Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2289

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-11-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
14/00304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3622, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 36f Sr. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:1430. Het oordeel van het Hof dat in de vernietiging “uitsluitend wat betreft de strafoplegging” door de HR van de eerdere uitspraak van het Hof niet begrepen zijn de in die uitspraak opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet hierop heeft het Hof in zijn thans bestreden uitspraak ten onrechte geoordeeld dat de schadevergoedingsmaatregelen niet meer aan zijn oordeel waren onderworpen. Nu de bij de eerdere uitspraak opgelegde schadevergoedingsmaatregelen door de HR zijn vernietigd en daarmee zijn vervallen, is het belang van verdachte bij zijn klacht dat deze maatregelen niet (opnieuw) zijn opgelegd, echter niet evident. In aanmerking genomen dat geen andere middelen van cassatie zijn voorgesteld, is ook het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. De HR zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep n-o verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00304

Mr. Harteveld

Zitting 18 november 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]


Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad1 - bij arrest van 9 oktober 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is (wederom) beroep in cassatie ingesteld. Dat wil zeggen: op 24 oktober 2013 is een door verdachte en de griffier ondertekende akte cassatie opgemaakt, inhoudende verdachtes verklaring (onbeperkt) beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 9 oktober 2013; dat is een dag te laat. Aan de akte is evenwel een schrijven gehecht van mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, kort gezegd inhoudende de (dubbele) schriftelijke volmacht tot het instellen van cassatie tegen de desbetreffende uitspraak van het Hof. De op die volmacht geprinte fax-verzendgegevens wijzen erop dat die fax op 23 oktober 2013 te 16:31 uur is verzonden - en kennelijk, want zich in het dossier bevindende en zonder nadere aantekening - in goede orde is ontvangen; en dat verzoek tot het instellen van cassatie is wel op tijd gedaan. Mijns inziens moet het er hier voor gehouden worden dat het cassatieberoep op 23 oktober 2013 namens verdachte is ingesteld, zijnde de veertiende dag nadat de bestreden uitspraak is gewezen. Een verzuim van de griffie om naar aanleiding van het tijdig ingekomen verzoek per fax een akte op te maken kan niet op straffe van niet-ontvankelijkheid de verdachte worden tegengeworpen. Verdachte kan derhalve worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep in cassatie.

3. Mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad aldus heeft opgevat, dat onder de vernietiging 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging' niet de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen waren begrepen.

4.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

“Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof - in een andere samenstelling - heeft bij arrest van 17 februari 2010 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, en het beslag, zoals nader in het arrest omschreven.

Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 april 2012 voormeld arrest vernietigd uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en heeft de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van de zaak

Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 april 2012 de zaak thans aan het oordeel van het hof onderworpen uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer als standpunt naar voren gebracht dat de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen eveneens aan het oordeel van het hof onderworpen zijn, nu -gelet op de aan deze schadevergoedingsmaatregelen gekoppelde vervangende hechtenis- steeds sprake is van een vorm van strafoplegging.

De advocaat-generaal heeft zich -kort samengevat- op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen reeds onherroepelijk is beslist.

Naar het oordeel van het hof is bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel geen sprake van strafoplegging. Het gaat hier om een maatregel waarmee wordt beoogd de rechtmatige toestand te herstellen. Het punitieve karakter van de vervangende hechtenis doet hier niet aan af. Het hof is dan ook van oordeel dat de schadevergoedingsmaatregelen thans niet meer aan zijn oordeel zijn onderworpen.”

4.3. Ruim een maand nadat het Hof deze uitspraak wees, heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de vernietiging die uitsluitend de strafoplegging betreft verduidelijkt. En met HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 is het antwoord op het middel snel gegeven. Een vernietiging wat betreft de strafoplegging omvat níet de beslissingen als bedoeld in art. 361 Sv omtrent vorderingen van benadeelde partijen, omdat deze beslissingen worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partijen. Daarvan moeten evenwel worden onderscheiden de beslissingen omtrent het opleggen van schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr. Dat is de oplegging van een maatregel en valt dus onder de beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv die opnieuw in hoger beroep aan de orde moeten komen. Dat is slechts anders, indien in het desbetreffende arrest van de Hoge Raad een andere omvang van partiële vernietiging wordt vermeld dan “de strafoplegging”. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het oordeel van het Hof dat de schadevergoedingsmaatregelen niet meer aan zijn oordeel waren onderworpen, is dan ook onjuist.

4.4. De vraag is evenwel of dit tot cassatie moet leiden. In beginsel zou de zaak opnieuw naar het Hof moeten worden teruggewezen, opdat het Hof opnieuw zal oordelen over de - gehele2 - strafoplegging, de beslissingen omtrent het opleggen van schadevergoedings-maatregelen incluis. De Hoge Raad had de zaak eerder teruggewezen omdat het Hof bij de veroordeling tot - toen - een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar, in aanmerking had genomen dat verdachte “eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering” en dat bleek niet uit het daarbij in aanmerking genomen Uittreksel Justitiële Documentatie. Het Hof heeft de strafoplegging thans, met name vanwege de zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, beperkt tot zes dagen gevangenisstraf en 240 uren taakstraf. Het Hof heeft voorts in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven, dat hij ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en dat hij reeds een bedrag heeft gespaard teneinde zijn slachtoffers schadeloos te kunnen stellen. In het oordeel van het Hof ligt mijns inziens dan ook toereikend gemotiveerd besloten dat het bij de oplegging van de gevangenisstraf en taakstraf ook acht heeft geslagen op de reeds ten laste van verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en dat er geen gronden zijn om (alsnog) af te wijken in de hoogte van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten opzichte van de daarmee corresponderende - en in rechte reeds vaststaande - beslissingen tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Kortom: een nieuwe behandeling van de zaak zal niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen leiden.

Dat brengt mij ertoe uw Raad in overweging te geven de strafoplegging in zoverre aan te passen en in cassatie alsnog vast te stellen dat aan verdachte de volgende schadevergoedingsmaatregelen in de zin van art. 36f Sr hoofdelijk zijn opgelegd:

ten behoeve van:

bedrag:

‘vervangende’ hechtenis:3

1. [A] B.V.

€ 15.000

117 dagen

2. [B]

€ 2.750

23 dagen

3. [C]

€ 2.050

16 dagen

4. [D]

€ 1.450

12 dagen

5. [E]

€ 2.250

18 dagen

6. [F]

€ 2.900

24 dagen

7. [G]

€ 8.250

67 dagen

8. [H]

€ 3.900

33 dagen

9. [J]

€ 6.050

50 dagen

Een en ander met de aanvullende bepaling dat wordt verstaan dat indien een mededader geheel of deels aan deze betalingsverplichting(en) heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd, alsmede dat de betaling aan een van de benadeelde partijen door de verdachte ofwel een mededader tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van dat slachtoffer en omgekeerd.

5. Het middel is terecht voorgesteld en leent zich mijns inziens voor herstel in cassatie. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd opnieuw onder aanhaling van art. 36f Sr te bepalen dat aan de verdachte de volgende verplichtingen worden opgelegd tot betaling aan de Staat:

- een bedrag van € 15.000,= ten behoeve van de benadeelde partij [A] B.V met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 117 dagen;

- een bedrag van € 2.750,= ten behoeve van de benadeelde partij [B] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 23 dagen;

- een bedrag van € 2.050,= ten behoeve van de benadeelde partij [C] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 16 dagen;

- een bedrag van € 1.450,= ten behoeve van de benadeelde partij [D] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 12 dagen;

- een bedrag van € 2.250,= ten behoeve van de benadeelde partij [E] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 18 dagen;

- een bedrag van € 2.900,= ten behoeve van de benadeelde partij [F] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 24 dagen;

- een bedrag van € 8.250,= ten behoeve van de benadeelde partij [G] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 67 dagen;

- een bedrag van € 3.900,= ten behoeve van de benadeelde partij [H] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 33 dagen;

- een bedrag van € 6.050,= ten behoeve van de benadeelde partij [J] met de bepaling dat, bij gebreke van betaling en verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 50 dagen;

en daarbij telkens te bepalen dat daarbij wordt verstaan dat indien een mededader geheel of deels aan deze betalingsverplichting(en) heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd;

en tevens te bepalen dat de betaling aan een van de benadeelde partijen door de verdachte ofwel een mededader tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van dat slachtoffer en omgekeerd;

met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 10 april 2012, nr. 10/01051.

2 Vgl. de conclusie van toenmalig A-G Wortel bij HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6941 ten aanzien van het vierde middel: “In geval de vernietiging (mede) de straftoemeting betreft, staat het de volgende rechter volledig vrij die straf naar eigen inzicht te bepalen.”

3 Toepassing van de vervangende hechtenis heeft de betalingsverlichting niet op. Hier met een totaal van 360 dagen en derhalve gelet op art. 36f in verbinding met art. 24c Sr wettelijk toegestaan.