Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:229

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
13/02296
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02296

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 april 2013 verdachte wegens, onder 1 subsidiair, “doodslag, gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren”, onder 2, “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken”, onder 3, “afpersing” en, onder 4, “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig jaren. Voorts heeft het Hof nog enkele bijkomende beslissing genomen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt over ’s Hofs gebruik voor het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde feit van de inhoud van een telefoongesprek en van de inhoud van een verklaring van getuige [getuige].

4.2.

Het onder drie bewezenverklaarde feit betreft een overval op een supermarkt. Op de beelden die door de bewakingscamera’s zijn gemaakt, is de dader, die een bivakmuts droeg, te zien (bewijsmiddel 54). Deze beelden zijn op de televisie vertoond (zie m.n. bewijsmiddel 82). Het middel heeft betrekking op de volgende bewijsmiddelen:

“71. Het afschrift van een telefoongesprek d.d. 2 februari 2011 te 13.34 uur, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

P = [betrokkene 1]

I = [getuige]

P = Hey ja, ik zat net de krant te lezen hier, bij ons pap er is gisteren ook een vijfentwintigjarige Ossenaar

I = Ja, dat is [verdachte], [verdachte] hebben ze opgepakt.

P = Dat is de hoofdverdachte

I = Ja, dat weet ik, dat wist ik allang dat dat [verdachte] was man.

I = Als je eh opsporings verzocht keek, kreeg je een video oproep te zien. Zie je heel duidelijk dat het [verdachte] is. Dat zag je heel duidelijk hoor.

I = Dus, dat wist ik allang dat hij dat gedaan had.

72. De verklaring van [getuige], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Noot verbalisanten: Getuige wordt geconfronteerd met een opgenomen gesprek gepleegd op 2 februari 2011 om 13.34.39 uur.

Ik ken [verdachte].

V: Wat heb je gezien op de video van opsporing verzocht?

A: Ik kon aan het lopen zien dat hij dat was. Ik zag dat die film dat er iemand liep. Ik zie het aan zijn lopen.

V: Kon je hem nog aan iets anders herkennen dan aan zijn loop?

A: Nee, ik kon het alleen aan zijn loop zien. Ik herkende hem doordat hij zeg maar een beetje breed liep. Je kunt denk ik wel zeggen dat hij iets met zijn schouders op en neer gaat. Je kunt ook wel zeggen een beetje macho loopje.

V: Over wie hebben we het als we het over hem hebben tijdens de video?

A: Dan heb ik het over [verdachte].”

4.3.

Blijkens de inhoud van een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 april 2013 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“13. Dat geldt dan in feite ook voor het achtste element uit de bewijsconstructie die in eerste aanleg is gepresenteerd: een telefoongesprek dat [getuige] op 2 februari 2011 heeft gevoerd en een verklaring die zij op 10 februari 2011 heeft afgelegd. In het telefoongesprek, een dag na de aanhouding van [verdachte], vertelt [getuige] aan haar broer dat zij op de beelden van Opsporing Verzocht heel duidelijk kon zien ‘dat het [verdachte] is’. In haar verklaring van 10 februari 2011 meldt [getuige] dat ze van ‘mensen buiten’ en op televisie heeft gehoord dat zij – [verdachte] en [betrokkene 2] – ‘dat’ hebben gedaan. Over [verdachte] kan zij niet veel vertellen. Naar eigen zeggen heeft ze hem wel eens gezien en is hij eenmaal bij haar thuis geweest. Aan zijn lopen zou [getuige] evenwel [verdachte] herkennen als de dader van de overval op de supermarkt die op Opsporing Verzocht is getoond. Volgens [getuige] is het een beetje een macho loopje.

14. Al teveel aandacht moet aan dit telefoongesprek en aan deze verklaring eigenlijk niet worden gegeven. In de eerste plaats omdat de uitlatingen van [getuige] een natuurlijke verklaring vinden in het fenomeen van hindsight bias: nadat iemand is aangehouden, weet menigeen ineens met zekerheid dat de verdachte ook de dader is. In de tweede plaats is mij, na de beelden van Opsporing Verzocht vele malen te hebben bekeken, volstrekt duidelijk dat het voor een ieder onmogelijk is iemand als dader van die overval aan te wijzen. De beelden zijn schokkerig, de dader is onherkenbaar en diens lopen is nauwelijks te zien. En tot slot beschouw ik het als een feit van algemene bekendheid dat een macho loopje bepaald niet uniek is en dat vele jongemannen zich op die manier plegen voort te bewegen. Ook dit element kan dus niet aan een bewezenverklaring ten grondslag worden gelegd.”

4.4.

Voor de beoordeling van het middel is voorts de volgende bewijsoverweging van het Hof relevant:

“C.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof allereerst af dat de overvaller van de EMTE supermarkt door [getuige] en [betrokkene 2] op de beveiligingsbeelden is herkend als zijnde verdachte. Hetgeen door de verdediging ten aanzien van de herkenning door [getuige] dienaangaande is aangevoerd, kan daaraan naar het oordeel van het hof niet afdoen.”

4.5.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet af kan doen dat, zoals is aangevoerd, de beelden van zo slechte kwaliteit zijn dat het voor een ieder onmogelijk is om op grond daarvan iemand als dader aan te wijzen. Het komt mij voor dat de steller van het middel het Hof op zijn – inderdaad weinig gelukkig uitgevallen – bewoordingen poogt te vangen. Het is zo onwaarschijnlijk dat het Hof de opvatting is toegedaan dat getuige Van der Heijden tot het volstrekt onmogelijke in staat is, dat het de vraag is of het Hof het zo heeft bedoeld. Ik wijs daarbij op het volgende.

4.6.

De beelden zijn op de televisie vertoond. Dat wijst erop dat de beelden niet zo schokkerig waren dat er niets op viel te zien. Zo viel waar te nemen dat (het embleem op) de jas van de overvaller grote overeenkomsten vertoonde met de jas die onder verdachte in beslag werd genomen (bewijsmiddel 65). Dat erkende zelfs de verdachte (bewijsmiddel 89). Het Hof zal gelet daarop hebben geoordeeld dat aan het betoog van de raadsman enige retorische overdrijving niet vreemd was en zal zijn reactie hebben afgestemd op de kennelijke strekking ervan.1 Daarbij is van belang dat de raadsman in zijn betoog twee argumenten naar voren brengt die naast elkaar lijken te staan. In de eerste plaats het argument dat de beelden schokkerig zijn en de dader onherkenbaar is en in de tweede plaats het argument dat een macholoopje niet uniek is. Dat laatste argument lijkt ervan uit te gaan dat de manier van lopen op de beelden viel te zien. Aangezien de getuige de verdachte juist daaraan herkende, zal het Hof het verweer zo hebben opgevat dat het eerste argument slechts een aanloopje naar het tweede vormde en wel in de volgende zin: omdat gezichtsherkenning vanwege de kwaliteit van de beelden onmogelijk was, blijft de manier van lopen als enige herkenningspunt over.

4.7.

De slotsom kan zijn dat het middel berust op een onjuiste lezing van ’s Hofs overweging en derhalve faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel komt met een viertal klachten op tegen ’s Hofs gebruik voor het bewijs van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van de resultaten van onderzoek naar een loopspoor. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.2.

De bewezenverklaringen onder 1 en 2 hebben betrekking op een in de morgen van 29 maart 2010 gepleegde gewapende overval op een boerderij in Velp, waar een bejaarde man ([slachtoffer 1]) met zijn vrouw ([slachtoffer 2]) woonde. De overvaller plakte de mond van de vrouw, die in de woonkamer de krant zat te lezen, met tape af en bond haar polsen met tie wraps aan elkaar. Haar man, die buiten bij de paarden was en op een gegeven moment binnenkwam, werd in de slaapkamer door de overvaller neergeschoten toen hij het geld dat hij met de paardenhandel zou hebben verdiend, niet afgaf. De vrouw vluchtte daarop naar buiten. Toen de overvaller vertrokken was, alarmeerde zij de politie.

5.3.

Het Hof heeft de bewezenverklaringen onder meer doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“3. Het proces-verbaal Sporenonderzoek plaats delict [a-straat 1] [blijkens voetnoot 4 opgemaakt door onder meer verbalisant [verbalisant 1] - GK], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

(…)

Sporenonderzoek erf:

Door mij, verbalisant [verbalisant 1], werd het erf rondom de woning nader onderzocht.

Volgens verklaring van het vrouwelijk slachtoffer [slachtoffer 2] had zij de draden waarmee zij om de polsen gebonden was geweest en het stuk tape wat over de mond was geplakt, weggegooid op het erf bij de garage. Aan de zijkant van de garage zag ik in het zand twee aan elkaar gemaakte zwarte kabelbinders liggen. Daarbij lag ook een stuk grijze duet-tape.

Schoensporen:

Op het erf, tussen de linkerachterzijde van de garage/werkplaats en de vervallen stal, zag ik schoenindrukken in het zand (gaande en komende) in de richting van de vervallen schuur rechts achter op het perceel.

- Schoenindruk AABU9807NL stond op een afstand van ongeveer 1 meter achter de achterzijde van de garage/werkplaats. De voorzijde van de schoen stond in de richting van de [a-straat 1], (naar woning toe).

- Schoenindruk AABU9808NL stond op een afstand van ongeveer 1,5 meter achter de achterzijde van de garage/werkplaats. De voorzijde van de schoen stond in de richting van de vervallen stal, (van woning af).

- Schoenindruk AABU9809NL stond op een afstand van ongeveer 4 meter achter de achterzijde van de garage/werkplaats. De voorzijde van de schoen stond in de richting van de [a-straat 1], (naar woning toe).

- Schoenindruk AABU98I0NL stond op een afstand van ongeveer 5 meter achter de achterzijde van de garage/werkplaats. De voorzijde van de schoen stond in de richting van de [a-straat 1], (naar woning toe).

lk zag dat de bovengenoemde 4 schoenindrukken allen eenzelfde soortgelijk profiel hadden.

Ik zag dat er meer soortgelijke schoenafdrukken op het erf aanwezig waren. De bovengenoemde 4 schoensporen waren van goede kwaliteit, de overige waren beduidend minder. De schoensporen vormden een loopspoor tussen de achterdeur van de boerderij en het weiland achter het perceel. Soortgelijke schoenafdrukken trof ik ook aan in de vervallen schuur. Deze schuur was vrij toegankelijk vanuit het weiland en vanaf het erf. Er bevonden zich geen deugdelijke deuren meer in deze schuur. Later werd door een speurhondgeleider een loopspoor aangetroffen door de weilanden heen tot aan een parkeerplaats op de Venstraat waar een gestolen Volkswagen Vento was aangetroffen.

Ik zag dat de door hem aangetroffen schoensporen (in het loopspoor door de weilanden) een soortgelijk profiel hadden als de schoenafdrukken waarvan ik op het erf gipsafvormingen had gemaakt. Ik kwam tot de conclusie dat er waarschijnlijk slechts één persoon verantwoordelijk was voor het loopspoor door de weilanden naar het erf van de boerderij en/of retour.

(…)

22. Het proces-verbaal onderzoek met speurhond naar menselijke geur ten behoeve van technische recherche [blijkens voetnoot 23 opgemaakt door brigadier [verbalisant 2] - GK], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik kwam op 29 maart 2010 omstreeks 13.15 uur ter plaatse.

In overleg met collega [verbalisant 1] begaf ik mij naar de Venstraat te Velp.

De Venstraat te Velp (een onverharde weg) was gelegen tegenover pand Heistraat 7 te Velp.

Aldaar aangekomen deelde collega [verbalisant 3] mij het volgende mede. Naar aanleiding van een melding over het aantreffen van een vermoedelijk ontvreemd voertuig was zij met haar collega naar de Venstraat te Velp gereden. Aldaar aangekomen troffen zij geen voertuig op de Venstraat aan. Vervolgens had zij met de melder gesproken en deze had haar de plaats aangewezen alwaar het voertuig had gestaan. Deze melder/getuige had gezien dat het voertuig, een blauwe Volkswagen, voor de komst van de politie via de Heistraat was weggereden. Nabij (ongeveer 25 meter) de plaats waar het voertuig had gestaan, was een perceel grasland gelegen. Toen de collega's ter plaatse kwamen, zagen zij een (vermoedelijk) loopspoor vanaf de Venstraat in de richting van de boerderij aan de [a-straat 1].

Op aanwijzing van collega [verbalisant 3] voornoemd zag ik op het grasland een vaag loopspoor wat dwars over het grasland in de richting van de Tweehuizerweg liep. Bij nader onderzoek zag ik nagenoeg evenwijdig aan dit loopspoor nog een vaag loopspoor in de richting van de Tweehuizerweg. Dit was gezien vanuit de Venstraat in de richting van de boerderij aan de [a-straat 1].

Doordat de vermoedelijke loopsporen nog vaag zichtbaar waren en mede door de aanwijzingen van collega [verbalisant 3] heb ik deze sporen op het zicht gevolgd over het grasland in de richting van de Tweehuizerweg. Het was voor mij niet vast te stellen in welke richting de persoon, die de sporen had gemaakt, had gelopen. De sporen waren niet door een voertuig veroorzaakt.

De sporen liepen diagonaal over het grasland in de richting van de verharde weg de Tweehuizerweg. De Tweehuizerweg vormt een verbinding tussen de [a-straat 1] en de Heistraat te Velp.

De afstand, over het grasland, tussen de Tweehuizerweg en de plaats waar het ontvreemde voertuig had gestaan bedroeg ongeveer 375 meter.

Op de plaats waar het loopspoor het grasland verliet en op de verharde weg de Tweehuizerweg uitkwam, was aan de andere zijde een akker gelegen.

Links van de akker, gezien vanaf de Tweehuizerweg, tussen de Tweehuizerweg en de boerderij [a-straat 1] was een paardenwei gelegen. Deze paardenwei en deze akker grensden aan de achterzijde van de boerderij aan de [a-straat 1].

Tussen de paardenwei en de akker was een afrastering welke bestond uit gaas met daarboven een prikkeldraad (schrikdraad).

Op deze akker was een vers loopspoor (schoenindrukken in het zand) zichtbaar.

De looprichting van de persoon die deze indrukken had achtergelaten was vanuit de boerderij in de richting van het grasland waar ik zojuist vandaan kwam.

Nadat ik enkele schoenindrukken had gemarkeerd, heb ik de speurhond Beau op dit loopspoor een geurspoor op laten pikken. Ik zag dat Beau kennelijk menselijke geur waarnam en dit loopspoor ging volgen in de richting van de achterzijde van de boerderij.

Het spoor liep evenwijdig aan de afrastering tussen de akker en de paardenwei.

Ter hoogte van de eerste opstal achter de boerderij speurde Beau linksaf naar de afrastering (tussen de akker en de opstallen achter de boerderij) toe. Ik zag dat hier een houten afrasteringpaal in de afrastering scheef stond. Bij nader onderzoek zag ik dat de paal los stond. Doordat deze paal scheef stond was er een ruimte ontstaan tussen het afrasteringgaas en de prikkeldraad. De prikkeldraad was hier niet aan de paal bevestigd.

Nadat Beau door deze opening was gekropen, zag ik dat zij verder speurde in de richting van een deuropening van een vervallen stal.

De afstand tussen de Tweehuizerweg en deze stal bedroeg ongeveer 170 meter.

Deze stal (ongeveer 10 meter x 5 meter) was kennelijk niet meer in gebruik. Het dak was gedeeltelijk ingezakt. In deze stal waren op de bodem in het losse zand diverse verse schoenindrukken zichtbaar.

Ik zag dat aan de andere zijde van deze stal een deuropening was die uitkwam op het erf van de boerderij.

Ik zag dat een wand van deze stal (aan de zijde van het erf) bestond uit planken en glas.

Ik zag dat een aantal van deze planken vers afgebroken waren en in de stal op de grond lagen. Via de ontstane opening kwam men ook uit op het erf van de boerderij.

Gezien vanuit deze stal kon men over het erf tussen andere stallen door het woongedeelte van de boerderij bereiken.

Op het erf trof ik nog een aantal verse schoenindrukken aan waarvan het profiel overeenkwam met het profiel van de schoenindrukken op de akker.

Op het erf tegenover de achterdeur van de boerderij trof ik in het zand een stukje grijze plakband (duck-tape) en twee zwarte tie-ribs aan.

Ik zag dat deze tie-ribs met de uiteinden aan elkaar waren bevestigd zodat er een lus was ontstaan.”

5.4.

Blijkens de inhoud van een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 april 2013 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“88. In het proces-verbaal van forensisch onderzoek is vermeld:

‘[slachtoffer 2] zag dat de dader te voet via de achterzijde van het erf het perceel verliet. Hij vervolgde zijn weg via de weilanden richting Tweehuizerweg / Heistraat.’

89. Dat is het uitgangspunt geweest van het forensisch onderzoek naar de zogenoemde loopsporen. Met dat uitgangspunt kon vervolgens een relatie worden gelegd met een gestolen Volkswagen Vento, die in de ochtenduren van 29 maart 2011 aan de Venstraat stond. De buurtbewoner [betrokkene 3] belde over die auto om 10.27 uur met de politie. Iets later, om 10.33 uur, heeft ook een andere buurtbewoner, [betrokkene 4], telefonisch contact gezocht met de politie, over dezelfde auto. De voor de hand liggende gedachte is dat de Volkswagen Vento is gebruikt als vluchtauto en dat de dader die heeft bereikt via de akkers en weilanden achter de boerderij van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2].

90. Voor die gedachte zou misschien best wel wat te zeggen zijn geweest, als het uitgangspunt juist was. Maar dat is niet het geval: het uitgangspunt klopt niet. [slachtoffer 2] heeft namelijk iets anders verklaard dan de forensisch coördinator heeft opgeschreven. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij, nadat haar man was neergeschoten, naar buiten is gevlucht en naar de achterkant van de schuur is gelopen:

‘Buiten ben ik naar de zijkant van de schuur gegaan, die naast onze woning staat. (...) Ik wou naar achteren vluchten naar een hoekje. Toen ik die kant opliep, ik liep langs de rechterkant langs die schuur, en bij de achterkant aan kwam zag ik opeens die man staan op de hoek. Ik ben meteen weer terug gerend naar voren.’

91. [slachtoffer 2] heeft dus nooit gezegd dat de dader via de achterzijde van het erf het perceel heeft verlaten en via de weilanden is gelopen in de richting van de Tweehuizerweg en de Heistraat. In zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft de forensisch coördinator [verbalisant 1] verklaard dat hij die informatie van een collega heeft gekregen, maar dat hij niet meer weet welke collega dat is geweest en dat hij die informatie ook niet heeft gecontroleerd. Dat die controle is uitgebleven, valt in hoge mate te betreuren. Omdat het uitgangspunt van zijn onderzoek gewoon niet juist is, is daarmee immers ook de basis van de daarop gebaseerde hypothese op drijfzand gebaseerd. De resultaten van zijn onderzoek moeten alleen al daarom voor het bewijs worden uitgesloten. Om in de toepasselijke terminologie te blijven: als al aan het begin het verkeerde spoor wordt gekozen, komt men nimmer meer op het goede spoor terecht.”

92. Bij dat verkeerde uitgangspunt is het niet gebleven. In het vervolg van het proces-verbaal van forensisch onderzoek is gerelateerd:

‘De schoensporen vormden een loopspoor tussen de achterdeur van de boerderij en het weiland achter het perceel.’

En:

‘Later werd door een speurhondgeleider een loopspoor aangetroffen door de weilanden heen tot aan de parkeerplaats van de gestolen Volkswagen Vento. Ik zag dat de door hem aangetroffen schoensporen (in het loopspoor door de weilanden) een soortgelijk profiel hadden als de schoenafdrukken waarvan ik op het erf gipsafvormingen had gemaakt.’

93. Twee citaten, waarin [verbalisant 1] stellingen poneert die allebei niet juist zijn. Laat ik beginnen met het door hem veronderstelde loopspoor van de boerderij naar de achterzijde van het erf. Dat veronderstelde spoor heeft hij met een rode lijn getekend op een overzichtsfoto. Maar van een loopspoor is feitelijk helemaal geen sprake geweest en die rode lijn is dus ten onrechte getrokken. Volgens [verbalisant 1] zelf waren er immers slechts vier schoenafdrukken van goede kwaliteit zichtbaar op het erf, waarvan er ook nog eens drie naar de woning toe gingen. Slechts één schoenafdruk ging, met andere woorden, van de woning af. Een ieder zal toch moeten beseffen dat het eenvoudigweg onmogelijk is om op basis van één schoenafdruk aan te nemen dat, zoals in het proces-verbaal van forensisch onderzoek is verwoord, tussen de achterdeur van de boerderij en het weiland achter het perceel een loopspoor werd gevormd door schoensporen. En het zal uw gerechtshof ook zijn opgevallen dat de plek waar de dader volgens [slachtoffer 2] heeft gestaan niet in de door [verbalisant 1] veronderstelde looproute van de dader past en dat op die door [slachtoffer 2] aangeduide plaats geen schoenafdrukken zijn gevonden die passen bij of overeenkomen met de wel aangetroffen schoenafdrukken.

94. Heeft de speurhondgeleider [verbalisant 2], die op 29 maart 2010 rond 13.30 uur ter plaatse kwam, dan wel een loopspoor aangetroffen tot aan de parkeerplaats van de Volkswagen Vento, zoals [verbalisant 1] heeft opgeschreven? Het antwoord is wederom: neen. De speurhondgeleider is bij het weiland door een collega gewezen op een vaag spoor, zo heeft hij gerelateerd. Het antwoord op de vraag of schoenafdrukken dat spoor hebben veroorzaakt, is door de speurhondgeleider gegeven in zijn verklaring van 8 maart 2013:

‘Ik kon zien dat het twee sporen waren maar kon niet vaststellen of er in een bepaalde richting was gegaan. De sporen waren naar mijn mening niet veroorzaakt door voertuigen. Er waren geen schoenafdrukken zichtbaar. (...) Met mijn opmerking in het proces-verbaal dat er een spoor zichtbaar was in de richting van de Tweehuizerweg heb ik niet bedoeld te zeggen dat de persoon die het spoor heeft veroorzaakt ook in die richting liep. Dat was niet vast te stellen.’

95. Kortom: op het weiland zijn geen schoenafdrukken gevonden. En zonder schoenafdrukken is een loopspoor gewoon ondenkbaar. Waar de speurhondgeleider op de akker van de achterzijde van de boerderij naar de Tweehuizerweg wel schoenafdrukken heeft gevonden, heeft hij die niet kunnen vaststellen op het weiland van de Tweehuizerweg naar de Venstraat. Opnieuw blijkt het onderzoek naar loopsporen te zijn gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt: er is geen loopspoor door de weilanden heen aangetroffen tot aan de parkeerplaats van de gestolen Volkswagen Vento. Ook daarom kan aan het resultaat van dat onderzoek bewijsrechtelijk geen enkele betekenis worden toegekend.

96. Er is nog een derde probleem met het onderzoek naar de loopsporen. Dat probleem heeft betrekking op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. De forensisch coördinator heeft verklaard dat gipsafdrukken zijn gemaakt van de vier schoenafdrukken van goede kwaliteit en hij heeft opgemerkt:

‘Het vergelijken van de ‘soortgelijke afdrukken’ heeft inderdaad visueel plaatsgevonden. Er heeft geen meting van de afdrukken plaatsgevonden. De vier gipsafdrukken zijn onderling vergeleken op maat en profiel. De conclusie was dat de vier afdrukken waarschijnlijk zijn gemaakt door een schoen met hetzelfde profiel. Ik weet niet of ze door de linker of de rechter schoen zijn gemaakt. Er zijn naar mijn mening geen foto's of video-opnamen beschikbaar van die zogenaamde soortgelijke afdrukken. Ik weet wel dat er in het zand in een vervallen schuur achterop het erf indrukken aanwezig waren maar er zijn geen gedetailleerde opnamen van gemaakt (foto of video).’

En:

‘Er zijn geen foto's of video-opnamen gemaakt van een loopspoor door de weilanden en de akkers. Er zijn ook geen afdrukken van die sporen gemaakt. Ik vond het niet nodig om nog meer afdrukken te maken en bovendien was de ondergrond ook niet bepaald geschikt voor het maken van afdrukken. De sporen die zichtbaar waren, waren ‘soortgelijke sporen’ van een zelfde profiel en van een mindere kwaliteit. Ik besef nu dat mijn stelling dat ze soortgelijk waren’ (...) niet achteraf meer controleerbaar is. Ik was er toentertijd van overtuigd dat die loopsporen waren gezet door hetzelfde paar schoenen.’

97. [verbalisant 1] heeft er dus bewust voor gekozen geen gipsafdrukken van sporen in de akkergrond te maken, hoewel deze sporen door de speurhondgeleider waren gemarkeerd voor gipsafdrukken. Hij was namelijk al overtuigd van zijn eigen gelijk. Maar dat gelijk van [verbalisant 1] is, zoals ik hiervoor heb aangetoond, op alleen maar verkeerde uitgangspunten gebaseerd. Zijn gelijk kan dus niet juist zijn. Bovendien heeft deze forensisch coördinator inderdaad zijn gelijk voor uw gerechtshof – en voor het openbaar ministerie en de verdediging – oncontroleerbaar gemaakt. Dat is een serieus probleem, dat niet met een beroep op de ambtseed van een opsporingsambtenaar kan worden opgelost. De waarheid behoort namelijk niet door een opsporingsambtenaar te worden vastgesteld, maar door de strafrechter. Uit de verschillende verantwoordelijkheden van opsporingsambtenaren en de rechterlijke macht vloeit noodzakelijkerwijs voort dat een opsporingsambtenaar alles wat hij of zij ter opsporing verricht of bevindt controleerbaar dient te verantwoorden en dat hij niet op de stoel van de rechter moet gaan zitten. Dat heeft [verbalisant 1] wel gedaan. Ook daarom mogen de resultaten van zijn onderzoek niet voor het bewijs worden gebruikt.

98. Ik ben nog niet klaar met het onderzoek naar de veronderstelde loopsporen. Over de conclusies die zijn getrokken op basis van zijn visuele vergelijking van de in gips gegoten schoenafdrukken, heeft de forensisch coördinator het volgende verklaard aan de hand van de door hem gemaakte foto's van de gipsafdrukken:

‘Mij wordt vervolgens gevraagd de overeenkomsten tussen de afdrukken van links naar rechts 1 en 3 te noemen. Ik moet allereerst opmerken dat de kwaliteit van de foto's niet erg goed is voor een vergelijking. Ik heb dat gedaan aan de hand van de gipsprofielen zelf en dan is er veel meer zichtbaar. Maar als ik nu naar de foto's kijk dan zijn het toch voornamelijk de ribbels aan de buitenkanten van het profiel. Ik merk ook op dat ook de hak een specifiek profiel vertoont wat met name bij de afdrukken 1, 2 en 4 zichtbaar is. Op de vraag van de raadsman of het rechthoekje in het middel van de hak ook zichtbaar is bij de afdruk 3009NL zeg ik u dat ik het daar niet duidelijk waarneem. Ik zie wel iets van een vierkantje maar ik weet niet of dat erbij past. Niet alle details die in de ene gipsafdruk zichtbaar zijn, zijn in de andere afdrukken zichtbaar.’

99. [verbalisant 1] heeft dus vier schoenafdrukken het etiket ‘goede kwaliteit’ meegegeven. Vervolgens moet hij erkennen dat in feite niet op basis van zijn onderzoek kan worden volgehouden dat die afdrukken door dezelfde schoen(en) zijn gezet. Als niet alle details van de ene afdruk ook zichtbaar zijn bij de andere afdruk, dan is die conclusie van hem immers niets meer dan speculatie. De stelling van deze forensisch coördinator is vervolgens dat vooral de ribbels aan de buitenkanten van het profiel overeenkomen. In dat verband is het goed dat uw gerechtshof nog eens de profielen van de schoenen van de ambulancechauffeur, van de schoenen van de ambulance-verpleegkundige, van de schoenen van de arts van de trauma-helikopter, van de schoenen van de verpleegkundige van de traumahelikopter en van de schoenen van de piloot van de traumahelikopter bekijkt. Die schoenen hebben namelijk ook allemaal ribbels aan de buitenkant van het profiel. En een vormpje in de hak kan bij die schoenen van de hulpverleners eveneens worden vastgesteld. Op basis van het beschikbaar gestelde materiaal, de foto's van de gipsafdrukken, kan onmogelijk worden volgehouden dat de vier afdrukken afkomstig zijn van dezelfde schoen(en) en dat de schoenen van de hulpverleners daarvoor niet in aanmerking komen.

100. Dat betekent ook dat ik bepaald niet onder de indruk ben van de schets die is gemaakt van één van de gipsafdrukken. Die schets is, als ik het goed heb begrepen, zonder resultaat voorgehouden aan deskundigen: er kon niet worden vastgesteld welke zool verantwoordelijk is voor de afdruk. Mij gaat het erom dat de gefotografeerde schoenafdrukken op geen enkele wijze lijken op de gemaakte schets. De sterretjes op de tekening, die beeldbepalend zijn, kunnen onmogelijk bij de verschillende afdrukken worden geconstateerd. De wens is ook in dit geval de vader van de gedachte geweest. Die wens was kennelijk ook sterk aanwezig, toen de verbalisant [verbalisant 1] een proces-verbaal schreef over de vergelijking van de door hem gemaakte schets met de onderzijde van een schoen die op een vakantiefoto van [verdachte] staat. Laat ik maar ronduit toegeven dat ik me over dat proces-verbaal gewoon boos heb gemaakt. De stelling van deze verbalisant dat er overeenkomsten zijn tussen de digitale uitsnede van de zool op de foto enerzijds en de door hem gemaakte schets – die dus al niet lijkt op de gefotografeerde schoenafdrukken – anderzijds, is namelijk in één woord onzinnig. Als hij niet het verschil kan zien tussen het door hem getekende sterretje en het gefotografeerde vlakje, dan is hij ongeschikt voor zijn vak.

101. Waarom heb ik zoveel aandacht besteed aan dit veronderstelde loopspoor? Omdat het onderzoek daarnaar alle kenmerken bevat van de blikvernauwing die tot strafrechtelijke ongelukken leidt in de vorm van onterechte veroordelingen. Op zichzelf is het heel begrijpelijk dat op basis van de telefoongesprekken van buurtbewoners over de gestolen Volkswagen Vento de hypothese is geformuleerd dat die auto als vluchtauto is gebruikt. Maar vervolgens is slechts gezocht – en ook nog eens uiterst oppervlakkig en oncontroleerbaar – naar een bevestiging van die hypothese, met de gedachte dat het niet nodig is dat het openbaar ministerie, de verdediging en de rechter daar zelf een oordeel over kunnen vellen. Met een globale, visuele vergelijking is volstaan, gipsafdrukken van sporen op de akkers waren niet nodig, de afdrukken lijken in details niet op elkaar maar worden toch maar als soortgelijk aangemerkt, er is een schets gemaakt die niet lijkt op de afdrukken en er is de duidelijk onjuiste stelling geponeerd dat die schets zou lijken op de onderkant van een schoen die zichtbaar is op een foto. Dat is geen gedegen onderzoek, waarvan de resultaten betrouwbaar bewijs opleveren. Dat is, helaas, slechts als broddelwerk te kwalificeren.”

5.5.

Voor de beoordeling van de klachten zijn de volgende overwegingen van het Hof uit het bestreden arrest relevant:

“B.3.1

De raadsman heeft tevens betoogd dat de resultaten van het onderzoek van verbalisant [verbalisant 1] naar loopsporen moet worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe is allereerst aangevoerd dat het uitgangspunt van zijn onderzoek, te weten dat [slachtoffer 2] heeft gezien dat de dader te voet via de achterzijde van het erf het perceel verliet en dat hij zijn weg vervolgde via de weilanden richting Tweehuizerweg/ Heistraat, niet juist is.

Het hof merkt in dat verband op dat verbalisant [verbalisant 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij de informatie omtrent de dader kort nadat hij ter plaats was van collega's had gekregen. Het hof ziet in de enkele omstandigheid dat [slachtoffer 2] nadien anders heeft verklaard op dit punt geen aanleiding om de resultaten van het onderzoek uit te sluiten van het bewijs.

Voorts is aangevoerd door de raadsman dat verbalisant [verbalisant 1] er bewust voor heeft gekozen geen gipsafdrukken van sporen in de akkergrond te maken, omdat hij al overtuigd was van zijn eigen gelijk, hetgeen zijn gelijk oncontroleerbaar maakt.

Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [verbalisant 1] verklaard:

'Er zijn geen foto's of video-opnamen gemaakt van een loopspoor door de weilanden en de akkers. Er zijn ook geen afdrukken van die sporen gemaakt. Ik vond het niet nodig om nog meer afdrukken te maken en bovendien was de ondergrond ook niet bepaald geschikt voor het maken van afdrukken. De sporen die zichtbaar waren, waren ‘soortgelijke sporen’ van een zelfde profiel en van een mindere kwaliteit. Ik besef nu dat mijn stelling dat ze ‘soortgelijk waren’ van een zelfde profiel niet achteraf meer controleerbaar is. Ik was er toentertijd van overtuigd dat die loop sporen waren gezet door hetzelfde paar schoenen.'

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen omstandigheden gebleken op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de waarneming van verbalisant [verbalisant 1] dat de sporen in de weilanden en de akkers waren gezet door hetzelfde paar schoenen. Gelet daarop ziet het hof, mede in aanmerking genomen dat [verbalisant 1] heeft verklaard dat de sporen van een mindere kwaliteit waren en de ondergrond niet geschikt was voor het maken van afdrukken, in de omstandigheid dat geen afdrukken zijn gemaakt dan ook geen aanleiding om de resultaten van het onderzoek uit te sluiten van het bewijs.

B.3.2

Uit de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] leidt het hof af dat tussen de boerderij aan de [a-straat 1] te Velp en de Venstraat te Velp, alwaar de Volkswagen Vento met kenteken [AA-00-BB] was waargenomen, sporen zichtbaar waren die door de verbalisanten zijn aangemerkt als loopsporen. Hetgeen de raadsman, naast het hiervoor onder B.3.1 weergegevene, heeft aangevoerd met betrekking tot de loopsporen kan daaraan naar het oordeel van het hof niet afdoen.”

5.6.

De eerste klacht van het middel komt op tegen de overweging van het Hof dat het in de enkele omstandigheid dat ”[slachtoffer 2] nadien anders heeft verklaard” geen reden ziet om de resultaten van het onderzoek uit te sluiten van het bewijs. Die overweging zou onbegrijpelijk zijn. Dit in de eerste plaats omdat van een “nadien” afgelegde verklaring geen sprake zou zijn. En in de tweede plaats omdat het Hof had moeten uitleggen waarom een onderzoek dat op een onjuist uitgangspunt berust voor het bewijs kan worden gebruikt.

5.7.

Ik stel voor de duidelijkheid voorop dat de gewraakte weergave in het proces-verbaal forensisch onderzoek van hetgeen [slachtoffer 2] zou hebben verklaard, door het Hof niet voor het bewijs is gebezigd. Het Hof heeft die weergave kennelijk niet voor juist gehouden. Twee andere verklaringen van [slachtoffer 2] zijn wel voor het bewijs gebruikt. Het gaat daarbij in de eerste plaats om hetgeen [slachtoffer 2] verklaarde toen zij de alarmcentrale van de politie belde (bewijsmiddel 1). Op de vraag van de centralist waar de mensen die de overval gepleegd hadden, gebleven waren, antwoordde zij:

“een man is te voet gevlucht, hij ging hier achter de schuur weg.”

Het gaat in de tweede plaats om de verklaring van [slachtoffer 2] waarop in het verweer een beroep wordt gedaan. Die verklaring zoals die voor het bewijs is gebruikt, luidt voor zover hier van belang (bewijsmiddel 6):

“Buiten ben ik naar de zijkant van de schuur gegaan, die naast onze woning staat. Omdat het snoer niet zo strak zat om mijn handen kon ik mijn handen lostrekken. Ik heb het tape van mijn mond gehaald. Dat snoer en de tape moeten nog bij de schuur liggen.

Ik wou naar achteren vluchten, naar een hoekje. Toen ik die kant opliep, ik liep langs de rechterkant langs die schuur, en bij de achterkant aan kwam zag ik opeens die man staan op de hoek. Ik ben meteen weer terug gerend naar voren.

Ik zag alleen de rug van die man. Er zijn daar stroomdraden van de paarden. Ik herkende hem aan zijn postuur en hij stond met zijn rug naar mij toe.”

Met de schuur “die naast onze woning staat”, zal [slachtoffer 2] bedoeld hebben de garage/werkplaats waarvan [verbalisant 1] in bewijsmiddel 3 spreekt en waarvan eerder in dat bewijsmiddel wordt gezegd dat die (vanaf de weg gezien) rechts naast de woning staat. Aangezien [slachtoffer 2] verklaart dat zij aan de rechterzijde van die schuur naar achteren liep, zal zij eerst om de garage zijn heengelopen, zodat zij langs de andere zijde van de garage liep dan de zijde die aan de woning grenst. Zoals met enige moeite uit de in bewijsmiddel 3 gegeven beschrijving van het erf kan worden afgeleid, liep [slachtoffer 2] aldus in de richting van de vervallen stal en de vervallen schuur die achter op het erf staan en wel – zoals een blik op de zich in het dossier bevindende plattegrond leert – vrijwel recht op de doorgang van 70 cm af die zich volgens bewijsmiddel 3 tussen die vervallen stal en die vervallen schuur bevindt en die toegang geeft tot de aan de noordwestzijde van het erf gelegen weilanden. Aangezien [slachtoffer 2] tevens verklaart dat zij de man op de rug zag en dat “daar” stroomdraden van de paarden zijn, is het mogelijk dat zij de man bij de afrastering met schrikdraad zag staan waarin zich volgens bewijsmiddel 22 achter de vervallen opstallen achterop het erf een opening bevond. Een andere mogelijkheid is dat zij de man zag staan aan de voorzijde van de vervallen schuur (aan de rechterzijde waarvan zich de paardenwei bevindt), de schuur dus waar men doorheen kon lopen om zo eveneens de bedoelde opening in de afrastering te bereiken. Beide interpretaties laten zich rijmen met [slachtoffer 2]’ verklaring tegen de centralist van de alarmcentrale dat de overvaller te voet was gevlucht “hier achter de schuur weg”, zeker als die verklaring aldus wordt opgevat – hetgeen mijns inziens voor de hand ligt – dat zij hier met “schuur” de vervallen schuur achterop het erf bedoelde. Deze verklaring bevat wellicht een element van een conclusie (namelijk dat de overvaller vanaf die schuur was “weggevlucht”), maar dan wel een conclusie die nogal voor de hand lag. Wat daarmee gezegd wil zijn, is dat het “uitgangspunt” waarop het onderzoek volgens de raadsman was gebaseerd, niet zo heel veel verschilde van wat [slachtoffer 2] in elk geval wel heeft verklaard.

5.8.

Dat de als bewijsmiddel 6 gebezigde volledige verklaring van [slachtoffer 2] eerder is afgelegd dan het moment waarop [verbalisant 1] van zijn collega’s de informatie kreeg waarop hij zich baseerde, is niet door het Hof vastgesteld en evenmin door de verdediging aangevoerd en mist derhalve feitelijke grondslag. Het gestelde lijkt me eerlijk gezegd ook weinig waarschijnlijk, in aanmerking genomen dat [verbalisant 1] kort na het overlijden van [slachtoffer 1] (om 11.05 uur) op de boerderij lijkt te zijn gearriveerd2 en dat hij de desbetreffende informatie volgens het Hof kort daarop van zijn collega’s kreeg. Waarschijnlijker lijkt mij dat de collega’s zich baseerden op hetgeen zij van de alarmcentrale te horen kregen. Van veel belang is dit overigens niet. De strekking van de overweging van het Hof lijkt mij te zijn dat het feit dat achteraf is gebleken dat [slachtoffer 2] iets anders verklaarde dan [verbalisant 1] bij de aanvang van zijn onderzoek van zijn collega’s had begrepen, geen reden vormt om de resultaten van het onderzoek van het bewijs uit te sluiten.

5.9.

Ik acht het, anders dan de steller van het middel, heel begrijpelijk dat het Hof het niet nodig heeft gevonden om uit te leggen waarom het bedoelde gegeven naar zijn oordeel geen reden oplevert om de onderzoeksresultaten terzijde te schuiven. Ik merk allereerst op dat de stelling dat de gewraakte weergave in het proces-verbaal forensisch onderzoek van hetgeen [slachtoffer 2] zou hebben verklaard, het uitgangspunt vormde van het loopsporen-onderzoek waarvan in twee andere processen-verbaal verslag wordt gedaan, mij discutabel voorkomt. Met evenveel recht kan gesteld worden dat het uitgangspunt of de hypothese zich had gevormd op basis van de constatering van verbalisant [verbalisant 3] (bewijsmiddel 19) dat zich vanaf de Venstraat, waaraan kort te voren een vermoedelijk gestolen Volkswagen Vento had gestaan, een duidelijk spoor door het grasland liep naar de boerderij waar de overval had plaatsgevonden. Met meer recht kan denk ik gesteld worden dat aan het onderzoek in elk geval aanvankelijk geen enkele hypothese ten grondslag lag en dat het sporenonderzoek op het erf eenvoudig behoorde tot het ABC van het recherchewerk dat sowieso op de plaats delict dient te worden verricht. Dat brengt mij tot de kern van de zaak. De stelling dat onderzoek alleen maar kan deugen als de hypothese juist is, mist een deugdelijke grondslag. Het ware onderzoek, wordt wel beweerd, bestaat juist uit een poging de hypothese te falsifiëren. Als dat lukt – als dus de hypothese onjuist is – wil dat niet zeggen dat de onderzoeksresultaten waardeloos zijn. Hetzelfde geldt als uit het onderzoek blijkt dat de – mogelijk op ongefundeerde vooronderstellingen gebaseerde – hypothese ‘toevallig’ wel klopt. Op de onderzoeksresultaten komt het uiteindelijk aan, niet op de hypothesen die daaraan ten grondslag liggen. Wat de opsporingsambtenaren bij hun onderzoek op de plaats delict allemaal aan al dan niet gearticuleerde scenario’s in het hoofd hebben gehad, is daarom betrekkelijk onverschillig. Of wat zij bij dat onderzoek constateren juist is, is een vraag die daarvan los staat.

5.10.

Het voorgaande laat zien dat hetgeen de raadsman aanvoerde wel met verve is gebracht, maar daarmee nog niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert. De argumentatie is allesbehalve overtuigend, zodat van een standpunt dat deugdelijk onderbouwd mag heten, geen sprake is. Dat geldt ook voor de onderdelen van het verweer waarop de overige klachten van het middel betrekking hebben. Ik wijs er in dit verband op dat de importantie van het aangevoerde beperkt is. Uit de bewijsmiddelen 16 – 21 kan worden afgeleid dat vóór en ten tijde van de overval een verlaten Volkswagen Vento geparkeerd stond op de Venweg. Dat was zo uitzonderlijk dat maar liefst twee buurtbewoners een kijkje gingen nemen. Zij zagen beiden dat het contactslot verbroken was en dat de draden eruit lagen.3 De auto was kort na de overval weggereden met één man erin.4 Nadat de Volkswagen Vento op een parkeerplaats in Oss was teruggevonden, werd de versnellingspook bemonsterd op aanwezigheid van schotresten (bewijsmiddel 34). Het onderzoek toonde een “vrijwel zekere relatie” aan tussen dat monster en een schietproces (bewijsmiddel 37). Voorts zag zowel verbalisant [verbalisant 3] als verbalisant [verbalisant 2] een loopspoor door het grasland richting de boerderij lopen. De laatste zag dat het om een dubbelspoor ging. Waar het grasland vanaf de Tweehuizerweg overging in een akker, zag verbalisant [verbalisant 2] een vers loopspoor met schoenafdrukken waaruit viel op te maken dat desbetreffende persoon vanuit de richting van de boerderij naar het grasland was gelopen. De speurhond Beau pikte een menselijk geurspoor op dat door de opening in de afrastering in de richting van de vervallen “stal” liep.5 Het komt mij voor dat er weinig rechters zijn die uit deze bewijsmiddelen, gevoegd bij de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 2] over de plaats waar zij de overvaller na de overval zag staan, niet zouden afleiden dat er een verband is tussen de overval en de Volkswagen Vento en tevens dat het loopspoor in elk geval de route aangeeft waarlangs de overvaller de boerderij had verlaten. De toegevoegde waarde van het sporenonderzoek dat [verbalisant 1] uitvoerde, is met andere woorden gering. Ook als noch in de vervallen schuur, noch op het erf verse voetsporen waren aangetroffen (bijvoorbeeld omdat overal beton was gestort), had het Hof kunnen concluderen dat de dader zich via de bedoelde route uit de voeten had gemaakt en met de Volkswagen Vento was weggereden. Ik merk daarbij op voor zover de raadsman heeft willen beweren dat alle waarnemingen, dus niet alleen die van [verbalisant 1], maar ook die van [verbalisant 3], [verbalisant 2] en speurhond Beau louter het product waren van door tunnelvisie veroorzaakte zinsbegoocheling, niet een standpunt oplevert dat zo serieus moet worden genomen dat een gemotiveerde weerlegging node kan worden gemist.

5.11.

Dit gezegd hebbende, meen ik dat ik over de overige klachten van het middel betrekkelijk kort kan zijn. De tweede klacht houdt in dat onbegrijpelijk is dat het Hof zonder nadere motiveringen voorbij is gegaan aan stellingen die in de nrs. 92-95 van de pleitnota zijn geponeerd. Ik meen dat het Hof het gestelde niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft hoeven op te vatten. De stelling dat er helemaal geen loopspoor was dat van de achterdeur van de woning naar het land achter het perceel liep omdat slechts één van de vier voetafdrukken waarvan [verbalisant 1] een gipsafdruk die kant uitging, mist een deugdelijke onderbouwing omdat [verbalisant 1] verklaart dat er meer soortgelijke voetafdrukken op het erf aanwezig waren, zij het dat die van mindere kwaliteit waren. De bewering dat het op het erf aangetroffen loopspoor niet klopt met de plaats waar [slachtoffer 2] de overvaller zag staan, mist, mede gelet op hetgeen ik hiervoor onder 5.7 opmerkte, eveneens een deugdelijke onderbouwing. Alle energie die de raadsman voorts stak in de bestrijding van de inderdaad niet geheel correcte weergave die [verbalisant 1] gaf van het onderzoek van speurhondengeleider [verbalisant 2], zal het Hof voor kennisgeving hebben aangenomen omdat het Hof zich niet op die weergave heeft gebaseerd, maar op het – in bewijsmiddel 22 weergegeven – onderzoek van [verbalisant 2] zelf. Dat de incorrecte weergave in de bewijsmiddelen is blijven staan, is kennelijk omdat het hier gaat om een inleiding op de bevinding van [verbalisant 1] dat de door [verbalisant 2] aangetroffen voetafdrukken een soortgelijk profiel hadden als de voetafdrukken op het erf. Erkend kan worden dat [verbalisant 1], door te spreken van “aangetroffen schoensporen (in het loopspoor door de weilanden)” zich weinig precies uitdrukte, maar het Hof, dat als gezegd afging op hetgeen [verbalisant 2] zelf verklaarde, zal als goede verstaander hebben begrepen dat met “weilanden” in de tussen haakjes geplaatste zinsnede “landerijen” werden bedoeld en in die zinsnede dus niet gelezen hebben dat de door [verbalisant 2] gevonden voetafdrukken zich bevonden op het gedeelte van het spoor dat door grasland liep.6 Aan de begrijpelijkheid van de motivering doet de ongelukkig uitgevallen woordkeus van [verbalisant 1] dus geen afbreuk.

5.12.

De derde klacht van het middel houdt in dat onbegrijpelijk is dat het Hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan het in de nrs. 96-97 van de pleitnota ontvouwde betoog dat de bevindingen van [verbalisant 1] oncontroleerbaar zijn omdat hij heeft nagelaten (meer) gipsafdrukken en/of foto/video-opnamen te maken van de gevonden voetsporen. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat [verbalisant 1] verklaart dat zich in het grasland voetafdrukken bevonden die in de richting van de Venstraat wezen, berust de klacht weer op een andere uitleg van het desbetreffende proces-verbaal dan het Hof daaraan kennelijk heeft gegeven. Het Hof zal daarin enkel hebben gelezen dat de voetafdrukken die [verbalisant 2] in de akker aantrof, soortgelijk waren aan de voetsporen die [verbalisant 1] op het erf had gevonden. Gelet daarop is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft volstaan met de overweging dat het aangevoerde geen reden oplevert om te twijfelen aan de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1]. Ik merk daarbij op dat ook [verbalisant 2] verklaart dat de voetafdrukken op het erf soortgelijk waren aan de voetafdrukken op de akker.

5.13.

De vierde klacht van het middel houdt in dat onbegrijpelijk is dat het Hof niet specifiek is ingegaan op het betoog in de nrs. 98-101 van de pleitnota dat op basis van een visuele vergelijking van de foto’s van de gipsafdrukken geen conclusies kunnen worden getrokken, mede omdat ook de schoenen van de verpleegkundigen, de arts, de chauffeur van de ambulance en de piloot van de traumahelikopter een profiel met ribbels hadden. Erg klemmend is deze argumentatie weer niet, in aanmerking genomen dat [verbalisant 1] verklaarde dat hij zich niet had gebaseerd op de foto’s, maar op de gipsafdrukken zelf (die veel duidelijker waren) en dat niet is aangevoerd dat de bedoelde andere personen achterop het erf (waar zij niets te zoeken hadden) zijn geweest. Het is daarom, ook als de bewering over de ribbels onder de andere schoenen niet uit de lucht gegrepen is, niet onbegrijpelijk dat het Hof niet apart aandacht aan dit onderdeel van de argumentatie heeft besteed.

5.14.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt over ’s Hofs verwerping van een verweer van de verdediging met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van de resultaten van schotrestenonderzoek.

6.2.

De resultaten van het bedoelde onderzoek zijn neergelegd in een als bewijsmiddel 37 voor het bewijs gebezigd rapport van het NFI. Het gaat daarbij om een vergelijking van de schotresten aangetroffen op de spencer van het slachtoffer [slachtoffer 1] en de schotresten in het monster dat is genomen van de versnellingspook van de Volkswagen Vento. De conclusie luidt als volgt:

“Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de stub [AABA2561NL], waarmee de versnellingspook van de VW Vento is bemonsterd, en een schietproces.

Uit het vergelijkend schotrestenonderzoek tussen de bemonstering van de VW Vento en de beschadigingen in de spencer van het slachtoffer kan het volgende worden geconcludeerd:

het palet van de deeltjes op de bemonstering van de VW Vento kan passen bij het palet van de deeltjes aangetroffen op de bemonsteringen van de beschadigingen in de spencer [AABS3002NL] van het slachtoffer [slachtoffer 1].”

6.3.

Blijkens de inhoud van een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 april 2013 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“121. Voor zover nog een beroep door het openbaar ministerie zou worden gedaan op de resultaten van het onderzoek naar schotresten in de Volkswagen Vento,149 meen ik te kunnen volstaan met twee citaten. De deskundige Roepnarain heeft op 5 februari 2013 verklaard over het feit dat deeltjes GdTiZn zijn aangetroffen op de versnellingspook en de tunnelbak / handrem van de Volkswagen Vento:

‘We hebben tot nu toe in de zaken die we bij het NFl hebben gedaan geen GdTiZn deeltjes aangetroffen buiten het gebruik van munitie door de politie. De contaminatie zou in dit geval kunnen zijn veroorzaakt door aanraking van de bemonsterde delen in de auto met een voorwerp of een hand waarop deze deeltjes aanwezig waren. Het is wel zo dat er bij de politie een soort beroepsmatige contaminatie aanwezig is. Dan zijn het meestal de wapendragende politieambtenaren die schotresten aan hun handen of kleding hebben. We kunnen in dit onderzoek niet uitsluiten dat ook andere deeltjes die zijn aangetroffen, zowel categorie A als categorie B, door contaminatie zijn overgebracht op de bemonsterde delen van de auto.’

122. In de verklaring van de forensisch onderzoeker Joosten is de oorzaak van de contaminatie op tafel gekomen:

‘Er is kort nadat de resultaten van het NFl bekend waren geworden over die contaminatie gesproken. Het zou kunnen zijn veroorzaakt door de geüniformeerde collega's die de auto hadden aangetroffen. Ik weet niet of daadwerkelijk is onderzocht of zij in contact zijn geweest met de plaatsen in het voertuig waar de markers zijn aangetroffen. Het is dus meer een veronderstelling geweest. Recent is informatie verkregen dat de contaminatie mogelijk een andere oorzaak heeft. De onderzoeksruimte waarin de Vento is onderzocht is een ruimte waar langs het plafond een afvoerkanaal loopt van de naastgelegen schietbaan. Deze schietbaan is bij de politie in gebruik en daar wordt dus met politiemunitie geschoten. (...) Bij recent onderzoek in de onderzoeksruimte is gebleken dat er op de vloer en op een gordijn markers van politiemunitie zijn aangetroffen. Het NFl heeft na onderzoek vastgesteld dat de filters die worden gebruikt in de politieschietbaan niet voldoende zijn om kleine munitiedeeltjes, waaronder de politiemarker, uit de lucht te filteren.’

123. De geconstateerde contaminatie maakt duidelijk dat aan de munitiedeeltjes die in de Volkswagen Vento zijn aangetroffen geen bewijskracht toekomt. Die deeltjes kunnen afkomstig zijn van de politieschietbaan die ongelukkigerwijs in verbinding heeft gestaan met de ruimte waarin de auto is onderzocht.”

6.4.

Het Hof heeft met betrekking tot het door het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“B.6

Met betrekking tot het onderzoek naar schotresten in de Volkswagen Vento heeft de raadsman opgemerkt dat aan de munitiedeeltjes die in de Volkswagen Vento zijn aangetroffen geen bewijskracht toekomt, aangezien die deeltjes gelet op de geconstateerde contaminatie afkomstig kunnen zijn van de politieschietbaan. Ten aanzien van de munitiedeeltjes op de versnellingspook van de Volkswagen Vento is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting evenwel niet van contaminatie gebleken, zodat het hof het schotrestenonderzoek aan de Volkswagen Vento in zoverre wel tot het bewijs bezigt.”

6.5.

Volgens de toelichting op het middel is dit oordeel onbegrijpelijk omdat uit de verklaring van de deskundige Roepnarain blijkt dat wel degelijk contaminatie heeft plaatsgevonden met de bedoelde GdTiZn deeltjes en dat deze deskundige bovendien heeft verklaard dat contaminatie met andere deeltjes niet kan worden uitgesloten.

6.6.

Dat in casu sprake is geweest van contaminatie kon, zo begrijp ik, met zekerheid worden vastgesteld omdat GdTiZn (Gadolineum/Titanium/Zink) deeltjes zijn aangetroffen die – zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld – kenmerkend zijn voor (gemarkeerde) politiemunitie. Juist omdat op grond daarvan duidelijk is welke sporen in het monster aan contaminatie moeten worden toegeschreven, staat de geconstateerde contaminatie niet in de weg aan een betrouwbare vergelijking van de samenstelling van de schotresten op de versnellingspook en de spencer van het slachtoffer. De geconstateerde overeenkomst kan anders gezegd niet door de contaminatie zijn veroorzaakt.7 Gelet daarop zal het Hof niet hebben bedoeld dat in weerwil van de verklaring van Roepnarain niet van contaminatie van de versnellingspook met de bedoelde deeltjes is gebleken, maar dat niet gebleken is van contaminatie met andere deeltjes (in het bijzonder niet van contaminatie met deeltjes die afkomstig zijn van dezelfde munitie als waarmee het slachtoffer is beschoten). Dat het onderzoek van het NFI dergelijke contaminatie niet kan uitsluiten, is uiteraard waar, maar maakt het oordeel van het Hof dat aan die louter theoretische mogelijkheid voorbij kan worden gegaan, niet onbegrijpelijk.

6.7.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel klaagt over ’s Hofs verwerping van een verweer van de verdediging met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van een onderzoeksrapport van het NFI.

7.2.

Dit rapport heeft betrekking op de vraag of de kogels waarmee het slachtoffer [slachtoffer 1] is doodgeschoten, kunnen zijn afgevuurd met een Russische legerrevolver van het merk Nagant, model 1895. Dat is van belang omdat uit andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte over dergelijke revolvers beschikte (zie de bewijsmiddelen 43-46 en vooral bewijsmiddel 73). Voor de beoordeling van het middel zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang.8

“38. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL]

Deze drie lodenkogels hebben een massa van respectievelijk 5,42, 5,46 en 5,40 gram.

Gezien deze massa's en de uiterlijke kenmerken passen de kogels het best bij de kalibers .32 Smith &Wesson (.32 S&W) en .32 Smith &Wesson Long (.32 S&W Long).

Gezien de uiterlijke kenmerken passen de kogels bij patronen van het merk Fiocchi.

Voor de drie kogels zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De kogels zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop.

Hypothese 2: De kogels zijn afgevuurd uit twee of meer lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de sporen in de kogels is gebleken dat de kraslijnen in de groeven voor een deel aansluitingen vormen. De waarneming dat de kraslijnen tussen de kogels deels aansluiten past goed bij de hypothese dat zij afgevuurd zijn uit dezelfde loop (hypothese 1). Op basis van de structuur van de kraslijnen en de mate van overeenkomst zijn deze sporen als kenmerkend voor de loop van het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Er is daarom slechts een kleine kans om deze mate van aansluiting waar te nemen als de kogels zijn afgevuurd uit twee of meer lopen (hypothese 2).

De bevindingen van het vergelijkend kogel onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

39. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4], voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 22 februari 2010 werd mij ter beoordeling een voorwerp voorgelegd dat op 21 februari 2010 door medewerkers van de regiopolitie Brabant-Noord werd in beslag genomen onder de verdachte [betrokkene 2].

Het onder voornoemde verdachte in beslag genomen voorwerp is een holster, bruin van kleur, met daarin een revolver. Op het holster zit een apart tasje voor munitie. In dit tasje bevinden zich 10 kogelpatronen en twee hulzen.

1. Revolver:

Het voorwerp is een revolver in Rusland vervaardigd, van het merk Nagant, model 1895, kaliber 7.62mm Nagant, centraalvuur. Naast het kaliber 7,62mm Nagant kan men er ook de kalibers .32 S&W long en .32 H&R Magnum mee verschieten.

2. Munitie:

Het had een totaal van 12 stuks munitie en/of munitiedelen, te weten:

- 10 stuks kogelpatronen van het merk GFL, kaliber .32SW, centraalvuur,

- 2 stuks hulzen van het merk GFL, kaliber .32 SW, centraalvuur.

De 10 stuks bovenomschreven kogelpatronen zijn geschikt om te worden verschoten met bovenomschreven vuurwapen.

40. Het proces-verbaal betreffende het forensisch onderzoek naar aanleiding van een gewelddadige dood in een woning aan de [a-straat 1] te Velp, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Bij [betrokkene 2] werd een revolver (merk Nagant) met bijbehorende munitie in beslag genomen. Op verzoek van het tactisch team werd de munitie behorende bij dit wapen naar het NFl verzonden teneinde te laten onderzoeken of dit overeenkwam met de munitie waarmee het slachtoffer werd doodgeschoten.

Op 1 juni 2010 werd het NFl verzocht te onderzoeken:

SIN Omschrijving van stukken van overtuiging

AABS3871NL 10 patronen .32 uit zaak 22-02-2010 IBG [betrokkene 2]

41. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Patronen [AABS3871NL]

Deze tien patronen zijn voorzien van het bodemstempel CF.L. 32 S.W. Gezien dit bodemstempel en de afmetingen zijn de patronen van het kaliber .32 Smith &Wesson (.32 S&W). De letters 'G.F.L.' duiden op het munitiemerk Fiocchi.

De patronen [AABS387INL] zijn voorzien van een loden rondkop kogel. Eén van de patronen is gedemonteerd ontvangen. De massa van de kogel van deze patroon is 5,5 gram. De afmetingen, vorm en kenmerken van kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] komen overeen met de kogels van de patronen [AABS3871NL]. Gezien het overeenkomen van de uiterlijke kenmerken zijn de kogels afkomstig van hetzelfde kaliber, merk en type patronen.

Om te onderzoeken of de afvuursporen in de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] beter passen bij de afvuursporen van een Nagant M1895 revolver of een .32 S&W revolver worden de proefschoten vergeleken met de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL]. De volgende hypothesen werden beschouwd:

Hypothese 1: De kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] zijn afgevuurd uit een loop van een Nagant Ml895 revolver.

Hypothese 2: De kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] zijn afgevuurd uit een loop van een .32 revolver.

Het verschieten van de patronen [AABS3871NL] met de Nagant M1895 revolver vertoonde afvuursporen die licht afwijken van een gebruikelijk afvuursporenbeeld. De groeven in de kogel tekenen niet overal even scherp af en er bevind zich vaak een groot slipspoor aan de voorzijde van de groeven.

De afvuursporen in de kogels verschoten uit de .32 S&W revolvers vertonen een gebruikelijk afvuursporenbeeld. Duidelijk afgetekende groeven en soms een kort slip spoor.

De afvuursporen in de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] lijken meer op de sporen in de kogels verschoten uit de Nagant M1895 revolver dan op die uit de .32 S&W revolvers.

De waargenomen mate van slip in de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] past beter bij de proefkogels verschoten met de Nagant M1895 revolver dan bij die uit de .32 S&W revolvers. De resultaten geven dan ook meer steun aan hypothese 1 dan aan 2.

In de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] zijn vier naar rechts draaiende groeven met een breedte van ongeveer 2,0 mm aangetroffen. Deze systeemkenmerken komen overeen met Nagant M1895 revolvers bekend bij NFl. Op het NFl zijn de systeemsporen bekend van circa 300 .32 revolvers. Het betreft verschillende merken en modellen. Hier zit geen revolver bij met vier naar rechts draaiende trekken en velden, met een veldbreedte van ongeveer 2,0 mm. Ook dit resultaat geeft meer steun aan hypothese 1 dan aan hypothese 2.

42. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het lood van de drie kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL], van de overval in Velp en de tien kogels van de patronen [AABS3871NL], uit het bezit van [betrokkene 2], is onderzocht.

De onderzochte chemische kenmerken van de kogels [AABU4964NL, AABU4965NL en/of AABR6453NL] van de overval in Velp komen overeen met zeven van de tien kogels van de patronen [AABS387INL], uit het bezit van [betrokkene 2]. Het chemisch onderzoek vormt een bevestiging van de bevindingen van het eerdere munitieonderzoek dat de drie kogels van het kaliber .32 S&W en het merk Fiocchi zijn.

In het rapport van 29 juni 2010 is met betrekking tot het gebruikte wapen geconcludeerd dat de bevindingen aan de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] waarschijnlijker zijn als gebruik is gemaakt van een Nagant revolver dan als gebruik is gemaakt van een .32 revolver. Hier is nader onderzoek aan verricht.

Het NFl beschikt over gegevens van 585 verschillende wapens waarmee .32 S&W patronen kunnen worden verschoten. In deze database wordt één wapen genoemd waarmee .32 S&W patronen kunnen worden verschoten en dat dezelfde systeemsporen heeft als een Nagant revolver. Het zou gaan om een semi-automatisch pistool van Russische makelij. Een dergelijk wapen is voor zover bekend nog nooit op het NFl ter onderzoek aangeboden. Het bestaan ervan kon ook niet met andere documentatie van het NFl bevestigd worden. Dit is een indicatie dat het bewuste pistool zeldzaam is. Het is ook mogelijk dat het bewuste wapen niet bestaat en het een foutieve invoer in de database betreft. Verder passen de sporen in de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] beter bij een revolver dan bij een semi-automatisch pistool. Ook het feit dat geen hulzen na de overval zijn aangetroffen past beter bij een revolver dan bij een semi-automatisch pistool.

Gezien de combinatie van de resultaten van het eerder verrichte onderzoek naar de uiterlijke kenmerken en van het chemisch onderzoek zijn de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL], naar mijn stellige overtuiging, afkomstig van patronen van het kaliber .32 S&W, merk Fiocchi. Ook ben ik er stellig van overtuigd dat de kogels zijn verschoten uit een Nagant revolver. De bevindingen van de gecombineerde onderzoeken kunnen daarom worden samengevat als: ‘Naar mijn stellige overtuiging zijn de kogels [AABR6453NL, AABU4964NL en AABU4965NL] van het kaliber .32 S&W, merk Fiocchi en verschoten met een Nagant revolver’.”

1.1.

Blijkens de inhoud van een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 april 2013 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“129. Aan de resultaten van het onderzoek naar de chemische kenmerken kan dus geen bewijs worden ontleend. Kerkhoff is in zijn rapport van 18 maart 2011 evenwel verder gegaan. Hij heeft ook onderzoek gedaan naar de combinatie van het wapen Nagant en de munitie .32 Smith & Wesson, merk Fiocchi. Daaruit is gebleken in Nederland, België en Nordrein-Wesfalen in de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2010 in totaal 1162 verschillende combinaties van vuurwapens en munitie zijn onderzocht. De combinatie van een Nagant revolver met .32 S&W munitie van het merk Fiocchi kwam niet voor.

130. Het is vooral die bevinding geweest die Kerkhoff heeft gebracht tot de volgende conclusie:

‘Naar mijn stellige overtuiging zijn de kogels (...) van het kaliber .32 S&W, merk Fiocchi en verschoten met een Nagant revolver.’

131. Maar juist op die stellige overtuiging valt het nodige af te dingen. Zij is namelijk gebaseerd op een te beperkt onderzoek en op niets meer dan een gevoel van deze deskundige. Het onderzoek van Kerkhoff is te beperkt geweest, omdat hij geen rekening heeft gehouden met een aantal belangrijke gegevens die in een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] zijn opgetekend. De Nagant revolver kent bijvoorbeeld twee modellen van het kaliber 7.62 mm: het model 1895 en het model 1910. Die modellen verschillen wezenlijk van elkaar. De Nagant 1895 heeft een niet verwijderbare trommel, de Nagant 1910 heeft een trommel die naar rechts uit het frame zwenkt. Daarnaast blijkt dat de Nagant revolver is nagebouwd door de fabrikanten ‘Le Page’ en Pieper.

132. Kerkhoff heeft deze gegevens niet meegenomen in zijn onderzoek. Op 5 februari 2013 heeft hij daarover het volgende verklaard:

‘Het is juist dat ik bij mijn onderzoek niet heb betrokken de Nagant wapens die door anderen zouden zijn nagebouwd. Ik heb mij gericht op de Russische Nagant en ik heb niet specifiek een jaartal erbij genoemd. Ik heb in mijn vraagstelling aan mijn buitenlandse collega's in Duitsland en België naar het kaliber 7.62 mm Nagant slechts deze gegevens opgenomen. In de introductie op de vraagstelling heb ik aangegeven dat er vermoedelijk sprake was van een Russische leger revolver van het merk Nagant. Ik heb me bij het onderzoek gericht op deze Russische wapens omdat mij bekend was dat in die tijd die wapens in het onderzoeksgebied verspreid waren. In het Duitse antwoord is aangegeven dat ze geen wapens hebben aangetroffen van dat kaliber. In het Belgische antwoord is aangegeven dat ze zes wapens hebben onderzocht van het kaliber 7.62 mm Nagant. En ze hebben daarbij aangegeven dat het ging om Russische makelij. Ik weet niet of er verschillen zijn tussen de Nagant 1895 revolver en de nagebootste Nagant.’

133. Omdat Nagant revolvers zijn nagebootst door andere fabrikanten, was het vanzelfsprekend van belang na te gaan of de combinatie van kogelpatronen .32 S&W, merk Fiocchi met die nagebouwde revolvers wel in de onderzochte periode en in het onderzoeksgebied zijn voorgekomen. Omdat Kerkhoff dat onderzoek niet heeft verricht, kan aan zijn ‘stellige overtuiging’ geen waarde worden toegekend.

134. En bovendien heeft Kerkhoff zijn overtuiging uiteindelijk op niets meer dan op zijn gevoel kunnen baseren. Daarover heeft hij op 5 februari 2013 het volgende verklaard:

‘(...) Op pagina 11 van het rapport gebruik ik de waardering ‘stellig van overtuigd' met betrekking tot het verschieten van de kogels uit een Nagant revolver. Ik weet dat Pieper in zijn rapport spreekt over ‘waarschijnlijker’ dat zijn bevindingen passen bij hypothese 1 en dat hij daarbij niet een hogere graad van waarschijnlijkheid noemt. Ik heb bij mijn onderzoek meer elementen betrokken waardoor ik tot die stellige overtuiging ben gekomen. Ik heb daarbij allereerst mijn gevoel betrokken wat ontstaan is tijdens het onderzoek. Voorts kan ik melden dat een gebruik van dit wapen (een .32 revolver) bij een schietincident als zeldzaam moet worden aangemerkt. Een revolver van het type 7.62 Nagant komt wel regelmatig voor bij een schietincident. De bevindingen van de heer Pieper in combinatie met mijn bevindingen dat revolvers van het kaliber .32 S&W zeer zeldzaam voorkomen brengen mij tot de conclusie dat ik er stellig van overtuigd ben dat de kogels zijn verschoten met een Nagant revolver. Dat is mijn persoonlijke overtuiging waar geen wiskundige berekening aan ten grondslag ligt.’

135. Een deskundige moet volgens de wet een verslag uitbrengen waarin hij duidelijk maakt welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van die methode. Daarmee heeft de wetgever – in navolging van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria – vastgelegd dat moet worden voorkomen dat ‘het gevoel’ van een deskundige de uitkomst van zijn onderzoek bepaalt. Kerkhoff heeft laten zien dat hij zich die basisregels van deskundigenonderzoek niet eigen heeft gemaakt. Door zijn gevoel te betrekken in de formulering van zijn conclusies heeft hij zich gediskwalificeerd als deskundige. Ook daarom kan aan zijn rapport geen bewijswaarde worden toegekend.

136. Uiteindelijk kan dus niet meer worden vastgesteld dan hetgeen de deskundige Pieper heeft gedaan: het is waarschijnlijker dat de kogels die [slachtoffer 1] dodelijk hebben getroffen, zijn afgevuurd met een Nagant 1895 revolver dan met een .32 revolver. Die terughoudende conclusie maakt dat niet kan worden vastgesteld dat is geschoten met een Nagant revolver.

(…)

144. Ik kom toe aan mijn laatste opmerkingen over dit onderwerp. Die houden verband met de vaststelling dat Nagant revolvers in België vrij kunnen worden gekocht en daar in grote aantallen te koop worden aangeboden.172 Dat betekent dat veel mensen de beschikking kunnen hebben over dat wapen. Ik wijs erop dat alleen al in de periode van april 2010 tot en met december 2011 20 revolvers Nagant 1895 door het NFl voor onderzoek zijn ontvangen. Die revolvers zijn bij even zovele schietincidenten gebruikt. Dat maakt duidelijk dat het een kennelijk veel gebruikt vuurwapen is. Dat zou er ook voor hebben gepleit dat Kerkhoff in zijn onderzoek de legale verspreiding (vanuit België) had betrokken. Dat heeft hij niet gedaan:

‘Ik heb geen gericht onderzoek gedaan naar de legale verspreiding van Nagant revolvers. Ik heb de legale wapenbezitters buiten het onderzoek gelaten omdat ik van de hypothese ben uitgegaan dat bij deze bezitters weinig of geen combinaties zullen worden aangetroffen van de Nagant revolver met niet-originele munitie. De legale schutter zal ook de meest geschikte munitie voor zijn wapen aanschaffen. Ik had dat onderzoek wel kunnen doen maar daarmee zou ik, is mijn overtuiging, de zeldzaamheid van de combinatie wapen / munitie in een grotere populatie oneigenlijk vergroten. De juistheid van de hiervoor genoemde hypothese heb ik niet onderzocht.’

145. Dat is nog eens in de kern het probleem van het onderzoek van Kerkhoff en van de door hem gepresenteerde bevindingen. Hij is uitgegaan van allerlei hypotheses, waarvan hij de juistheid niet heeft onderzocht. Op dergelijke bevindingen kan, vanzelfsprekend, geen bewezenverklaring worden gebaseerd.

146. Omdat de bevindingen van Pieper niet eenduidig wijzen op het gebruik van een Nagant revolver bij de overval in Velp, omdat Kerkhoff slechts is uitgegaan van gevoelens en niet nader onderzochte hypotheses en zich daarmee heeft gediskwalificeerd als deskundige, omdat alleen [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] de beschikking had over Nagant revolvers en omdat zelfs op basis van de verklaringen van [betrokkene 2] niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] op 29 maart 2010 nog de beschikking had over zo'n revolver en de gebruikte munitie, kan eenvoudigweg aan dit onderzoeksmateriaal geen voor [verdachte] belastende conclusie worden verbonden.”

1.2.

Het Hof heeft met betrekking tot het door het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“B.7

De raadsman heeft gesteld dat aan het rapport van de deskundige Kerkhoff geen bewijswaarde kan worden toegekend, omdat zijn stellige overtuiging dat de kogels kaliber .32 S&W, merk Fiocchi zijn en verschoten zijn met een Nagant revolver gebaseerd is op een te beperkt onderzoek en op niets meer dan een gevoel van deze deskundige en hij zich aldus heeft gediskwalificeerd als deskundige.

Het hof merkt in dat verband allereerst op dat een deskundige zijn verslag dient te baseren op wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is en dat de deskundige naar waarheid, volledig en naar beste inzicht verslag dient uit te brengen. Naar het oordeel van het hof heeft Kerkhoff door bij zijn stellige overtuiging te betrekken het gevoel dat bij hem ontstaan is tijdens het onderzoek naar beste inzicht verslag uitgebracht. Naar het oordeel van het hof is Kerkhoff dan ook niet buiten zijn taak als deskundige getreden. Daarnaast is het hof, gelet op de inhoud van het rapport, niet van oordeel dat aan de conclusie van Kerkhoff een te beperkt onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Het hof bezigt het rapport van Kerkhoff dan ook tot het bewijs.”

1.3.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat onbegrijpelijk is dat het Hof onder de enkele verwijzing naar de inhoud van het rapport oordeelt dat van een te beperkt onderzoek geen sprake is geweest. Voorts wordt herhaalt dat een deskundige zijn conclusies niet dient te baseren op zijn gevoel.

1.4.

Ik begin met de eerste klacht. Ik stel daarbij voorop dat het feit dat een onderzoek uitgebreider had gekund, nog niet wil zeggen dat het te beperkt is om conclusies uit te trekken. Ik merk voorts op dat, zoals uit punt 132 van de pleitnota blijkt, de deskundige Kerkhoff bij de R.C verklaart dat hij geen jaartal aan zijn collega’s heeft genoemd, zodat de stelling dat de Nagant 1910 niet in het onderzoek is betrokken een deugdelijke onderbouwing ontbeert. Daar komt bij dat de raadsman aanvoerde dat de Nagant 1910 wezenlijk verschilt van de Nagant 1895, hetgeen het – zou ik zeggen – juist niet waarschijnlijk maakt dat met de Nagant 1910 afgeschoten kogels die afkomstig zijn van patronen van het onderzochte kaliber en merk hetzelfde (ongebruikelijke) sporenbeeld vertonen als dergelijke kogels die zijn afgeschoten met een Nagant 1895. Ook zie ik niet goed wat een onderzoek naar de legale verspreiding van Nagant revolvers aan de conclusie kan toevoegen. Van de mate van verspreiding van een revolver hangt het sporenbeeld dat daarmee verschoten kogels vertonen, niet af. Evenmin van de al dan niet legale status van de revolver. Wat overblijft, is het verweer dat nagemaakte Nagant revolvers niet in het onderzoek zijn betrokken. De kans dat die nagemaakte revolvers, juist omdat ze zijn nagemaakt, hetzelfde sporenbeeld te zien geven, lijkt mij niet denkbeeldig. Of dit een groot manco is, hangt mee af van de mate van verspreiding van deze namaakrevolvers. Of tot de 585 verschillende wapens waarvan in bewijsmiddel 42 sprake is, ook namaak Nagants van Le Page en Pieper behoren, is niet duidelijk. Als dat het geval is, kan worden geconcludeerd dat deze namaakwapens een ander sporenpatroon genereren dan het originele wapen als het om daarmee afgeschoten munitie .32 S&W, merk Fiocchi gaat. Als dat niet het geval is, vormt dat een aanwijzing dat de namaak Nagant niet veel voorkomt. Gelet op dit alles acht ik het oordeel van het Hof dat het onderzoek niet te beperkt is geweest, niet onbegrijpelijk.

1.5.

Wat het beroep betreft dat de deskundige deed op zijn gevoel, versta ik de overwegingen van het Hof aldus dat de uitlatingen van deze deskundige zo moeten worden begrepen dat hij zich ervan bewust is geweest dat aan de vorming van zijn overtuiging geen wiskundige berekening ten grondslag ligt en dat daarbij niet hard te maken en in die zin subjectieve waarderingen een rol spelen. Aldus kan niet gezegd worden dat de deskundige zich heeft gediskwalificeerd. Het Hof zal voorts de overtuiging die zich aldus bij de deskundige heeft gevormd, niet ten grondslag hebben gelegd aan zijn eigen oordeel, maar die overtuiging tot de zijne hebben gemaakt. Aldus beschouwd, getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

1.6.

Ik laat niet onvermeld dat ik dit laatste niet zonder aarzeling heb opgeschreven. Dat komt vooral doordat mij de relevantie voor de vraagstelling ontgaat van het door de deskundige Kerkhoff verrichte onderzoek naar de frequentie van de combinatie Nagant met munitie .32 S&W, merk Fiocchi. Dat die combinatie bij schietincidenten zelden of nooit voorkomt, maakt het op zich juist niet waarschijnlijk dat die - immers zeldzame - combinatie zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan. Het komt mij voor dat de frequentie waarmee de bedoelde combinatie zich voordoet, niets zegt over de vraag waarom het gaat, namelijk of er andere wapens zijn die, als daarmee de bedoelde munitie wordt verschoten, hetzelfde ongebruikelijke sporenbeeld teweegbrengen. Het lijkt er dus op dat de deskundige zich in dit geval door onzuivere argumenten heeft laten leiden en dat de toegevoegde waarde van zijn rapport ten opzichte van het rapport dat de deskundige Pieper uitbracht, dus inderdaad gering is.9

1.7.

Nu klaagt het middel hier niet over. Integendeel, zou ik haast zeggen. De klacht is juist dat het onderzoek naar de frequentie te beperkt is geweest. De doorslag geeft voor mij dat ’s Hofs overtuiging dat de dodelijke schoten met een Nagant 1895 zijn gelost, niet alleen op het deskundigenonderzoek is gebaseerd, maar ook op de ook in dit opzicht zeer belastende OVC-gesprekken (zie de bewijsmiddelen 82-88). Ik wijs slechts op bewijsmiddel 87 waarin de vriendin van verdachte bij herhaling zegt dat “het” (de moord in Velp) met hetzelfde wapen is gebeurd als het wapen dat onder [betrokkene 2] in beslag is genomen.10 Aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering in haar geheel doet het gesignaleerde gebrek dan ook niet wezenlijk afbreuk.

1.8.

Het middel faalt.

2. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

3. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

4. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Letterlijk zei de raadsman dat het “mij” volstrekt duidelijk is dat herkenning onmogelijk is. Aan een subjectieve opvatting van de raadsman kan het Hof voorbijgaan.

2 Zie het begin van bewijsmiddel 3 in samenhang met bewijsmiddel 2. [verbalisant 1] c.s. verklaren dat [slachtoffer 1] bij aankomst “inmiddels” bleek te zijn overleden. [verbalisant 1] was degene die het lijk in beslag nam.

3 Bewijsmiddel 25 bevestigt dat de auto gestolen was.

4 De auto was om ongeveer 10.40 uur vertrokken (bewijsmiddel 19, zie ook slot bewijsmiddel 20), terwijl [slachtoffer 2] de politie om 10.38 uur alarmeerde. De afstand van de plaats waar de auto had gestaan tot aan de boerderij bedroeg in totaal 545 meter (bewijsmiddel 22).

5 Met “stal” doelde [verbalisant 2] mede gelet op de vermelde afmetingen vermoedelijk op de vervallen schuur die volgens bewijsmiddel 3 rechts naast de vervallen stal stond.

6 Al moet erkend worden dat ook het Hof zich onder B.3.1 ongelukkig uitdrukt door te stellen dat het geen reden ziet om te twijfelen aan de “waarneming van verbalisant [verbalisant 1] dat de sporen in de weilanden en de akkers waren gezet door hetzelfde paar schoenen”. Dat de sporen in de weilanden waren gezet door hetzelfde paar schoenen, kan gezien de kwaliteit van die sporen niet door [verbalisant 1] zijn waargenomen. Het gaat in zoverre om een conclusie van de verbalisant (getrokken omdat het om een doorlopend spoor ging), die het Hof tot de zijne heeft gemaakt. Aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering doet deze kleine misslag niet af.

7 Een blik achter de papieren muur leert dat de onderzoeker (Roepnarain) bij de R.C. verklaarde dat het juist is dat op de kleding en het lichaam van het slachtoffer geen GdTiZn-deeltjes zijn aangetroffen.

8 De hieronder aangehaalde bewijsmiddelen 41 en 42 betreffen rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut die zijn opgemaakt door, respectievelijk, P. Pieper en W. Kerkhoff, beiden NFI-deskundige wapens en munitie.

9 Kennisneming van het zich bij de stukken bevindende rapport van Kerkhoff leert dat Kerkhoff heeft onderzocht of de hypothese dat is geschoten met een wapen dat afkomstig was van de verdachte waarschijnlijker is dan de hypothese dat met een willekeurig ander wapen is geschoten. Bij de beantwoording van die vraag betrok de onderzoeker de verklaring van [betrokkene 2] dat de verdachte over Nagant revolvers beschikte en achtte hij tevens relevant of de verdachte nog over wapens van een ander type beschikte. Aldus beantwoordde Kerkhoff een heel andere vraag dan zijn collega Pieper in het eerdere rapport. De vraag was niet langer hoe waarschijnlijk het is dat met “een” Nagant 1895 en met munitie .32 S&W, merk Fiocchi is geschoten, maar hoe waarschijnlijk het is dat die Nagant en die munitie afkomstig waren van de verdachte. Pas als ervan uitgegaan wordt dat (1) waarschijnlijk met een Nagant met die specifieke munitie is geschoten en (2) de verdachte waarschijnlijk over een dergelijk wapen en die munitie beschikte, zegt de frequentie van deze wapen/munitie-combinatie iets over de waarschijnlijkheid dat het om een wapen van de verdachte ging.

10 Het Hof verstaat deze uitlatingen aldus dat het om een soortgelijk wapen gaat als het wapen dat onder [betrokkene 2] in beslag is genomen. Om hetzelfde wapen kan het niet gaan, omdat het wapen op 21 januari 2010 in beslaggenomen, terwijl de roofoverval op 29 maart 2010 is gepleegd. Uit de bewijsmiddelen (zie in het bijzonder bewijsmiddel 73) blijkt dat [betrokkene 2] het wapen van de verdachte, die in totaal vijf exact dezelfde Nagant revolvers bezat, had gekocht.