Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2292

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-10-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
14/00700
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3626, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00700

Zitting: 28 oktober 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 januari 2014 het vonnis van de rechtbank Amsterdam bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. De rechtbank heeft bij vonnis van 7 februari 2012 de verdachte ter zake van “poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3b, eerste lid, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een geldboete van honderd euro, bij niet betaling te vervangen door twee dagen hechtenis. In hoger beroep heeft het gerechtshof afgezien van oplegging van een straf of maatregel. 1

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Bewezenverklaard is - kort gezegd - een poging tot de aanprijzing van joints, begaan te Amsterdam, op 12 juni 2008. De verdachte had een voorraadje voorgedraaide joints in zijn coffeeshop aan de [a-straat] liggen, gereed voor de verkoop. Iedere joint uit deze partij was met het volgende bedrukt: de naam van de betreffende coffeeshop, de tekst ‘support your local dealer’, alsmede een afbeelding van een hond met een sigaret/joint in zijn bek. De vraag is of de verdachte hiermee heeft getracht opzettelijk te handelen in strijd met art. 3b, eerste lid, Opiumwet. Die bepaling verbiedt (onder meer) elke openbaarmaking welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs te bevorderen.

4. Soms worden mij zaken voorgelegd die bij mij de vraag oproepen: ‘waar moeten we ons mee bezighouden??’ Dit is er een van. Met het ‘we’ en het ‘ons’ doel ik uiteraard niet uitsluitend op mijzelf, maar op het gehele, relatief kostbare justitieapparaat waarvan ik een radertje ben. Ik word gesterkt in die gedachte bij lezing van de indertijd geldende Aanwijzing Opiumwet van 22 december 2006, Stcrt. 2006, 250, die op dit punt overigens nadien geen wijzigingen heeft ondergaan. De strafvervolging die onderwerp is van de onderhavige zaak past namelijk beslist niet goed in het prioriteitenlijstje op het terrein van art. 3b Ow dat het openbaar ministerie met de openbaarmaking van deze aanwijzing(en) bekend heeft gemaakt.

5. Aangezien de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie hier in cassatie niet ter discussie staat, zal ik mij thans richten op het middel, dat - gelezen in samenhang met de toelichting - uitsluitend klaagt over de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring van de passage: (een openbaarmaking die) “er kennelijk op is gericht de verkoop en/of aflevering en/of verstrekking van middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te bevorderen”. De bewezenverklaring van (een poging tot) “openbaarmaking” wordt niet bij wijze van rechts- of motiveringsklacht aan Uw Raad voorgelegd.

6. Daarmee vernauwt het dispuut in cassatie zich tot de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat deze joints reclame voor joints konden maken. Het middel voert hiertegen aan dat de beschreven joints niet kunnen worden aangemerkt als een aanprijzing van softdrugs, doch slechts als een aanprijzing van de betreffende coffeeshop. Ik vraag mij af of dit onderscheid vruchtbaar is. Het problematische ervan is dat een coffeeshop per definitie softdrugs verkoopt. “We sell what we sell,” luidt het op internet te lezen devies van de nog steeds bestaande coffeeshop. Reclame voor de coffeeshop is dus vrijwel altijd tevens reclame voor de aldaar verkochte middelen. Net zo goed als dat een uithangbord met een afbeelding van bier een aansporing is om dat bier toch vooral te drinken in het café waaraan het betreffende uithangbord is bevestigd. De nadruk kan iets anders liggen, geef ik dan wel weer toe, maar het onderscheid is minst genomen lastig onder woorden te brengen, en daarmee in de praktijk van alledag moeizaam te handhaven. Mijn ambtgenoot Machielse deed ruim dertien jaar geleden niettemin een sympathieke poging om het onderscheid tussen enerzijds de winkel en anderzijds het product te munten. Na een uitweiding over de wetsgeschiedenis, die inderdaad uitwijst dat aanzienlijk krassere voorbeelden van reclame-uitingen aanleiding waren voor de invoering van het (thans nog ongewijzigde) aanprijzingsverbod van art. 3b Ow, betoogde mijn ambtgenoot:

“Uit de wetsgeschiedenis is duidelijk dat de ratio van art. 3b Opw erin is gelegen het aansporen tot en het aanmoedigen van het gebruik van drugs te ontmoedigen. Dat in coffeeshops soft drugs worden verkocht betekent nog niet dat het zich etaleren als coffeeshop al zo een aansporing bevat. Reclame voor een café houdt volgens mij evenmin per definitie een poging in anderen tot alcoholgebruik aan te zetten.”

Op zijn voorspraak vernietigde Uw Raad de veroordeling, doch dat betrof dan vooral de vraag naar de betekenis van het ‘openbaar maken’. In die casus ging het overigens om een voorraad van 60 wegwerpaanstekers waarop de naam en het adres van de betreffende coffeeshop was gedrukt.2

7. Kortom, waar leg je de grens van ontoelaatbare reclame? Daar waar een toezichthouder deze uiting van reclame voor softdrugs (als dat het is) met gemak door de vingers had kunnen zien, komen rechters er wat dat betreft minder gemakkelijk van af. Er is geen weg terug; zij moeten beslissen. De hoogte van de opgelegde straf (rechtbank: 100 euro, hof: 9a Sr) brengt reeds tot uitdrukking dat de feitenrechters niet erg onder de indruk waren van de ernst van het misdrijf, doch dat zij zich desalniettemin genoodzaakt zagen te veroordelen. Voor de verdachte is deze zaak daarentegen een principieel punt, omdat hij in deze lucratieve branche vreest voor zijn vergunning.

8. De door het hof tot de zijne gemaakte overwegingen van de rechtbank luiden als volgt:

“De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 september 2010 (LJN BN7285), het begrip 'openbaarmaking' niet zover kan worden opgerekt dat daaronder de enkele vermelding van het woord coffeeshop met de naam, het adres en/of het internetadres ervan, gebracht wordt. Er is echter wel sprake van 'openbaarmaking' indien er daarbij in tekst of beeld enige relatie wordt gelegd met drugs, aldus het gerechtshof. Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat er in de onderhavige zaak niet slechts sprake is van een vermelding van de naam van de coffeeshop, maar dat er een relatie wordt gelegd met drugs. De combinatie van de naam van de coffeeshop, de tekst 'support your local dealer', de afbeelding van een hond met een sigaret of joint in zijn bek en het feit dat deze teksten en afbeelding staan afgebeeld op een joint, maakt dat deze uiting niet anders kan worden opgevat dan als een aanprijzing van drugs.

Het betoog van de verdediging dat de slogan 'support your local dealer' ook door andere bedrijven die geen softdrugs verkopen wordt gehanteerd, doet aan het voorgaande niet af. De combinatie van deze slogan met de afbeelding van een rokende hond en het feit dat deze tekst en afbeelding zijn afgebeeld op een joint, leiden naar het oordeel van de rechtbank ertoe dat het woord 'dealer' in deze context wel degelijk geassocieerd zal worden met het 'dealen' van drugs.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer van de raadsman dat niet-gebruikers niet ongewild worden geconfronteerd met de uiting, omdat de afbeelding en tekst op een joint staan en deze verdwijnen zodra de joint is opgerookt. De voorgedrukte joints kunnen mee naar buiten worden gebracht en, zolang zij niet zijn opgerookt, kunnen niet-gebruikers ongewild worden geconfronteerd met de joints en de afbeelding daarop.”

9. Ik meen dat verdachtes handelen zich maar op één manier laat duiden. Vanwege de combinatie van de naam van de coffeeshop, de gewraakte tekst, en de afbeelding van de rokende hond,3 in samenhang met het feit dat dit alles op een joint was afgedrukt, heeft het hof (met de rechtbank) in mijn ogen kunnen oordelen dat de beoogde verkoop van deze specifieke joints kennelijk was gericht op het bevorderen van de verkoop van joints in de coffeeshop van de verdachte in het algemeen. Moeilijk voorstelbaar is immers dat een willekeurige lezer van de voorgedrukte joint op het idee zou zijn gekomen om op een andere wijze dan door het afnemen (en gebruiken) van de drugs van de coffeeshop van de verdachte voornoemde coffeeshop te ‘ondersteunen’. Een coffeeshop is in het maatschappelijk verkeer in het algemeen niet op te vatten als een goed doel, op wiens giro men een bijdrage kan storten. Op deze wijze reclame maken voor de coffeeshop is m.i. gelijk te stellen met het aanprijzen van de softdrugs die daar te koop zijn.

10. Het middel faalt.

11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Dit in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in eerste aanleg.

2 HR 19 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2204, alsmede de conclusie voor dit arrest van mijn ambtgenoot Machielse.

3 Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 15 september 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7285, waarin het hof in een met deze zaak vergelijkbaar geval oordeelde dat de naam van de coffeeshop, in combinatie met een afbeelding van een hennepplant en de tekst ‘Cannabis cup winner 2000’, afgedrukt op ansichtkaarten die ter verspreiding in de coffeeshop aanwezig waren, maakte dat er sprake was van een aanprijzing van de door die coffeeshop verkochte drugs.