Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-10-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
12/04127
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3630, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 285 Sr, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:1984:AC8252. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte twee sms-berichten naar X heeft verstuurd, inhoudende ‘Gezien SMS 28/04/2009 14:21 u. en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens’ en ‘Gezien jouw bedreigingen heeft Y als instructie het waarschuwingsschot over te slaan en bij eerste gelegenheid gericht te vuren’. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat deze uitlatingen van verdachte bij X in redelijkheid de vrees konden doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Dit, in aanmerking genomen de overige uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende f & o niet onbegrijpelijke oordeel, behoeft geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04127

Zitting: 14 oktober 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 27 juni 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch wegens “1. Belaging” en “3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 211 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven, drie middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is bij schrijven van 4 oktober 2012 partieel ingetrokken, en wel met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij [betrokkene 1] in diens vordering, het afwijzen van contactverbod jegens anderen dan [betrokkene 1] en [betrokkene 7] en het vrijspreken van belaging over de periode 9 december 2011 t/m 6 april 2009.

3. Alvorens de middelen weer te geven en te bespreken, haal ik de bewezenverklaringen van de voornoemde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen aan.

4. Ten laste van verzoeker is onder 1 onderscheidenlijk 3 bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 8 april 2009 tot en met 11 november 2009 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], met het oogmerk die [betrokkene 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte:

- gedurende het jaar 2009 meerdere brieven en/of faxen (rechtstreeks) gestuurd naar [betrokkene 1], (onder meer) betrekking hebbende op – zakelijk weergegeven - [betrokkene 8] (zoon van de zus van verdachte ([betrokkene 3]) en [betrokkene 1]) en/of de psychische mishandeling van [betrokkene 8] door die [betrokkene 1] en/of een ingediende tuchtklacht door verdachte en/of het instellen van beroep bij de rechtbank, sector bestuursrecht door verdachte

en

- gedurende het jaar 2009 meerdere brieven en/of faxen gestuurd naar diverse personen en/of organisaties en/of instellingen, (onder meer) betrekking hebbend op - zakelijk weergegeven - de financiële compensatie van de zus van verdachte ([betrokkene 3]) en/of het echtscheidingsconvenant tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en/of bedreiging van verdachte door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 8] (zijnde de zoon van [betrokkene 1] en [betrokkene 3]) en/of kleurenblindheid van [betrokkene 1] en de frauduleuze verwerving van zijn vliegbrevet en/of alcoholisme van [betrokkene 1]

en

- twee sms'jes gestuurd naar [betrokkene 1], inhoudende de mededeling:

- "Gezien SMS 28/4/2009 14:2lu. en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens". (29 april 2009 02:57 uur)

- "Gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] "als instructie het "waarschuwingsschot" over te slaan en bij "eerste gelegenheid" GERICHT te "vuren" nadere informatie kun je krijgen van "[betrokkene 5]" en je "schietclub"-broer [betrokkene 6]." (29 april 2009 04:36 uur);”

3.

hij op 29 april 2009 in Nederland, [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [betrokkene 1] schriftelijk (per sms) de volgende woorden toegevoegd: "Gezien sms 28/4/2009 14:2lu. en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens" en "Gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] "als instructie het "waarschuwingsschot" over te slaan en bij "eerste gelegenheid" GERICHT te "vuren"".”

5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het proces-verbaal van aangifte van regiopolitie Midden- en West-Brabant, district Breda, met het proces-verbaalnummer 2009070698-1 (dossierpagina's 49 tot en met 51), op 13 mei 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende, als de tegenover verbalisante afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1]:

lk doe aangifte van stalking.

Ik ben getrouwd geweest met [betrokkene 3]. Uit dit huwelijk is een zoon geboren, genaamd [betrokkene 8]. In 2001 is [betrokkene 3] elders gaan wonen en heb ik een convenant opgesteld. Dit is in 2002 door haar ondertekend. Volgens de huwelijkse voorwaarden heb ik afgerekend met haar. Vanaf dat moment kwam de broer van [betrokkene 3] in beeld. De broer van [betrokkene 3], [verdachte], woont in [woonplaats]. [verdachte] begon mij en mijn advocaat te bestoken met faxen, sms-berichtjes en telefoontjes. [verdachte] vond de verdeling niet eerlijk. Mijn advocaat, mr. Koch, huisarts dr. Brand, Dagblad De Stem, het Brabants Dagblad, en recentelijk het Stadskantoor Breda (de leerplichtambtenaar) krijgen (het hof leest in: van [verdachte] ook) faxen en brieven gestuurd met allerlei aantijgingen. Hij ondertekent de brieven en faxen. Waar het op neer komt is dat hij in al die brieven probeert om geld los te krijgen. Hij beschuldigt mij ervan dat ik mijn ex-vrouw heb benadeeld en niet voor haar gezorgd zou hebben. Sinds I april 2009 is het bestoken met brieven en sms-berichten opgelaaid.

Aan niemand werd recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2.

Het (aanvullend) proces-verbaal van aangifte van regiopolitie Midden- en West-Brabant, district Breda, met het proces-verbaalnummer 2009070698-9 (dossierpagina's 53 tot en met 55), op 12 november 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], agent van politie, inhoudende, als de op 11 november 2009 tegenover verbalisante afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1]:

Tot op de dag van vandaag krijg ik brieven toegezonden welke aan mij gericht zijn en welke ondertekend zijn door en afkomstig zijn van [verdachte]. De inhoud van de brieven is veelal onwaar. In de brieven word ik valselijk beschuldigd. Ik ben ontzettend boos en voel mij machteloos. Ik kan niets doen om de situatie te veranderen. Tevens vind ik het erg vervelend dat er derden bij betrokken worden. Dezelfde brieven worden tevens verzonden naar kranten, advocaten, bedrijven. Die derden benaderen mij weer en sturen mij ook de door hen ontvangen brieven toe. Ik word er telkens mee geconfronteerd en moet dulden dat deze brieven op mij af blijven komen en dat er onwaarheden over mij verteld worden. Ik kan u zeggen dat ik mede door deze brieven stressgerelateerde klachten heb. Er wordt inbreuk gemaakt op mijn persoonlijke levenssfeer. De brieven bepalen de sfeer in huis. Ik word vervelend en mijn goede zin is weg, mijn zoon maakt zich ontzettend boos en mijn vrouw is bang.

3.

De verklaring van [betrokkene 1] voornoemd, die hij ter terechtzitting van 13 juni 2012, als getuige gehoord, ten overstaan van het hof heeft afgelegd, inhoudende:

Het is juist dat ik in mei 2009 aangifte heb gedaan tegen de hier aanwezige verdachte wegens belaging. Nadat [betrokkene 3] en ik in 2002 waren gescheiden, ben ik op een gegeven moment verhuisd naar België. Ik ontving de brieven op mijn woonadres. Dat geldt ook voor de faxen. De brieven en faxen komen ook op mijn kantooradres is Breda aan. Op een gegeven moment was ik het ontvangen van zijn brieven zo beu. Telkens als er een brief van de verdachte binnenkwam op het adres waar ik met mijn huidige echtgenote en mijn zoon woon dan veranderde de sfeer in huis volkomen.

U, voorzitter, houdt mij voor de tekst van een tweetal sms-berichten, inhoudende:

'Gezien SMS 28/04/2009 14:21 u. en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens' en 'Gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] als instructie het waarschuwingsschot over te slaan en bij eerste gelegenheid gericht te vuren. Nadere informatie kun je krijgen van [betrokkene 5] en je 'schietclub'-broer [betrokkene 6]'. Deze teksten herken ik. Ik heb deze sms'jes ontvangen van de verdachte. Ik heb de daarin geuite bedreiging serieus genomen omdat het zou kunnen dat hij dit zou doen. Ik heb toen contact opgenomen met de politie.

4.

Een bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een als bijlage 13 bij de aangifte van [betrokkene 1] d.d. 13 mei 2009 behorende en van het dossier van de regiopolitie Midden- en West-Brabant met het registratienummer 2009209025-1 deel uitmakende (fotokopie van een) printlijst van sms-berichten, inhoudende:

sms deliver [001] 2009.04.29 02:57

Gezien SMS 28/04/2009 14:2lu. En het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens

sms deliver [001] 2009.04.29 04:36

Gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] “als instructie het "waarschuwingsschot” over te slaan en bij "eerste gelegenheid" GERICHT te "vuren"

nadere informatie kun je krijgen van “[betrokkene 5]" en je "schietclub"-broer [betrokkene 6]

5.

Het proces-verbaal van regiopolitie Midden- en West-Brabant, district Breda, met procesverbaalnummer 2009058450-3 (doorgenummerde dossierpagina's 38 tot en met 44), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 3 mei 2009 ondertekend door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende, als de op 3 mei 2009 tegenover verbalisante afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 4]:

Het gsm-nummer van mijn broer [verdachte] is [001].

6.

De verklaring van verdachte, die hij ter terechtzitting van 13 juni 2012 ten overstaan van het hof heeft afgelegd, inhoudende:

Er zijn door mij twee sms'jes verstuurd naar [betrokkene 1] waarvan de tekst wel ongeveer overeen komt met de tekst in de tenlastelegging onder 3 (...). Als u mij vraagt of de strekking van de door mij aan [betrokkene 1] verzonden sms'jes vergelijkbaar is met die van de tekst van de tenlastelegging, dan bevestig ik dat.

7.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van regiopolitie Midden- en West-Brabant, district Breda, met proces-verbaalnummer 2009070698-16 (doorgenummerde dossierpagina's 67 tot en met 75), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 november 2009 ondertekend door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3], surveillant van politie, inhoudende, als de op 18 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van verdachte:

lk heb [betrokkene 1] (hof: bedoeld wordt [betrokkene 1]) sms'jes gestuurd naar zijn telefoon. U laat mij de printgegevens zien van sms'jes. Ik kan u zeggen dat die sms'jes van mij afkomstig zijn. Het sms'je met de tekst "gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] als instructie het waarschuwingsschot over te slaan en bij eerste gelegenheid gericht te vuren. Nadere informatie kun je krijgen van [betrokkene 5] en je 'schietclub'-broer [betrokkene 6]" heb ik gestuurd naar [betrokkene 1]. [betrokkene 2] heeft een wapenvergunning. Zij heeft van mij de instructies gekregen om het waarschuwingsschot over te slaan en gericht te vuren op [betrokkene 1].

8.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van regiopolitie Midden- en West-Brabant, district Breda, met proces-verbaalnummer 2009070698-16 (doorgenummerde dossierpagina's 67 tot en met 75), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 november 2009 ondertekend door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3], surveillant van politie, inhoudende, als de op 18 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van verdachte:

In augustus 1989 heb ik [betrokkene 1] leren kennen. Hij ging toen trouwen met mijn zus [betrokkene 3]. Ik ben gemachtigde van haar in een aantal procedures. In de eerste brieven heb ik dit geschreven. Deze brieven heb ik verstuurd naar de advocaat Koch en meerdere instanties. (...) Ik heb(...) brieven gestuurd naar [betrokkene 1], tevens heb ik faxen gestuurd. Als derden iets moeten weten van (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: over) [betrokkene 1] dan stuurde ik een brief naar deze instantie en ik faxte deze brief dan ook naar [betrokkene 1]. Ik stuur brieven naar zijn advocaat. Dit is in verband met de alimentatie. Ik heb volgens mij deze maand nog een fax naar [betrokkene 1] gestuurd. Ik kan met [betrokkene 1] niets bespreken, daarom doe ik het via brieven. Ik heb alleen brieven gestuurd als gemachtigde (...). Rechtbank, deken advocatuur, advocaat Koch. (...) Dit gaat allemaal over de echtscheiding en over de alimentatie. Bij de scheiding zijn er problemen ontstaan. Ik heb de advocaat van [betrokkene 1] schriftelijk de gelegenheid gegeven om te reageren; echter dit doet hij nooit. (...) Binnen mijn onderneming is het normaal om de brieven door te sturen naar de kranten Brabants Dagblad/BN De Stem (...). Ik heb dit dus ook gedaan. Dit jaar heb ik een brief gestuurd naar BN De Stem. Het Brabants Dagblad wordt geïnformeerd omdat daar het Hof van Discipline gevestigd is. Er is een brief gestuurd naar Helicentre. (...) [betrokkene 1] komt vaak onder de 300 voet overvliegen bij mijn zus. Ook is [betrokkene 1] kleurenblind. Je mag dan normaal niet vliegen en ik wilde aan Helicentre vragen hoe dit precies zat. Mijn zus vertelde mij dat hij bijna tegen de schoorsteen was aangevlogen. U vraagt mij hoe ik weet dat [betrokkene 1] de helikopter bestuurde. Mijn zus heeft het kenteken van de helikopter nagevraagd. Dit bleek op naam te staan van Helicentre. Vermoedelijk bestuurde [betrokkene 1] de helikopter. Mijn zus had al een aantal keren melding gedaan bij de politie hierover en het stopte niet. Ik heb toen die brief gestuurd. Mijn vraag in die brief was ook hoe hij aan zijn helikopterbrevet gekomen is. Blijkbaar was degene waar hij het brevet behaald had door de rechter in Oostenrijk veroordeeld.

Het is heel simpel: in Oostenrijk kun je nooit een brevet halen als je kleurenblind bent. De verstrekker van het brevet is veroordeeld daar. Ik heb vernomen dat [betrokkene 1] op frauduleuze wijze zijn brevet heeft verkregen in Oostenrijk. Dat beweer ik zwart op wit in een brief gericht aan Helicentre. U toont mij een brief gericht aan Helicentre. Ik ben de schrijver hiervan. U zegt mij dat ik in een van de brieven schreef dat [betrokkene 1] een alcoholist is en vraagt mij waarom ik dat denk. Hij heeft zelf tegen mij gezegd dat hij niet in slaap kan komen zonder dat hij alcohol op heeft. Ik vind dat ik het recht heb om informatie door te geven aan derden. U zegt mij dat ik in een van de brieven schreef dat er in een politiedossier staat dat mijn zus [betrokkene 3] door [betrokkene 1] mishandeld is. Ik heb dit in een van mijn brieven geschreven. [betrokkene 1] heeft aan derden verteld dat mijn zus onder invloed van alcohol een auto total loss gereden heeft. Hierop heb ik weer brieven geschreven. Ik vind dat ik dat recht heb omdat hij onwaarheden vertelt over mijn zus.

9.

De verklaring van de verdachte, die hij ter terechtzitting van 13 juni 2012 ten overstaan van het hof heeft afgelegd, inhoudende:

U, voorzitter, vraagt mij of ik wist of er vanuit ging dat mr. Koch mijn brieven doorstuurde naar [betrokkene 1]. Meestal heb ik mijn brieven aan mr. Koch ook ter informatie per fax aan [betrokkene 1] gezonden. [betrokkene 1] krijgt van mij van alles een kopie omdat ik een grondige hekel heb aan het systeem van [betrokkene 1]. Hij mauwt over van alles en nog wat tegen derden maar hij vertelt mij niet waar het over gaat. Vervolgens krijg ik die derden op m'n dak. Aan de advocaat van [betrokkene 1], mr. Koch, stuur ik daarom sinds 2009 daarover een brief en ik fax een kopie daarvan aan [betrokkene 1].”

6. Voorts berusten de bewezenverklaringen op een 36-tal door het Hof in de aanvulling op het arrest opgenomen bescheiden als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder a, Sv.

7. Tot slot steunen de bewezenverklaringen op de verklaring van verzoeker, die hij ter terechtzitting van 13 juni 2012 ten overstaan van het Hof heeft afgelegd (bewijsmiddel 14), inhoudende:

“De brieven onder de nummers 27 tot en met 60, die zijn gehecht aan de vordering wijziging tenlastelegging, zijn door mij verstuurd (…).”

8. Het eerste middel dat, als ik de toelichting daarop goed lees, in twee klachten uiteenvalt, keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 (belaging). Dit feit zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, althans zou de bewezenverklaring van dit feit onvoldoende zijn gemotiveerd.

9. Met betrekking tot feit 1 heeft het Hof het volgende overwogen:

Ten aanzien van feit 1

a.

(…)

b.

De verdachte heeft vrijspraak van het hem ten laste gelegde feit 1 bepleit en wel om de navolgende redenen:

1. de brieven en/of faxen, die hij erkent te hebben verzonden, zijn door hem geschreven als gemachtigde en/of mantelzorger van zijn zus. Er is dan ook geen sprake van wederrechtelijkheid omdat hij in die hoedanigheid een subjectief wettelijk recht tot handelen heeft, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting. Indien dat anders zou zijn, dan dient het hof tot komen tot de vaststelling dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld aan zijn zijde, immers hij heeft vertrouwd en mogen vertrouwen op de inhoud van die Memorie van Toelichting;

2. hij had geen andere keus dan het schrijven van deze brieven en/of faxen, immers [betrokkene 1] (en zijn advocaat) werkten niet mee aan een oplossing van de ontstane problemen; er was derhalve eigen schuld aan de zijde van [betrokkene 1];

3. in de brieven en/of faxen c.q. met de verzending daarvan maakte hij gebruik van zijn recht op vrijheid van meningsuiting.

c.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging dient in ogenschouw genomen te worden de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [betrokkene 1].

(…)

d.

Het hof komt dan tot de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [betrokkene 1] in de periode van 8 april 2009 tot en met 11 november2009. In die periode wordt hem verweten dat hij 34 brieven en/of faxen en/of 2 sms'jes aan [betrokkene 1] heeft verzonden.

Verdachte heeft erkend dat hij de brieven en/of faxen in kwestie heeft verzonden. Het zijn brieven en/of faxen aan [betrokkene 1] rechtstreeks en ook brieven aan de advocaat en boekhouder van [betrokkene 1], de Deken van de Orde van Advocaten, de redactie van het Brabants Nieuwsblad/De Stem en het Brabants Dagblad, de politie Midden- en West-Brabant en de sector bestuursrecht van de rechtbank 's-Hertogenbosch. In die brieven en/of faxen heeft verdachte zich onder meer uitgelaten over de persoon van [betrokkene 1].

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging is het niet van belang dat een aantal brieven en/of faxen niet naar [betrokkene 1] werd gestuurd maar naar derden. Het betreft immers deels derden uit de (directe) leef- en werkomgeving van [betrokkene 1] - zoals zijn advocaat en boekhouder - die bedoelde brieven en/of faxen voorts naar hun cliënt ([betrokkene 1]) doorgezonden hebben. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij van de brieven en/of faxen die hij aan derden verstuurde meestal een kopie aan [betrokkene 1] deed toekomen.

De brieven en/of faxen zijn door verdachte verzonden als gemachtigde/mantelzorger van zijn zus en zijn - zo heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard - geschreven met het oog op de afwikkeling van (de gevolgen van) haar echtscheiding met [betrokkene 1] en de gestelde (gevolgen van de) mishandelingen van de zus van verdachte door [betrokkene 1] tijdens dat huwelijk. De brieven en/of faxen hadden ten doel [betrokkene 1] te bewegen een en ander op een in de ogen van verdachte goede wijze af te handelen.

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte zou hebben gehandeld als gemachtigde/mantelzorger van zijn zus er niet toe leidt dat hij zich niet schuldig kan hebben gemaakt aan belaging of, zoals hij heeft bepleit, dat de wederrechtelijkheid aan zijn zijde ontbreekt omdat hij in die hoedanigheid een subjectief recht tot handelen zou hebben gehad.

Ook het sturen van brieven en/of faxen namens een derde kan immers onder omstandigheden een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer van een derde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat hoewel enerzijds de inhoud van het merendeel van de brieven/en of faxen aangemerkt kan worden als "zakelijk" anderzijds de inhoud ziet op de persoon van [betrokkene 1], waarbij ook meerdere beschuldigingen aan zijn adres worden geuit. Reeds om die reden gaat de vergelijking die verdachte heeft gemaakt tussen zijn positie en de positie van een deurwaarder dan wel incassobureau niet op en verwerpt het hof het verweer van verdachte dat hij heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen op de inhoud van de memorie van toelichting op artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht en er derhalve sprake is van afwezigheid van alle schuld. Aan de stelling van verdachte dat [betrokkene 1] zelf schuld had aan de (hoeveelheid) brieven en/of faxen, gaat het hof evenzeer voorbij. Wat daar ook van zij, dat gegeven rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de frequentie en de inhoud van (het merendeel van) de brieven en/of faxen en de omvangrijke kring van geadresseerden die verdachte heeft gemeend te moeten benaderen.

Het hof stelt vast dat de inhoud van de twee sms'jes die verdachte naar [betrokkene 1] heeft verzonden in het geheel geen zakelijke inhoud had. De tekst daarvan levert een strafbare bedreiging op (zie hierna feit 3).

Verdachte heeft bewust de grens opgezocht van het toelaatbare. Hij meent dat hij met zijn handelen tegen die grens aan heeft gezeten, maar het hof is van oordeel dat verdachte die grens heeft overschreden. Het was verdachte in de ten laste gelegde periode ook bekend dat [betrokkene 1] geen brieven en/of faxen en/of sms'jes (al dan niet direct) meer van hem wenste te ontvangen. Desondanks is verdachte doorgegaan met het verzenden daarvan. Dat leverde spanningen op in de privé-sfeer van [betrokkene 1], zoals onder meer blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] als getuige in hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [betrokkene 1] gesproken kan worden van belaging van [betrokkene 1] door verdachte. Dat verdachte recht heeft op vrijheid van meningsuiting maakt het vorenstaande niet anders.”

10. De eerste klacht luidt dat in de bewezenverklaarde periode van de 34 brieven/faxen er 27 naar derden zijn verzonden en 7 brieven/faxen plus 2 sms’jes naar [betrokkene 1]. Gezien het geringe aantal brieven/faxen dat rechtstreeks naar [betrokkene 1] is verstuurd zou het oordeel van het Hof dat sprake is van strafbare belaging niet zonder meer begrijpelijk zijn, nu het stelselmatige karakter daarvan ontbreekt, aldus de steller van het middel.

11. Vooreerst lijkt mij deze voorstelling van zaken niet juist. Het Hof heeft immers op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaring van verzoeker zelf (bewijsmiddel 9), vastgesteld dat verzoeker van de brieven en/of faxen meestal een kopie aan [betrokkene 1] deed toekomen. Aanmerkelijk meer dan het door de steller van het middel genoemde aantal van 7 brieven/faxen heeft verzoeker dus rechtstreeks bereikt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

12. Kunnen echter de door het Hof vastgestelde feiten en/of omstandigheden zijn oordeel dragen dat in het onderhavige geval sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangever?

13. Artikel 285b, eerste lid, Sr luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

14. Het aan verzoeker onder 1 tenlastegelegde feit is toegesneden op art. 285b, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "stelselmatig" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

15. Vooropgesteld moet worden dat de kern van strafbare belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr wordt gevormd door de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer.1 Blijkens de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling heeft de wetgever aan de stelselmatigheid de betekenis van “een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie” gegeven en daarbij gerefereerd aan “een voorbedacht plan” (dus niet zo maar een toevalligheid).2 Zo valt in de desbetreffende Memorie van Toelichting het volgende te lezen:

"Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van het slachtoffer, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van het slachtoffer, het verspreiden van valse geruchten over het slachtoffer, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het slachtoffer, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc. Veel slachtoffers voelen zich gevangene in eigen huis."3

16. Met betrekking tot de keuze en de combinatie van de kenmerken die moeten uitwijzen of er sprake is van strafbare belaging, heeft de wetgever de rechter grote vrijheid gelaten.4 Bij de beoordeling van de vraag of stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer zijn volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.5 In dit beoordelingskader neemt de Hoge Raad dus diverse factoren in ogenschouw. De stelselmatigheid moet van dien aard zijn, dat zij de gedragingen een indringend karakter geeft. Dat het slachtoffer de gedragingen, die bedreigend van aard kunnen zijn, subjectief als belaging heeft beleefd of ervaren, kan als factor worden meegewogen, maar is zeker niet alleszeggend nu het effect van die gedragingen op het slachtoffer vooral ook naar objectieve maatstaven pleegt te worden beoordeeld. Daarbij past wel de opmerking dat niet steeds is vereist dat de inbreuk op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer aanmerkelijk is en dat niet altijd hoeft te blijken van ernstige emotionele gevolgen of van een grote verstoring van het dagelijks leven dan wel van een zeer ingrijpende of diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer.6 Zo kan de veelheid van gedragingen die elk op zichzelf beschouwd als een geringe inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van het slachtoffer zijn aan te merken, haar betekenis ontlenen aan de voortdurende herhaling.7 In dat geval – en het door de Hoge Raad gehanteerde beoordelingskader stemt daarmee overeen - wordt de belaging vooral gevonden in een betrekkelijk lange duur en/of hoge frequentie van de misdragingen van de dader.8 Andersom sluit een geringe duur en frequentie van de gedragingen nog niet het bestaan van de vereiste stelselmatigheid uit, indien door de aard en de intensiteit van de gedragingen sprake is van een zeer indringende inbreuk en invloed op de persoonlijke levenssfeer, dat wil zeggen op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De aard en de intensiteit van de hinderlijke, soms angstaanjagende gedragingen maken dan dat minder zwaar wordt getild aan bijvoorbeeld een beperkt aantal berichten en/of een betrekkelijke geringe duur waarbinnen het slachtoffer is lastiggevallen. Dat is ook verdedigbaar, omdat juist de aard en de intensiteit van de gedragingen al snel met zich kunnen brengen dat het persoonlijk leven van het slachtoffer, waaronder diens persoonlijke vrijheid is begrepen, daardoor op indringende wijze wordt beïnvloed. En dit geldt naar mijn inzicht temeer indien uitlatingen gepaard gaan met bedreiging en/of van een voor het slachtoffer anonieme belager afkomstig zijn. De anonimiteit van een afzender van berichten met een bedreigende inhoud bijvoorbeeld, zal vanwege het onheilspellende karakter ervan in de regel het persoonlijk leven van het slachtoffer meer beïnvloeden – en de andere beoordelingsfactoren (de frequentie en de duur) meer naar de achtergrond dringen -, dan wanneer diezelfde berichten afkomstig zijn van een bekende zoals een ex-partner die een scheiding of de afhandeling daarvan niet kan verkroppen (en er in dat verband over en weer allerlei vervelende sms’jes worden verzonden). Daarmee zeg ik uiteraard niet dat dit laatste geen strafbare belaging kan opleveren. Als gezegd is niet steeds vereist dat de inbreuk aanmerkelijk is en hoeft niet altijd te blijken van ernstige emotionele gevolgen etc., als daar dan maar wel ter compensatie een zekere duur en frequentie tegenover staan. De beoordelingsfactoren verhouden zich te dezen dus tot elkaar als communicerende vaten. Of zoals mijn voormalige ambtgenoot Jörg het voorgaande kort en krachtig in zijn conclusie vóór HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 verwoordde: het gaat om het totaalbeeld dat uit (de verschillende, hiervoor genoemde, aspecten van) de gedragingen van de verdachte naar voren komt. Waar zich de bodem van belaging bevindt, laat zich niet in algemene bewoordingen formuleren en wisselt al naar gelang de omstandigheden van het concrete geval. Voorts kan belaging, zoals het Hof terecht heeft overwogen en anders dan de steller van het middel lijkt te betogen, blijkens de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis onder omstandigheden óók bestaan uit het veelvuldig lastig vallen van derden uit de directe leef- en werkomgeving van het slachtoffer, zonder dat het slachtoffer zelf rechtstreeks door de verdachte wordt benaderd.

17. Het komt mij dienstig voor het voorgaande te illustreren aan de hand van enige rechtspraak van de Hoge Raad. Ontoereikend gemotiveerd was de bewezenverklaring van belaging in HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394 m.nt. Reijntjes, waarin de gebezigde bewijsmiddelen over de aard van de gedragingen van de voor de aangeefster bekende verdachte, die zei uit frustratie te hebben gehandeld, niet meer inhielden dan dat de aangeefster per sms "vele bedreigingen" van de verdachte had ontvangen. Kennelijk achtte de Hoge Raad hier niet alleen de frequentie vaag, maar ook geen van de andere beoordelingsfactoren aanwezig. Een voorbeeld van een niet zonder meer begrijpelijk oordeel van het Hof en een in dat opzicht ontoereikend gemotiveerde bewezenverklaring is te vinden in HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533, NJ 2014/182: de verdachte had in een tijdsbestek van één dag zijn ex-vrouw driemaal gebeld en daarbij eenmaal de voicemail ingesproken, was daarnaast drie keer bij de woning van zijn ex-vrouw langsgegaan en had bij zijn ex-vrouw een foto in de brievenbus gedaan, met daarop een man met een eng masker en de tekst “We'd better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro's kosten. U R Warned”. In dit geval wogen de afbeelding en de begeleidende tekst wat intensiteit betrof niet op tegen de lage frequentie en de beperkte duur, waarbij mogelijk heeft meegewogen dat de verdachte voor de aangeefster goed bekend was. In de zaak die leidde tot het arrest van 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer oordeelde de Hoge Raad dat het zeven keer in iets minder dan twee maanden fietsen door de straat van de aangeefster, de voormalige vriendin van de verdachte, en het op twee dagen enkele keren bellen naar de aangeefster niet een "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" opleverden. De AG Jörg had in zijn voorafgaande conclusie er al op gewezen dat het langsfietsen nauwelijks confronterend te noemen was. Langsfietsen is misschien irritant voor de ander, maar minder ergerlijk dan wanneer iemand een tijdlang vanaf één en dezelfde plek een ander bespiedt. Voorts was het opbellen wellicht confronterend, maar daar stond een wel heel geringe frequentie en intensiteit tegenover. Bovendien – aldus AG Jörg – had de verdachte de aangeefster nauwelijks aangesproken en zich niet laakbaar gedragen, terwijl andersom uit de bewijsvoering van het Hof niet bleek dat de aangeefster zich gehinderd voelde in haar normale bezigheden.

18. Tegenover de voormelde rechtspraak laat zich HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393 m.nt. Reijntjes plaatsen. Slachtoffer in die zaak was een inspecteur van politie die in het verleden bij Bureau Regionale Recherche diverse zware criminaliteitsonderzoeken had gedaan in samenwerking met een officier van justitie. De berichten waren door een anonieme afzender eenmaal in de avonduren en tweemaal 's nachts gestuurd naar de diensttelefoon van de aangeefster, waarmee de afzender gelijk te kennen gaf bekend te zijn met het (afgeschermde, zo neem ik aan) nummer van deze diensttelefoon. Het derde sms-bericht maakte voor de aangeefster duidelijk dat de onbekende afzender precies wist wat haar initialen waren en waar was zij opgegroeid. In het tweede sms'je werd bovendien gerefereerd aan de naam van de officier van justitie. De anoniem verzonden sms-teksten "Every breath you take, every move you make, every step you take...I'll be watching you", "Zoek het peilbaken. You never walk alone" en "Uitkomst 1e spelletje 48.19'29.25 N 16.25'55.03 Naaldwijkse [initialen]'s Brother in arms" hebben afzonderlijk en in onderling verband onmiskenbaar een vreesaanjagend karakter en zijn naar hun strekking ook zo bedoeld, want beogen de aangeefster duidelijk te maken dat zij door de onbekende afzender van deze berichten voortdurend in de gaten wordt gehouden. De inhoud van de sms-berichten hadden daadwerkelijk een aanzienlijke impact op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster en haar gezin. Daardoor kon de aangeefster haar werk niet meer goed doen en was haar sociale leven ontwricht en wel in die mate dat zij met haar kinderen op gezag van de Nationale Recherche een periode in het buitenland moest verblijven. Door de aangeefster het gevoel te geven dat zij permanent door een onbekende werd gevolgd en geobserveerd, had de verdachte zelf de verlangde stelselmatigheid door middel van een thrillerachtig scenario geconstrueerd en geregisseerd, waaraan het geringe aantal van drie sms'en niet afdeed. De Hoge Raad oordeelde als volgt:

“De omstandigheid dat slechts een beperkt aantal sms-berichten in een periode van een week waren verstuurd staat in dit geval niet aan het aannemen van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] in de weg. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de drie anoniem verzonden sms-berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van [slachtoffer] bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen, en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk, en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland is ondergebracht.”

19. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof het voor belaging juiste beoordelingskader in ogenschouw genomen. Dit wordt in het middel (dan ook) niet bestreden. De vraag in cassatie is of het bestreden oordeel van het Hof in het licht van deze maatstaf begrijpelijk en toereikend is gemotiveerd.

20. Op grond van de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dan wel overwogen dat:

(i) verzoeker in de periode van 8 april tot en met 11 november 2009 34 brieven/faxen en 2 sms-berichten heeft verzonden;

(ii) de meeste van deze brieven/faxen (al dan niet in kopie) en de 2 sms-berichten door [betrokkene 1] zijn ontvangen;

(iii) slechts een beperkt aantal van de brieven/faxen aan derden zijn verzonden;

(iv) deze aan derden gerichte brieven/faxen over de persoon [betrokkene 1] gingen en die derden deel uitmaakten van de (directe) leef- of werkomgeving van [betrokkene 1];

(v) de twee aan [betrokkene 1] gerichte sms-berichten een bedreigende inhoud hadden;

(vi) verzoeker is doorgegaan met het verzenden van de brieven/faxen en sms-berichten, hoewel hem bekend was dat [betrokkene 1] daarvan niet gediend was;

(vii) dit spanningen opleverde in de privésfeer van [betrokkene 1] en wel zodanig dat hij de politie inschakelde;

(viii) verzoeker, gelet op de voor belaging geldende maatstaf, aldus de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

21. Vastgesteld kan worden vastgesteld dat sprake is van een duur van iets meer dan zeven maanden en een frequentie die niet gering is. De inhoud van de meeste sms'en en faxberichten is niet bedreigend maar, zoals het Hof heeft vastgesteld, zakelijk van aard. Voor de twee sms-berichten geldt dat echter niet. Deze sms-berichten, die op 29 april 2009 om 02:57 en 04:36 uur (in de nacht en in de vroege ochtend, en vlak achter elkaar) zijn verzonden, bevatten onderscheidenlijk de volgende teksten: “en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens”; en “Gezien jouw bedreigingen heeft [betrokkene 2] als instructie het “waarschuwingsschot” over te slaan en bij “eerste gelegenheid” GERICHT te “vuren” (…)”. Naar objectieve maatstaven zijn deze teksten zonder meer intimiderend te noemen. Dat het slachtoffer [betrokkene 1] dit subjectief ook zo ervoer, blijkt wel uit zijn verklaring dat daardoor spanningen in zijn privésfeer ontstonden en hij zich om die reden tot de politie wendde.

22. Gelet op hetgeen de bewijsvoering van het Hof inhoudt omtrent de indringendheid, de duur en de frequentie alsmede omtrent de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, en gezien de wetsgeschiedenis en de hierboven aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, is het, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevend, oordeel van het Hof dat verzoeker stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] en dat derhalve sprake is van belaging naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

23. De tweede klacht houdt in dat het Hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op het verweer van verzoeker dat de wederrechtelijkheid ontbreekt nu hij zonder eigen belang en een door het stellige recht erkend subjectief belang handelde.9

24. Volgens de eerdergenoemde Gewijzigde Memorie van Toelichting geeft het bestanddeel "wederrechtelijk" aan dat de dader zonder een eigen, door het stellige recht erkend, subjectief belang handelt.10 Dit bestanddeel is opgenomen, zo laat de wetsgeschiedenis van art. 285b Sr weten, om te bewerkstelligen dat bijvoorbeeld het vasthoudende incassogedrag van deurwaarders en de uitoefening van bijzondere opsporingsbevoegdheden als observatie en infiltratie buiten de delictsomschrijving worden gehouden.

25. Voor zover deze klacht inhoudt dat het Hof niet is ingegaan op dat verweer, mist zij feitelijke grondslag.

26. Het Hof heeft het betoog van de verdediging met betrekking tot de wederrechtelijkheid verworpen door te overwegen dat hoewel enerzijds de inhoud van het merendeel van de brieven en/of faxen aangemerkt kan worden als “zakelijk” en anderzijds de inhoud ziet op de persoon van [betrokkene 1], waarbij ook meerdere beschuldigingen aan zijn adres worden geuit. Daarnaast overweegt het Hof dat ook het sturen van brieven en/of faxen namens een derde onder omstandigheden een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk kan vormen op de persoonlijke levenssfeer van een derde. Naar mijn inzicht geeft het bestreden oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk, terwijl het verweer van verzoeker voldoende gemotiveerd door het Hof is verworpen.

27. Het lijkt mij dat het middel in beide onderdelen faalt.

28. Het tweede middel, dat eveneens twee klachten bevat, richt zijn pijlen op het onder 3 bewezenverklaarde feit. Dit feit zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, althans zou de bewezenverklaring van dit feit onvoldoende zijn gemotiveerd.

29. Ten aanzien van feit 3 heeft het Hof overwogen:

“Ook ten aanzien van feit 3 heeft verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij en zijn zus ingevolge artikel 5 EVRM recht hebben op veiligheid en het recht hebben om zich te verdedigen. Hij, verdachte, heeft vanuit dat recht gehandeld in reactie op bedreigingen en handelingen van de zijde van [betrokkene 1].

Het hof verwerpt het verweer. De inhoud van de sms'jes is bedreigend van aard en kan reeds om die reden niet als een daad van verdediging worden aangemerkt.”

30. De eerste klacht luidt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, nu van de onder bewijsmiddel 4 aangehaalde sms’jes niet is vastgesteld dat deze met de weergegeven tekst door verzoeker aan [betrokkene 1] zijn verstuurd en door laatstgenoemde ook zijn ontvangen.

31. Deze klacht is kansloos. Anders dan de steller van het middel wil, volgt de bewezenverklaring van feit 3 zonder meer uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen. Zo houdt bewijsmiddel 3 de verklaring van [betrokkene 1] in dat hij de 2 (in bewijsmiddel 4 aangehaalde) sms-berichten heeft ontvangen van verzoeker en betreft bewijsmiddel 6 de verklaring van verzoeker dat de door hem verzonden sms’jes een vergelijkbare strekking hebben als die weergegeven in het onder 3 tenlastegelegde en met die tekst wel “ongeveer overeenkomt”, terwijl bewijsmiddel 7 een nog duidelijker verklaring van verzoeker bevat, te weten dat de sms’jes van hem afkomstig zijn.

32. Volgens de tweede klacht heeft ten aanzien van beide sms’jes te gelden dat de inhoud daarvan niet zonder meer een bedreiging tegen het leven gericht oplevert en dat elke motivering daaromtrent ontbreekt.

33. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig leven tegen het leven gericht, is, voor zover hier van belang, vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.11 De beantwoording van de vraag of sprake is van bedreiging, laat zich in belangrijke mate objectiveren en dient te worden beoordeeld aan de hand van de concreet vastgestelde aspecten van het voorliggende geval.12

34. Voor het bewijs van feit 3 komen met name de hierboven onder 5 aangehaalde bewijsmiddelen 3 tot en met 7 in aanmerking. Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bewezenverklaring van de bedreiging, gekwalificeerd als meermalen gepleegd, op deze twee sms-berichten berust en de verklaring van [betrokkene 1] dat hij de in het sms’je van 29 april 2009 04:36 uur geuite bedreiging serieus heeft genomen. Voorts heeft het Hof nogal magertjes overwogen dat de “inhoud van de sms’jes bedreigend van aard [is]”.

35. De bewezenverklaring, de kwalificatie “meermalen gepleegd” en de bewijsoverweging duiden erop dat naar het oordeel van het Hof verzoeker met elk van beide sms-berichten [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Als het oordeel van het Hof bedoelt tot uitdrukking te brengen dat elke van de bewezenverklaarde uitlatingen van verzoeker op zichzelf van dien aard is dat zij, ook geobjectiveerd, bij [betrokkene 1] de vereiste redelijke vrees het leven te kunnen verliezen teweeg heeft kunnen brengen13, geldt dit lijkt mij zeker niet voor het eerste verzonden sms-bericht, inhoudende de – in het licht van het onderhavige beoordelingskader - weinig specifieke bewoordingen dat verzoeker het adres van [betrokkene 1] aan twee van zijn cliënten, die kennelijk zware jongens zijn, heeft doorgegeven. Naar objectieve maatstaven heeft verzoeker met deze tekst niet zonder meer [betrokkene 1] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De tekst van het tweede sms’je lijkt op het eerste gezicht de redelijke vrees wel te kunnen hebben veroorzaakt. Maar in het licht van het verweer van verzoeker, waarin het verdedigingsrecht wordt aangevoerd, is deze tekst evenzeer voor een andere uitleg vatbaar: verzoeker heeft [betrokkene 2] niet aangezet om [betrokkene 1] op te zoeken en dan bij de eerste gelegenheid gericht te vuren, maar heeft haar geïnstrueerd bij een volgende bedreiging van de kant van [betrokkene 1] (ter verdediging) het waarschuwingsschot over te slaan en dan gericht te schieten. Als het Hof heeft bedoeld de inhoud van de sms-teksten in onderlinge samenhang als van bedreigende aard aan te merken, is de bewezenverklaring van de twee teksten in het licht van de kwalificatie “meermalen gepleegd” zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

36. Indien het Hof de bedoelde uitlatingen van verzoeker niet op zichzelf heeft beschouwd en mede het oog heeft op zodanige omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Noch de bewijsmiddelen, noch ’s Hofs bewijsoverweging geeft concreet inzicht op welke omstandigheden het Hof daarbij dan zou doelen, omstandigheden dus bij [betrokkene 1] de redelijke vrees konden doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Of het zou moeten zijn dat deze sms’jes in de nacht en vroege ochtend van 29 april 2009 zijn verzonden, maar het gaat mij te ver om daaruit het hier vereiste vreeswekkende te putten, nu de bewijsmiddelen daarop niet wijzen.

37. Ik meen dat de tweede klacht doel treft en meebrengt dat het middel in zoverre slaagt.

38. Het derde middel klaagt dat de artikelen 289, 348, 350 en 415 Sv zijn geschonden doordat het Hof niet zodanige maatregelen heeft genomen, waardoor de nog te horen getuige [betrokkene 1] kennis heeft genomen van eerder ter terechtzitting afgelegde verklaringen van verzoeker.

39. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt vervolgens mede:

Ik wil eerst een formeel punt aan de orde stellen. Volgens opgave van de dienstdoende gerechtsbode is de benadeelde partij [betrokkene 1] momenteel aanwezig in de zittingszaal op de publieke tribune. [betrokkene 1] is echter tevens opgeroepen in de hoedanigheid van getuige. Een getuige verschijnt in de regel pas in persoon in de zittingszaal nadat de ten laste gelegde feiten met de verdachte zijn besproken. De positie van de benadeelde partij brengt daarentegen met zich mee dat deze in beginsel bij het gehele proces aanwezig kan zijn. Deze kwestie kan uit de wereld worden geholpen indien de advocaat-generaal en de verdachte ermee instemmen dat [betrokkene 1] bij de gehele behandeling van de zaak in de zittingszaal aanwezig is. Het hof constateert overigens dat mr. W.H.G. van Baarle, de advocaat van de benadeelde partij [betrokkene 1], vandaag niet aanwezig is.

De verdachte reageert hierop als volgt.

Ik heb gisteren met deze vraag geworsteld en naar aanleiding daarvan heb ik enkele faxen naar het hof gestuurd. Ik heb geen behoefte om over de ten laste gelegde feiten te verklaren voordat [betrokkene 1] als getuige gehoord is. In mijn faxen heb ik een tussenoplossing voorgesteld.

De voorzitter deelt vervolgens mede:

Mede gezien het standpunt van de verdachte stelt het hof voor de getuige [betrokkene 1] eerst te horen en daarna de ten laste gelegde feiten met de verdachte te bespreken.

De verdachte reageert hierop als volgt.

Met de door het hof voorgestelde werkwijze stem ik in. Op uw vraag, voorzitter, antwoord ik dat ik de beschikking heb over het gehele dossier en dat ik een fotokopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 maart 2012 heb mogen ontvangen.

De voorzitter deelt daarop mede:

Na de terechtzitting van 7 maart 2012 zijn, behalve het daarvan opgemaakte proces-verbaal, nog diverse stukken in het dossier gevoegd:

- de reeds genoemde brief van de verdachte d.d. 14 maart 2012;

- een aan het ressortsparket gerichte faxbrief van de verdachte d.d. 28 mei 2012, met als bijlage een aan de Raad van Discipline gericht verzetschrift;

- een brief van de verdachte d.d. 28 mei 2012 aan het gerechtshof, met als bijlage een fotokopie van een publicatie in het Advocatenblad;

- een faxbrief van de verdachte aan het gerechtshof met het opschrift 'akte 10 juni 2012';

- een faxbrief van de verdachte aan het gerechtshof met het opschrift 'akte 12 juni 2012';

- een faxbrief van de verdachte, ingekomen op het ressortsparket, met het opschrift 'akte 12 juni 2012'.

De verdachte verklaart desgevraagd:

De door u, voorzitter, genoemde brieven en faxen zijn alle stukken die ik heb ingestuurd.

De advocaat-generaal draagt vervolgens de zaak voor en deelt mede:

Het op 16 november 2010 door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is bij akte van 5 maart 2012 partieel - te weten voor zover betrekking hebbend op de beslissing van de rechtbank tot nietigverklaring van het onder 2 ten laste gelegde - ingetrokken. Thans zijn derhalve uitsluitend de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten nog aan de orde. Zoals reeds eerder aangekondigd ben ik van oordeel dat de tenlastelegging met betrekking tot feit 1 behoort te worden gewijzigd. In de nieuwe redactie is de feitelijke omschrijving van hetgeen aan de verdachte wordt verweten uitgesplitst over de jaren 2001, 2003, 2004, 2007 en 2009. Ter adstructie van die verwijten is een zestigtal door de verdachte verzonden brieven en faxen in een bijlage bij de vordering wijziging tenlastelegging opgesomd onder toevoeging van een korte omschrijving van de inhoud ervan. Voorts zijn fotokopieën van die stukken bij de vordering wijziging tenlastelegging gevoegd. De nummering daarvan komt overeen met de volgnummers in de opsomming. Op de zitting van 7 maart 2012 zijn bedoelde stukken reeds aan de verdachte ter hand gesteld.

De advocaat-generaal legt de inhoud van de noodzakelijk geachte wijziging van de tenlastelegging schriftelijk aan het hof over, met vordering dat de wijziging zal worden toegelaten.

De verdachte verklaart desgevraagd:

Gelet op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wijze waarop feit 1 oorspronkelijk ten laste was gelegd had ik liever gezien dat de vordering wijziging tenlastelegging achterwege was gebleven, lk begrijp de vordering echter wel en op zichzelf kan deze worden toegewezen.

Het hof wijst, gehoord de verdachte, de vordering van de advocaat-generaal toe en beslist dat de tenlastelegging behoort te worden gewijzigd zoals in de vordering - waarvan een fotokopie aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd - is weergegeven. Aan de verdachte wordt een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijziging uitgereikt, waarna het onderzoek ter terechtzitting met toestemming van de verdachte

aanstonds wordt voortgezet.

De voorzitter deelt vervolgens mede:

Het hof is zich ervan bewust dat de onderhavige strafzaak voor de verdachte erg beladen is vanwege onderliggende emotionele kwesties. Het hof heeft alle stukken gelezen en op basis daarvan is het bekend met het onrecht dat, in de visie van de verdachte, aan zijn zus is aangedaan bij gelegenheid van de echtscheiding tussen haar en aangever [betrokkene 1] en de inspanningen die de verdachte zich met het oog daarop ten behoeve van zijn zus heeft getroost. Vandaag is eerst de vraag aan de orde of de verdachte in dat kader een groot aantal brieven aan aangever [betrokkene 1] en aan derden heeft verstuurd en wat daarbij zijn bedoeling was en vervolgens of hij daarmee de grenzen van de wet heeft overschreden. Het hof heeft uit de stukken begrepen dat de verdachte zich op het standpunt stelt dat een aantal van de brieven in het dossier niet door hem is geschreven en verstuurd en dat andere brieven door hem zijn geschreven en verstuurd in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van zijn zus. Het hof benadrukt dat de echtscheidingsperikelen op zichzelf vandaag voor het hof van ondergeschikte betekenis zijn.

De verdachte geeft desgevraagd te kennen dat hij de positie van het hof begrijpt.

Nadat de voorzitter heeft medegedeeld dat het hof nu zal overgaan tot het horen van de getuige [betrokkene 1] en dat de overige onderzoekswensen van de verdachte op een later tijdstip aan de orde zullen komen, doet de voorzitter de getuige [betrokkene 1] voor het hof verschijnen. Deze doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboortedatum, beroep, woon- of verblijfplaats, alles zoals hieronder is vermeld, hij verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachte meer te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:

Op uw vraag, voorzitter, antwoord ik dat ik er geen bezwaar tegen heb dat de getuige als eerste door de voorzitter en de raadsheren wordt ondervraagd.

(…).”

40. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal op de terechtzitting in hoger beroep voorafgaand aan het horen van de getuige [betrokkene 1] voor deze geen gelegenheid geweest om kennis te nemen van de door verzoeker afgelegde verklaringen. Het middel berust mitsdien op een onjuiste lezing van dat proces-verbaal, zodat het feitelijke grondslag mist.

41. Het eerste middel, het tweede middel in zijn eerste klacht en het derde middel falen. Het tweede middel in zijn eerste klacht en het derde kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt voor wat betreft de tweede klacht.

42. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verzoeker heeft op 27 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Deze termijnoverschrijding kan in cassatie echter onbesproken blijven, indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat de bestreden uitspraak van het Hof om een andere reden niet in stand kan blijven.

43. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

44. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak zodat deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In die zin ook M.J.A. Duker, “De reikwijdte van het belagingsartikel”, RM Themis, 2007-4, p. 146.

2 Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 3, p. 2 en 15 resp. nr. 5 (de gewijzigde Memorie van Toelichting), p. 17.

3 Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 3, p. 2. Zie ook de Gewijzigde Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 2.

4 Zie Kamerstukken I 1999/00, 25 768, nr. 67a, p. 7-8: “De initiatiefnemers verwachten dat de rechter aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden in een zaak het bestanddeel ‘stelselmatig’ nader zal inkleuren, waardoor in de rechtspraktijk een zekere afbakening zal gaan plaatsvinden.”

5 Zie o.a. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426 m.nt. De Jong, HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8642, NJ 2010/406, HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer en HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533, NJ 2014/182.

6 Vgl. HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495.

7 Zie de conclusie van de vroegere AG Wortel vóór HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7081.

8 Niet zelden gaat het om wisselende combinaties van het versturen van brieven, het opbellen, het sms'en, het veelvuldig aan de deur of in de buurt komen, etc. Zie bijvoorbeeld HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426.

9 Blijkens de processen-verbaal in hoger beroep van 7 maart 2012 en 13 juni 2012 wilde verzoeker geen bijstand meer van zijn voormalige advocaat en koos hij er vrijwillig, ondubbelzinnig en welbewust voor afstand te doen van rechtsgeleerde bijstand en in de onderhavige zaak voor het Hof zelf de verdediging te voeren.

10 Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 15.

11 Zie onder meer HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, HR 18 april 2006, NJ 2006/397 m.nt. Buruma, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6177, NJ 2012/501 en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181, NJ 2012/502 m.nt. Reijntjes.

12 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink (NLR), aant. 4 bij artikel 285 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse, bij t/m 01-10-2012).

13 Wanneer de woorden die aan de ander worden toegevoegd overduidelijk een bedreigend karakter hebben, zal het misdrijf al wel zijn gegeven. De omstandigheden waaronder de woorden zijn geuit doen er dan niet zoveel meer toe. Aldus NLR, aant. 4 bij artikel 285 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse, bij t/m 01-10-2012).