanspraak kon maken op het ne bis in idem beginsel. Hoe verhoudt zich dat tot de doodslag zoals die in Nederland is bewezen verklaard en zoals daaraan nu de vordering wijziging tenlastelegging nadere invulling wordt gegeven? Ook dat aspect kon in eerste aanleg niet worden meegenomen en in dat opzicht heeft cliënt een instantie gemist.

3. Misschien wel het belangrijkste argument om de wijziging niet toe te staan, de vordering niet in te willigen, is dat de bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. De bevoegdheid wordt gebruikt om aan de verjaring in Suriname van doodslag te ontkomen en aldus (na verweren die met het oog daarop werden gevoerd) een volte face te maken en van afgeleide rechtsmacht originaire rechtsmacht te kunnen maken.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2012 houdt, voor zover van belang, voorts het volgende in:

“De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De vordering tot wijziging van de tenlastelegging behoort te worden beoordeeld aan de hand van het gebruikelijke criterium, te weten of sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Ik bestrijd de door de raadsman opgeworpen suggestie dat deze wijziging zou zijn ingegeven om aan verjaring te ontkomen. Hiervan is geen sprake.”

Het proces-verbaal houdt voorts, voor zover van belang, in:

Op 29 maart 2012 wordt het onderzoek ter terechtzitting hervat.

De voorzitter stelt vast dat de verdachte noch zijn raadsman ter terechtzitting aanwezig is.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof op de vordering van de advocaat-generaal d.d. 16 maart 2012 mede dat de vordering wijziging tenlastelegging zal worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof zijn de in de aanvankelijke tenlastelegging omschreven gedragingen dezelfde feiten - in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht - als de gedragingen die in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn omschreven, nu de juridische aard van de feiten en de omschreven gedraging(en) - zowel wat betreft de aard en strekking als de bedoelde tijd, plaats en omstandigheden - in belangrijke mate overeenkomen. Hetgeen de raadsman als bezwaar tegen de gevorderde wijziging heeft aangevoerd, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af en vormt evenmin een beletsel voor toewijzing van de vordering. Niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal de bevoegdheid tot het vorderen van een wijziging van de tenlastelegging heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven.”

5.3.

Het middel berust op de onjuiste opvatting dat art. 359 lid 2 Sv in casu van toepassing is. Verweer en middel bouwen voorts voort op de misvatting dat de strafvervolging wegens gekwalificeerde doodslag (aanvankelijk) berustte op afgeleide rechtsmacht (vgl. hiervoor, punt 4.9). Het oordeel van het Hof dat misbruik van bevoegdheid niet aannemelijk is geworden, is voorts allerminst onbegrijpelijk. De vordering wijziging tenlastelegging kan moeilijk zijn gedaan “om aan de verjaring in Suriname van doodslag te ontkomen”, aangezien de Surinaamse verjaringsregeling op de onderhavige strafvervolging niet van toepassing is.

5.4.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het Hof op onjuiste gronden heeft aangenomen dat het recht op strafvervolging in casu niet was verspeeld door toezeggingen die in 1995 van de zijde van de politie aan de verdachte waren gedaan, hetgeen in het licht van het tijdsverloop tussen de veroordeling in Suriname in 1994 en het verzoek overname strafvervolging Suriname aan Nederland in december 2007 onbegrijpelijk is te achten.

6.2.

Het Hof heeft ten aanzien van het door de verdediging gedane beroep op de aan de verdachte gedane ‘toezegging’ het volgende geoordeeld:

“Ten aanzien van het recht op strafvervolging

Voor zover de raadsman al bedoeld heeft dat aan de verdachte in 1995 op het politiebureau in de Jan Hendrikstraat in Den Haag toezeggingen zijn gedaan dat hij niet vervolgd zou worden, althans dat hij niet gesignaleerd stond, in die zin dat een agente had gezegd dat hij zij n leven weer moest oppakken en dat ten gevolge van het hierdoor opgewekte vertrouwen het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is verspeeld, is het hof van oordeel dat alleen een concrete toezegging door een persoon die daartoe bevoegd is een gerechtvaardigd, in rechte te honoreren, vertrouwen kan oproepen. Het behoeft geen betoog dat daarvan geen sprake was. Derhalve is met genoemde opmerking niet het vervolgingsrecht van de autoriteiten verspeeld.

Het feit dat de verdachte reeds in Suriname is veroordeeld, vormt geen beletsel om verdachte in Nederland andermaal te vervolgen, omdat verdachte van de hem opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren minder dan één jaar heeft uitgezeten (artikel 68 lid 2 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht).

De omstandigheid dat de zaak in 2007 uitsluitend naar aanleiding van bemoeienis van Peter R. de Vries weer is opgepakt door de Nederlandse autoriteiten kan er naar het oordeel van het hof niet toe leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard.”

6.3.

Ik stel voorop dat toezeggingen die door een opsporingsambtenaar worden gedaan met betrekking tot niet vervolgen, in beginsel toegerekend dienen te worden aan het openbaar ministerie en onder omstandigheden bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen wekken dat hij niet zal worden vervolgd.8 Het oordeel van het Hof dat de uitlatingen van de betrokken opsporingsambtenaar in de gegeven situatie – de verdachte was in 1994 kort vóór zijn veroordeling in Suriname naar Nederland gevlucht en kon vanwege zijn Nederlandse nationaliteit niet uitgeleverd worden, terwijl in Nederland niet kon worden vervolgd omdat Nederland niet over het strafdossier beschikte – niet de concrete toezegging inhielden dat de verdachte ook in de toekomst niet in Nederland zou worden vervolgd, acht ik gelet op de inhoud van de gedane mededelingen – die hooguit inhielden dat op dat moment sprake was van een patstelling waarvan onduidelijk was of en zo ja hoe die kon worden doorbroken – niet onbegrijpelijk. De vraag of, als wel sprake zou zijn geweest van een concrete toezegging als hiervoor bedoeld, de verdachte daarin in de gegeven omstandigheden het gerechtvaardigd vertrouwen had kunnen ontlenen dat hij van vervolging verschoond zou blijven, kan daarom onbeantwoord blijven. Ik merk slechts op dat het in feitelijke aanleg gevoerde verweer dat de verdachte “sinds zijn ontsnapping uit de gevangenis in Suriname in 1994 in onzekerheid [heeft] gezeten over zijn berechting”, een verweer waarop in de toelichting op het middel een kennelijk als ondersteuning bedoeld beroep wordt gedaan, mij moeilijk te rijmen lijkt met de bewering dat de verdachte na zijn bezoek in 1995 aan het Haagse politiebureau in het vertrouwen leefde dat hij niet zou worden vervolgd.

6.4.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel klaagt dat het Hof op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, aangezien het Hof een onjuist startmoment van de redelijke termijn heeft gehanteerd, te weten 1 mei 2008 in plaats van 1995/1996.

7.2.

De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2012 aldaar overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“Maar is het zo heel gek dat ik in dat verband, en vooral ook waar nu de tournure wordt gemaakt naar de originaire rechtsmacht, wil weten wanneer mijn cliënt voor de eerste maal in Nederland van zijn vrijheid beroofd is in verband met deze verdenking?? Dat markeert naar het oordeel van de verdediging (en zeker de herhaalde toepassing daarvan) de aanvang van de redelijke termijn. Dat is, in retrospectief, maar ook al naar de uiterlijke verschijningsvorm toen, een handeling van de Staat waaraan de verwachting moet worden ontleend dat het nog wel eens tot een vervolging in Nederland zou kunnen komen voor dat feit. Of worden in Nederland mensen te pas en te onpas van de straat gehaald zonder dat jegens hen kan blijken van een verdenking, en zonder dat daaraan een strafvorderlijke betekenis toekomt? Op basis van de eigen verklaring van cliënt aan Nederlandse opsporingsambtenaren is ter kennis gekomen aan de Nederlandse opsporingsambtenaren dat hij een strafbaar feit had gepleegd en op basis van die verklaring is hij ingesloten. Dat constitueert een redelijk vermoeden van schuld en het gaat om de toepassing van dwangmiddelen in verband daarmee.”

7.3.

Voorts houdt het proces-verbaal van de bedoelde zitting, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Alvorens de advocaat-generaal in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, verklaart de verdachte op vragen van de voorzitter het volgende:

In 1995 ben ik naar een politiebureau in 's-Gravenhage gegaan en heb mijzelf aangegeven. Ik weet niet precies hoe lang ik toen in de cel heb gezeten, maar ik kan wel zeggen dat het ongeveer zes uren zijn geweest. Toen ik weer werd vrijgelaten, heb ik aan de agente gevraagd wat ik moest doen. Er werd toen tegen mij gezegd dat ik mijn leven weer moest oppakken. Ik kwam ongeveer een maand later diezelfde agente tegen. Zij heeft mij toen meegenomen naar het politiebureau en heeft mij daar vastgezet om na te gaan hoe het met de zaak stond. Na een paar uur ben ik weer weggestuurd met de mededeling dat Suriname niet in mij geïnteresseerd was.”

De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 aldaar overgelegde pleitnota houdt, voor zover van belang, onder meer het volgende in:

“Volstrekt subsidiair zie ik in dat geval (bij originaire vervolging) termen de onverhoopt op te leggen straf radicaal bij te stellen ten opzichte van het vonnis van de rechtbank. In dat geval immers ga ik uit van een situatie waarin (dat is niet inhoudelijk bestreden terwijl het afdoende aannemelijk is gemaakt) mijn cliënt zich in 1995 tot de Nederlandse autoriteiten heeft gewend. Hij is toen vastgezet. Als dat niet op grondslag van een Surinaams verzoek is gebeurd (en dat ís niet op verzoek van Suriname gebeurd) dan markeert het de aanvang van de vervolging, of althans de op redelijk termijn te beoordelen termijn van berechting. Die termijn is dan buiten elke proportie. Daar zou gehakt van zijn gemaakt in de jaren 90 en misschien zelfs nog kort na de eeuwwisseling. Daar zou de niet ontvankelijkheid van het OM op zijn gevolgd, als hij toen zou zijn berecht zoals had gekund. Dus mijn cliënt, terwijl de termijn nog veel meer uit de pas is gaan lopen, zou in 2012 moeten worden berecht op basis van jurisprudentie die is gewezen toen die zaak al zo belegen was als Old Amsterdam kaas. Dat is niet iets waar je trots op moet zijn en ik vind eigenlijk dat dat ook in de eis van de advocaatgeneraal zou hebben moeten doorklinken, voor zover dat niet doorklonk.”

7.4.

Het proces-verbaal van de genoemde terechtzitting houdt als repliek van de advocaat-generaal onder meer het volgende in:

“Het klopt dat de Nederlandse autoriteiten de zaak eerder hadden moeten volgen en oppakken.

Nederland kan wel zelfstandige rechtsmacht hebben, maar als je geen dossier hebt dan heb je geen zaak. Nederland kon het dossier alleen krijgen in het kader van een rechtshulpverzoek. Nederland heeft het dossier pas in 2007 ontvangen.”

7.5.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Strafmotivering

(…)

Ten aanzien van de vraag of de redelijke termijn is overschreden overweegt het hof dat de verdachte weliswaar materieel reeds in 1997 een vermoeden kon hebben dat er een vervolging tegen hem zou worden ingesteld, maar dat in de onderhavige zaak de termijn formeel is gestart bij de aanhouding van de verdachte in Nederland op 1 mei 2008.

Onder meer als gevolg van het op verzoek van de verdediging horen van vele getuigen in Nederland en Suriname is het vonnis in eerste aanleg pas gewezen op 12 september 2011. Het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden.”

7.6.

Ik stel voorop dat het startpunt van de redelijke termijn ligt bij het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat jegens hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De aanhouding van de verdachte kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zo een handeling zijn.

7.7.

In feitelijke aanleg is door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat in dit geval de redelijke termijn niet pas op het moment van de aanhouding van de verdachte op 1 mei 2008 is gaan lopen, maar reeds op het moment waarop de verdachte in 1995 op het politiebureau is “vastgezet”. Het kennelijke oordeel van het Hof dat dit vastzetten niet een handeling oplevert waaruit de verdachte in redelijkheid kon opmaken dat hij door het Nederlandse openbaar ministerie zou worden vervolgd, acht ik gelet op hetgeen de verdachte daarover op de zitting van 16 maart 2012 verklaarde, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

7.8.

In de schriftuur wordt nog een beroep gedaan op het antwoord dat de minister van Justitie Sorgdrager op 22 mei 1997 gaf op door leden van de Tweede Kamer over de onderhavige zaak gestelde vragen. De minister deelde onder meer mee dat zij bij brief van 17 april 1997 aan haar ambtgenoot in Suriname had gevraagd mee te werken aan de overdracht aan Nederland van de strafvervolging.9 Nu in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat deze mededeling van de minister het beginpunt van de redelijke termijn opleverde, was het Hof niet gehouden zijn oordeel op dit punt nader te motiveren. Ten overvloede merk ik op dat de bedoelde mededeling naar mijn mening bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een handeling waaruit de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij in Nederland zou worden vervolgd. Uit de mededeling sprak weliswaar de bereidheid om in Nederland een vervolging tegen de verdachte in te stellen, maar tegelijk bleek daaruit dat die bereidheid pas in daden kon worden omgezet als de Surinaamse autoriteiten bereid waren daaraan mee te werken. Zelfs de minister kon aan haar woorden niet de redelijke verwachting ontlenen dat de verdachte in Nederland zou worden vervolgd.

7.9.

Het middel faalt.

8. Alle middelen falen en kunnen, behoudens misschien het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Baayens-van Gelooven, in: Melai-Groenhuijsen, aant. 3 op artt. 552t-552hh.

2 Zie J.M. Reijntjes & J.M. Sjöcrona, ‘Overdracht en overname van strafvervolging’ in: Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer 2008, p. 303. Anders Baayens-van Gelooven, in: Melai-Groenhuijsen, aant. 15 -18 op artt. 552t-552hh.

3 Een belangrijk verschil is dat het verdrag in beginsel de verplichting schept om aan het verzoek tot overname van strafvervolging te voldoen. Als de overname van strafvervolging niet op een verdrag is gebaseerd, ontbreekt uiteraard een dergelijke verdragsrechtelijke verplichting.

4 Vgl. Baayens-van Gelooven, in: Melai-Groenhuijsen, aant.14 en 15 op artt. 552t-552hh, waarin als kenmerkende voorwaarde voor een verzoek tot overname van strafvervolging wordt genoemd dat daaruit de bereidheid moet blijken om afstand te doen van het recht op strafvordering.

5 In gelijke zin Baayens-van Gelooven, in: Melai-Groenhuijsen, aant. 14 op art. 552y. Zie ook Paridaens-Van der Stoel, in Tekst & Commentaar Strafvordering, aant. 10 op art. 552y.

6 Zie bijvoorbeeld art. 2 van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging.

7 Het Verdrag heeft enkel betrekking op de uitlevering (Hoofdstuk I) en op de Rechtshulp in strafzaken (Hoofdstuk II). Bij die rechtshulp gaat het blijkens de tekst om hulp bij een strafvervolging die ingesteld wordt door de verzoekende partij (zogenaamde kleine rechtshulp). Overname van strafvervolging, waarbij de verzoekende partij juist niet de strafvervolging instelt, valt daar niet onder.

8 Zie o.m. HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8621; HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3098 m.nt. Buruma en HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2302.

9 Kamerstukken II 1996-1997, Aanhangsel, nr. 1239.