Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
14/00845
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3628, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00845

Mr. Vegter

Zitting 11 november 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 december 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van moord” veroordeeld tot vijftien jaren gevangenisstraf, met aftrek als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.



2. Mr. S.N.W. van Dam-Ouwens, advocaat te Haarlem, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. De middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring. Het Hof heeft een alternatieve lezing van de feiten door verdachte niet gevolgd, “terwijl die alternatieve lezing met zich brengt dat verzoeker geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer (middel I) en dat in casu geen sprake is van voorbedachte raad (middel II)”. Ik bespreek de middelen verder gezamenlijk.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 21 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht met een schep [slachtoffer] op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (met weglating van voetnoten):

“Op grond van de bewijsmiddelen gaat het hof uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) hebben een afspraak gemaakt om elkaar op 21 maart 2010 in Amsterdam Noord te ontmoeten. [medeverdachte] heeft enige weken daarvoor en ook diezelfde middag tegen [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) gezegd dat hij het latere slachtoffer [slachtoffer] ging 'omleggen'.

Op 21 maart 2010 is de verdachte door [betrokkene 1] en [medeverdachte] laat op de avond opgehaald bij een bushalte in Amsterdam Noord, waarna zij gedrieën naar de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat 1] te Amsterdam zijn gelopen. De verdachte had een rol tape en een tas met schone kleding bij zich. De schone kleding had hij meegenomen omdat hij er rekening mee hield dat zijn kleding vies zou worden bij een worsteling met [slachtoffer]. Nadat zij bij de woning van [slachtoffer] waren gearriveerd, hebben zij aangebeld en is [slachtoffer] naar beneden gekomen. Vervolgens zijn zij met zijn vieren, en met de hond, naar de groenstrook (het hof begrijpt ook geduid als de bosschages, het bospad) langs de A10 in Amsterdam Noord gelopen. De sfeer tijdens de wandeling was normaal; de verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] zongen het liedje van Roodkapje.

De verdachte had de rol tape bij zich en de medeverdachte [medeverdachte] een vuurwapen. Op het bospad langs de A10 is [betrokkene 1] op een gegeven moment, op verzoek van [medeverdachte], met de hond blijven staan. De verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] zijn via het pad langs de A10 verder de bosschages ingelopen. In die bosschages bevond zich een kuil. Vlakbij die plaats is [slachtoffer] met de schep op het hoofd geslagen en is op enig moment het hoofd van [slachtoffer] omwikkeld met tape. Voorts hebben de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] verplaatst in de richting van de kuil. Voorts is het lichaam van [slachtoffer] in de kuil gelegd en is hij daar begraven. De verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens teruggelopen naar de woning van [slachtoffer] en kwamen daar een uur na [betrokkene 1] (het hof begrijpt: gelijktijdig) aan. De verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 1] hebben vervolgens in de woning van [slachtoffer] overnacht. Op 23 september 2010 is het lichaam van [slachtoffer] gevonden en opgegraven. [slachtoffer] bleek te zijn overleden als gevolg van zeer heftig botsend geweld op het hoofd met een schep. Over de ogen en de mond van [slachtoffer] was tape aangebracht.

De verdachte heeft de schep waarmee [slachtoffer] is geslagen op de terugweg naar de woning van [slachtoffer] in het water gegooid.

[medeverdachte] heeft nadien tegen [betrokkene 2], een vriendin van [betrokkene 1], gezegd dat hij zijn broer, die woonde aan de [a-straat 1], (het hof begrijpt: [slachtoffer]) had vermoord. Daarbij vertelde [medeverdachte] dat ze eerst zouden schieten, maar dat dat teveel lawaai maakte. Daarna had de vriend die mee was gegaan hem op het achterhoofd geraakt. Die vriend heet [verdachte].

Medeplegen

De verdediging heeft gesteld dat geen veroordeling ter zake van medeplegen van het ten laste gelegde kan volgen, nu uit het dossier niet volgt dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht die gericht waren op de dood van [slachtoffer], dan wel wetenshap had met betrekking tot een voornemen van [medeverdachte] om [slachtoffer] om het leven te brengen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, waarbij zij willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Niet nodig is dat verdachte alle uitvoeringshandelingen mede heeft verricht.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op grond van een vooraf gemaakte gezamenlijke afspraak [slachtoffer] op 21 maart 2010 's avonds laat hebben opgehaald bij diens woning. Dat [slachtoffer] nadat bij hem was aangebeld vanuit zijn woning naar beneden is gekomen en kennelijk zonder angst of twijfel op dit late tijdstip met hen is meegelopen naar de bosschages langs de A10 Noord, duidt er naar het oordeel van het hof op dat [slachtoffer] onder valse voorwendselen is meegelokt naar deze afgelegen, donkere plaats.

In deze bosschages was van te voren een kuil gegraven die groot genoeg was om een persoon in te begraven. Uit het feit dat zowel de verdachte, als [medeverdachte] en het slachtoffer na aankomst van [medeverdachte] en de verdachte bij de woning van [slachtoffer] min of meer als vanzelfsprekend in de richting van deze kuil zijn gaan lopen, leidt het hof af dat alledrie de personen bij aanvang van de wandeling moeten hebben geweten dat zich op deze locatie een kuil bevond, zij het dat de verdachte en zijn medeverdachte met een ander doel richting deze kuil liepen dan het latere slachtoffer.

[medeverdachte] droeg op deze avond een vuurwapen en de verdachte had een rol tape meegenomen, hetgeen er op wijst dat zij zich hadden voorbereid op een gewelddadige confrontatie met [slachtoffer].

Door de tegengestelde en elkaar uitsluitende verklaringen die de verdachte en [medeverdachte] over het gebeuren hebben afgelegd, kan niet worden vastgesteld wat de precieze toedracht op de plaats delict is geweest en wie [slachtoffer] met de schep dodelijk op het hoofd heeft geslagen. Vast is echter komen te staan dat de verdachte en zijn medeverdachte op basis van een vooraf gemaakte afspraak naar de plaats delict zijn gelopen met de bedoeling om geweld te gebruiken tegen het latere slachtoffer, dat zowel de verdachte als [medeverdachte] bij het slaan met de schep tegen het hoofd van het slachtoffer aanwezig zijn geweest en dat zij, nadat [slachtoffer] in de kuil was begraven, gelijktijdig zijn teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] waar zij die nacht ook zijn blijven slapen. In de dagen daarna hebben de verdachte en zijn medeverdachte samen handelingen verricht om de dood van het slachtoffer te verhullen (zoals hieronder nader geduid in de strafmaatoverweging). Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij werd verrast door het door de medeverdachte uitgeoefende dodelijk geweld, ongeloofwaardig is.

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - en hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] voorafgaand aan en tijdens het ten laste gelegde en dat deze samenwerking gericht is geweest op het om het leven brengen van [slachtoffer]. Het hof acht dan ook het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

Voorbedachte raad

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van het door voorbedachte raad vereiste rustig overleg en kalm beraad.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluiten (lees: besluit: PV) en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zodat, bij gebreke van contra-indicaties, moet worden aangenomen dat verdachte daadwerkelijk de tijd tot beraad heeft gehad.

Uit de eerdere vaststellingen van het hof volgt dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, ter uitvoering waarvan [slachtoffer] 's avonds laat is meegelokt naar een afgelegen plaats waar van te voren een kuil was gegraven en een schep klaarstond. Gelet op de – hiervoor weergegeven - wijze waarop de uitvoering van dit plan heeft plaatsgevonden en het tijdsverloop dat daarmee was gemoeid, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte op verschillende momenten de gelegenheid heeft gehad om zijn handelen te kunnen overdenken, en het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en zijn mededader weloverwogen en ingevolge dit plan hebben gehandeld, waardoor er sprake is van voorbedachte raad.”

6. De onderhavige strafzaak heeft een nogal bijzonder karakter en dat kan om volledig andere redenen ook van de voorgestelde middelen worden gezegd. In de strafmotivering heeft het Hof de moord gekarakteriseerd als koelbloedig, kil en gewetenloos. Opmerkelijk is natuurlijk dat het Hof de precieze toedracht op de plaats van het delict niet heeft kunnen vaststellen en evenmin wie het slachtoffer met de schep dodelijk op het hoofd heeft geslagen. De tegengestelde en elkaar uitsluitende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] maakten het het Hof niet eenvoudig redengevende feiten en omstandigheden vast te stellen. Daartoe behoren overigens wel beide mededelingen (onder meer gedaan de middag voor het feit) van [medeverdachte] aan [betrokkene 1] dat hij [slachtoffer] ging omleggen. En ook de verklaring van [medeverdachte] tegen [betrokkene 2] hoort daarbij en die houdt onder meer in dat de vriend die was meegegaan – en daarmee wordt verdachte bedoeld- het slachtoffer op het achterhoofd heeft geraakt. De overwegingen van het Hof bevatten noodzakelijkerwijs sprongetjes in de redenering. De middelen richten zich onder meer op twee nader onder 11 te bespreken (vermeende) sprongetjes in de bewijsredenering.

7. De middelen hebben een bijzonder karakter omdat ze geheel aan elkaar worden vastgeknoopt. De afwezigheid van opzet en voorbedachte raad kan blijken uit de alternatieve lezing van verdachte van het gebeuren, aldus vat ik de steller van het middel kort samen. Als die alternatieve lezing niet op gaat is er dus kennelijk in de ogen van de steller van het middel niets of weinig mis met het bewijs van opzet en voorbedachte raad. De kern van de middelen houdt in dat de alternatieve lezing van de toedracht van het gebeurde door het Hof had moet worden weerlegd. Bijzonder aan het middel is voorts dat de alternatieve lezing in de schriftuur wordt onderbouwd door citaten van verklaringen van verdachte tegenover de politie, de Rechtbank en het Hof. Omdat ik zonder nadere toelichting niet inzie hoe het Hof gehouden kan worden te reageren op verklaringen van verdachte tegenover de politie en de Rechtbank volsta ik met hetgeen in de cassatieschriftuur uit de verklaring tegenover het Hof is geciteerd.

8. Verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 november 2012 onder meer het volgende verklaard:

“ Ik ben op 21 maart 2010 op verzoek van [medeverdachte] meegegaan naar het pad langs de A-10 Noord om [slachtoffer] een lesje te leren. Ik had met [medeverdachte] afgesproken dat ik [slachtoffer] rustig zou houden. Dat zou mijn aandeel zijn. Daarna zouden andere personen [slachtoffer] meenemen. Die andere personen zouden ergens klaar staan. Ik heb niet gevraagd wie en met hoeveel die andere personen waren en waar die zouden klaarstaan, ook niet toen wij bij de bosjes aankwamen. Ik heb ze in ieder geval ook niet gezien. Het was een onwerkelijke situatie voor mij, maar ik ben wel meegegaan.

Ik had een rol tape meegenomen om de handen van [slachtoffer] vast te binden. Tijdens de wandeling heb ik [slachtoffer] overmeesterd. [slachtoffer] vocht terug en er ontstond een worsteling. Nadat ik [slachtoffer] op de grond had gewerkt en hij versuft raakte, ben ik gestopt met vechten. [medeverdachte] stond erbij tijdens de worsteling. Ik heb gezien dat [medeverdachte] [slachtoffer] drie keer met een schep op zijn hoofd heeft geslagen. Ik stond toen op een tot drie meter afstand. Ik weet niet meer precies hoever ik er vanaf stond maar ik heb het wel gezien. Het was weliswaar donker, maar er was licht van de maan en van de snelweg. Ik ken het NFI-rapport waarin wordt geconcludeerd dat [slachtoffer] een, wellicht twee, klappen op het hoofd heeft gekregen.

Ik heb gezien dat het drie klappen waren. [slachtoffer] werd door alle drie de klappen op het hoofd geraakt. [slachtoffer] lag toen al op zijn rug op de grond. [medeverdachte] stond aan de rechterzijde van het lichaam van [slachtoffer] toen hij hem sloeg. Hij heeft [slachtoffer] met de schep aan de linkerkant van het hoofd geraakt. Ik weet niet meer op welke hoogte van het lichaam [medeverdachte] precies stond. [medeverdachte] hield de schep tijdens het slaan met twee handen vast.

Het hof neemt waar dat de verdachte voordoet hoe de medeverdachte [medeverdachte] met de schep zou hebben geslagen. De verdachte maakt daarbij een beweging over derechterschouder heen, van boven naar beneden.

De verdachte verklaart voorts, zakelijk weergegeven:

Ik herinner mij niet meer hoe de slaande beweging van [medeverdachte] precies was.

Ik weet ook niet meer hoe hij de schep in zijn handen hield. Hij had de schep ieder geval met twee handen vast. Ik ben zelf rechtshandig. Ik heb [slachtoffer] niet met de schep geslagen. Ik heb [slachtoffer] alleen met mijn handen op zijn gezicht en lichaam geslagen, maar dat was voordat hij met de schep werd geslagen. Nadat [slachtoffer] met de schep was geslagen verkeerde ik in een shock, het was een soort roes. [slachtoffer] lag op de grond en maakte een geluid. [medeverdachte] zei: "laat hem zijn bek houden." Ik heb de tape, die ik had meegenomen, op de mond en om het hoofd van [slachtoffer] gedaan. Ik werd misselijk en heb staan overgeven. Ik weet niet hoe lang ik daar heb gestaan. Toen ik terugkwam zag ik dat [slachtoffer] in de kuil lag en dat [medeverdachte] hem aan het ingraven was. [medeverdachte] gebruikte dezelfde schep als waarmee hij [slachtoffer] had geslagen. Ik moest van [medeverdachte] helpen, maar dat heb ik niet gedaan, dat kon ik niet. Toen [medeverdachte] klaar was met het ingraven van [slachtoffer] heeft hij mij op het bospad de schep gegeven. Ik heb de schep in het water gegooid. Ik heb de schep voor het eerst gezien toen [medeverdachte] [slachtoffer] daarmee sloeg. Ik heb geen idee hoe de schep op die plaats terecht is gekomen. Wij hadden in ieder geval geen schep bij ons toen we met [slachtoffer] daarnaar toe liepen. Ik heb achteraf van [medeverdachte] gehoord dat [slachtoffer] de kuil had gegraven en de schep daarin had achtergelaten. De kuil heb ik pas gezien toen [slachtoffer] geslagen was met de schep. Ik had de rol tape meegenomen met de enkele bedoeling de handen van [slachtoffer] vast te binden. Ik heb de handen of armen van [slachtoffer] niet vast getaped.

Ik had op 21 maart 2010 schone kleren bij mij omdat ik wist dat er een kans was dat we zouden gaan vechten. Ik wilde niet met vieze kleren terug naar huis. De schone kleren zaten in een plastic tasje. Ik had geen sporttas bij mij. Door omstandigheden ben ik die avond in de woning van [slachtoffer] blijven slapen, dat was van te voren niet afgesproken.

Het klopt dat ik in juni 2010 tegen [betrokkene 3] heb gezegd dat ik iemand heb omgelegd door met een schep op zijn hersenpan te slaan. Ik heb mijn eigen rol tegenover [betrokkene 3] aangedikt. Ik heb dat gedaan omdat ik in het verleden regelmatig ben vernederd. Door [medeverdachte] kreeg ik wat meer zelfvertrouwen. Volgens [betrokkene 3] was [medeverdachte] echter manipulatief en spande hij mensen voor zijn karretje. Ik wilde haar het tegendeel bewijzen door te laten zien wat ik zelf had gedaan.

Ik ken [betrokkene 4]. Wij hebben in het huis van bewaring Demersluis op dezelfde afdeling gezeten. Ik heb [betrokkene 4] destijds oppervlakkig verteld voor welke zaak ik vastzat. Ik heb nooit inhoudelijk met hem over de zaak gesproken of over mijn rol daarin. Er klopt helemaal niets van hetgeen [betrokkene 4] bij de politie heeft verklaard. Ik heb heel hard gelachen om die verklaring. Hij is heel goed ingefluisterd. Ik heb ook nooit een conflict met [betrokkene 4] gehad.

Als ik zelf bij de politie heb verklaard dat ik 'het gewoon heb gedaan' dan heb ik daarmee bedoeld dat ik die avond bewust ben meegegaan om [slachtoffer] een lesje te leren.

Ik heb tijdens mijn detentie gehoord dat mijn vader beenmergkanker heeft.

Hij heeft nog 4 tot 6 jaar te leven. Mijn vader woont in Spanje.”

9. Heel kort gezegd is de stelling in de schriftuur vervolgens dat het Hof heeft miskend dat verdachte niet verder wilde gaan dan het slachtoffer een lesje leren. Het Hof heeft de bewijsmiddelen inderdaad anders gewaardeerd dan verdachte, maar dat staat een feitenrechter in het algemeen vrij. Ik lees in de schriftuur nergens waarom het Hof nu gehouden zou zijn de eigen selectie en waardering van bewijsmiddelen nader te verantwoorden tegen het licht van de alternatieve lezing van verdachte. Enige rechtsgrond daarvoor wordt in de schriftuur niet genoemd. De steller van het middel klaagt bijvoorbeeld niet dat de alternatieve lezing in feitelijke aanleg (door de raadsman) is gegoten in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en daarom gelet op de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv een afzonderlijke reactie verdiende in het arrest. De wijze waarop de cassatieschriftuur is opgebouwd wijst ook niet erg in die richting. Immers de alternatieve lezing is uitsluitend onderbouwd door verklaringen van verdachte zonder dat enig standpunt van de raadsman in feitelijke aanleg daaromtrent in herinnering wordt geroepen. Dit komt de indringendheid van het naar voren gebrachte alternatieve scenario niet ten goede.

10. Ik heb mij afgevraagd of de steller van het middel voor ogen heeft gehad dat hier sprake is van een zogenaamde Meer-en Vaartsituatie.2 Ik sta daar, hoewel duidelijke aanknopingspunten voor die stellingname ontbreken, mede gelet op de vaststelling van het Hof dat de precieze toedracht van de doding zelf niet is vastgesteld, nader bij stil. Voor een Meer-en Vaarsituatie is bepalend of de alternatieve lezing van verdachte niet in strijd komt met de uit de bewijsmiddelen afgeleide en afzonderlijk door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, maar wel met de bewezenverklaring. De alternatieve lezing van verdachte is op een onderdeel in strijd met de vastgestelde feiten en omstandigheden. Dat is een cruciaal onderdeel. Het gaat om de laatste passage uit de vastgestelde feiten en omstandigheden die ik voor alle duidelijkheid hier nogmaals citeer: “[medeverdachte] heeft nadien tegen [betrokkene 2], een vriendin van [betrokkene 1], gezegd dat hij zijn broer, die woonde aan de [a-straat 1], (het hof begrijpt: [slachtoffer]) had vermoord. Daarbij vertelde [medeverdachte] dat ze eerst zouden schieten, maar dat dat teveel lawaai maakte. Daarna had de vriend die mee was gegaan hem op het achterhoofd geraakt. Die vriend heet [verdachte].“ In de woorden ‘eerst zouden schieten’ ligt besloten dat er een gezamenlijk plan was om te schieten. Ook het raken op het achterhoofd wijst in het gebezigde verband op een gedraging van verdachte in het kader van moord. 3 In zoverre is de alternatieve lezing van verdachte dus wel in strijd met de door het Hof aan de hand van de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden en is er dus niet sprake van een Meer-en Vaartsituatie waarbij het Hof tot een nadere reactie gehouden was. Voorts valt uit hetgeen het Hof nader heeft overwogen over het medeplegen af te leiden dat het Hof het alternatieve scenario niet geloofwaardig4 acht. Ik wijs er op dat het Hof uit de gang van zaken heeft afgeleid dat verdachte tevoren op de hoogte was van het feit dat er een kuil was gegraven. Daar heeft het Hof nog aan toegevoegd dat de verklaring van de verdachte dat hij werd verrast door het door de medeverdachte uitgeoefende dodelijk geweld, ongeloofwaardig is en dat acht ik anders dan de steller van middel niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling dat verdachte wist van de kuil. Deze oordelen passen niet in de alternatieve lezing en het alternatieve scenario is daarmee gediskwalificeerd. Om het nog anders en met in zekere mate aan mijn ambtgenoot Aben5 ontleende woorden te zeggen: in het oordeel van het Hof ligt voldoende besloten waarom het belastende scenario aannemelijker is dan het alternatieve scenario.

11. De toelichting op het middel tracht nog enkele gaten te schieten in de redenering van het Hof en legt daarbij het accent op twee sprongetjes in de bewijsredenering en wel in het bijzonder voor wat betreft de wetenschap van verdachte. (p. 8 van de schriftuur). Volgens de toelichting impliceert de vaststelling van het Hof dat medeverdachte [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had dat verzoeker van de aanwezigheid van het wapen op de hoogte was. De klacht is dan dat niet vaststaat dat verdachte wist dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had. Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het Hof niet heeft vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van het wapen bij [medeverdachte]. Het Hof overweegt dat ook verdachte moet hebben geweten dat er een kuil was gegraven. Voor zover de klacht zich richt tegen een (vermeende) vaststelling van het Hof dat verdachte die kuil zou hebben gegraven geldt opnieuw dat het Hof dat niet heeft overwogen en dat de klacht dus in zoverre feitelijke grondslag mist. In de context van alle overige vaststellingen van het Hof is het niet onbegrijpelijk dat het Hof wetenschap van de aanwezigheid van een kuil heeft afgeleid uit het feit dat verdachte en medeverdachte in aanwezigheid van (onder meer) het slachtoffer min of meer vanzelfsprekend in de richting van de kuil zijn gaan lopen.

12. Gelet op de opbouw van de middelen zie ik geen aanleiding nu nog uitgebreid afzonderlijk stil te staan bij de motivering van het opzet en de voorbedachte raad. Immers die motivering wordt in cassatie slechts bestreden met een beroep op het alternatieve scenario en ik ben het graag met de steller van het middel eens dat als het alternatieve scenario juist zou zijn er natuurlijk geen spaan heel kan blijven van de motivering van het opzet en de voorbedachte raad. Nu echter in het oordeel van Hof besloten ligt dat het alternatieve scenario niet opgaat, ben ik gelet op de inrichting van de middelen niet geneigd om hier opzet en voorbedachte raad ambtshalve te bespreken. Ik zie niet in waarom de beslissing inzake opzet en voorbedachte raad onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ik maak gelet op het slot van de schriftuur de volgende uitzondering. Anders dan in de schriftuur wordt betoogd is in het kader van de voorbedachte raad niet in feitelijke aanleg gesteld dat de acute stresssituatie waarin verdachte verkeerde ten tijde van het feit een contra-indicatie oplevert voor de voorbedachte raad en dat het Hof daaraan dus (nu volgens de steller van het middel sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) aandacht had dienen te besteden. Aan te nemen valt – de steller van het middel maakt er een zoekplaatje van- dat gedoeld wordt op een passage op p. 16 van de aan het proces-verbaal van het Hof van 30 november 2012 gehechte pleitnota. Daar is namelijk onder het kopje ‘Straftoemeting’ een punt 7 opgenomen luidende: Client zich nu al 27 maanden onafgebroken in detentie bevindt. Daarna volgt nog handgeschreven: “aanv. opm: cliënt heeft hoog IQ; kan eerder tot acute stresssituatie leiden , n.a.v. verkl. psych. Haan in hb.” Ik volsta ermee op te merken dat het Hof hetgeen is aangevoerd kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft opgevat als een contra-indicatie voor de voorbedachte raad is aangevoerd, maar als een factor waarmee bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden. Tot een ontoereikend motivering van de voorbedachte raad kan deze passage in geen geval leiden.

13. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (14/02549), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie HR 1 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3369, NJ 1974/450 m.nt. Th.W.v.V en Corstens/Borgers, 2014, p. 855 e.v.

3 Hieraan doet niet af dat het Hof de precieze toedracht, zoals bij het medeplegen wordt overwogen, niet heeft kunnen vaststellen. Enkele markeringspunten acht het Hof kennelijk wel duidelijk.

4 Vgl. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7959, NJ 2001/238 m.nt. Schalken.

5 Conclusie Aben onderdeel 5.15.1 voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279 m.nt. Reijntjes.