Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2287

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-11-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13/04393
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3620, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v. roekeloosheid, art. 6 en 175 WVW 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. Het Hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als in deze overwegingen bedoeld. V.zv. het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte ‘roekeloos’ i.d.z.v. art. 6 jo. art. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van verdachte, welk samenstel eruit bestaat dat verdachte, kort gezegd, als bestuurder van een motorrijtuig, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een wedstrijdachtige achtervolging verwikkeld was geraakt, over langere afstand met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur heeft gereden en hij, bekend met de situatie ter plaatse, vervolgens met onverminderde snelheid door rood licht een kruispunt is opgereden. Aldus heeft het Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2015/2
C.J.A. de Bruijn annotatie in JIN 2015/18

Conclusie

Nr. 13/04393

Zitting: 18 november 2014 (bij vervroeging)

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 28 augustus 2013 de verdachte ter zake van “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een en ander onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het hof de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van vijf jaren.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. D.M.H.R. Garé, advocaat te Maastricht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel komt op tegen ’s hofs bewezenverklaring van schuld in de zin van roekeloosheid.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 04 juli 2012 te Capelle aan den IJssel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Hoofdweg, welk roekeloos rijgedrag hierin bestond dat hij verdachte, toen daar,

- met een zeer hoge snelheid, te weten (minimaal) 102 km/u heeft gereden en

- vervolgens met voornoemde snelheid een de middels verkeerslichten gecontroleerde kruising met de Molenbaan is genaderd en is blijven naderen en terwijl bovendien zijn, verdachtes zicht op (zich op/nabij) die kruising bevindende personen (deels) werd belemmerd door een op de naast verdachtes rijstrook gelegen rijstrook stilstaande personenauto en

- vervolgens bij die kruising het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde, rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd,

waarna de auto van verdachte vervolgens op de kruising van de Hoofdweg en de Molenbaan in botsing is gekomen met de aldaar met voor zijn rijrichting groen licht met de fiets overstekende [slachtoffer],

ten gevolge waarvan [slachtoffer] werd gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 augustus 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik zag [getuige 1] (het hof begrijpt: de getuige [getuige 1]) al voordat ik op de Hoofdweg de Laan van Avant-Garde kruiste. Toen ik mij op de tweede rotonde bevond, was hij halverwege tussen de eerste en de tweede rotonde. [getuige 1] kwam dichterbij en ik heb mij op laten jagen en ben harder gaan rijden. De Hoofdweg verloopt slingerend op het stuk tussen de Laan van Avant-Garde en de Schollevaartse Dreef. U toont mij een plattegrond van de situatie ter plaatse, waarop te zien is dat op de Hoofdweg een rotonde heeft ter hoogte van de Laan van Avant-Garde, daarna een kruispunt met de Schollevaartsedreef en vervolgens een kruispunt met de Molenbaan. Ik wijs u op de plattegrond aan op welke plek ik me bevond toen ik harder ging rijden (opmerking griffier: de voorzitter tekent een blauw kruis op de plek die de verdachte op de plattegrond aanwijst). Voorafgaand aan die plek heb ik mij op laten jagen. De weg gaat op de door mij aangewezen plek over in een rijbaan met twee rijstroken. Ik wijs u op de plattegrond aan waar ik me bevond toen ik [getuige 1] vaart zag minderen. Dat was ongeveer ter hoogte van de kruising van de Hoofdweg met de Schollevaartse Dreef. Ik denk dat hij vaart minderde omdat we de kruising naderden. Bij mijn weten stond het verkeerslicht op de kruising met de Schollevaartse Dreef op groen, maar misschien was het wel oranje. Net voorbij de kruising met de Schollevaartse Dreef zag ik in de verte het verkeerslicht op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan. Rechts voor mij reed een auto. Vlak na de kruising met de Schollevaartse Dreef ben ik van de rechterrijstrook op de linkerrijstrook gaan rijden.

Ik reed veel te hard. De omstandigheden waren goed: het was droog, ik had goed zicht, er was weinig verkeer en ik kende de weg. Er is een oversteekplaats op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan.

Nadat ik de fietser had geraakt, ben ik gaan remmen.

Ik heb als beginnend bestuurder in korte tijd veel kilometers gemaakt. Ik kan het verschil in snelheid op dat soort wegen op het gehoor inschatten. Ik hoor de oudste raadsheer zeggen dat het haar bevreemdt dat ik zeg dat ik te hard heb gereden, maar dat ik mijn rijgedrag niet als risicovol omschrijf. Het was niet onverantwoord. Ik probeer enkel mijn foute inschatting uit te leggen. Op het moment dat ik de fietser zag, bevond zich rechts van mij op de rechterrijstrook een auto.

2. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 februari 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 4 juli 2012 reed ik als bestuurder in een zwarte Alfa Romeo (het hof begrijpt: een motorrijtuig) op de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel. Het eerste stuk reed ik in normaal tempo en daarna een stuk sneller dan normaal. Na de Laan van Avant-Garde reed ik harder dan 50 kilometer per uur. Ik kwam bij de stoplichten bij de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan. Ik ben zonder af te remmen of vaart te verminderen doorgereden. Ik heb de fietser aangereden.

Op het moment dat de weg van een éénbaans- naar een tweebaansweg (het hof leest: van één naar twee rijstroken ) ging ben ik harder gaan rijden. Ik rijd daar vaker en ik ken de verkeerssituatie daar. Ik weet dat daar een oversteekplaats voor fietsers is. Ik ben na de kruising van de Schollevaartse Dreef met de Hoofdweg van de rechter rijbaan naar de linkerrijbaan (het hof leest: van de rechterrijstrook naar de linkerrijstrook) gegaan omdat ik een auto voor mij zag. Ik ben vanuit de sportschool in de auto gestapt. Ik reed regelmatig die route.

3. de verklaring van de getuige [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 augustus 2013, voor zover thans van belang inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik stond te wachten voor het verkeerslicht alvorens het ongeluk gebeurde. Het verkeerslicht was rood. De auto's aan de overkant van de kruising stonden ook stil. Ik heb de fietser bewust zien wachten voor zijn verkeerslicht.

4. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 20122397928-23, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 5 juli 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik kwam voorafgaand aan het verkeersongeval van de sportschool. Ik doe daar allerlei sporten. Ik train altijd zwaar. Ik heb mijn rijbewijs bijna twee jaar. Ik denk dat ik ongeveer 20.000 kilometer per jaar rij. Ik rijd nu drie weken regelmatig, dagelijks, op de Hoofdweg, ook dagelijks in de avonduren. Ik rijd dan de route van huis naar de sportschool en weer terug. Het was op de dag van het ongeval normaal weer, het had niet geregend, naar mijn weten was de weg droog. Ik ken [getuige 1] (het hof begrijpt: de getuige [getuige 1]) van de sportschool. De maximum snelheid op de Hoofdweg is 50 km per uur.

5. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P020122397928-83, d.d. 18 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 18 september 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij hoe mijn uitzicht was op de ongevalskruising. Die auto reed heel dicht rechts voor me, dus dat ontneemt een stukje zicht voor mij. De kant waar de fietser vandaan kwam.

6. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P020122397928-11, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:

Overledene: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1989.

Datum/tijd vinden: woensdag 4 juli 2012 te 21:47 uur

Locatie overlijden: Hoofdweg ter hoogte van nummer 150, 2908 LC Capelle aan den IJssel. [slachtoffer] is betrokken bij een verkeersongeval. Hij is ter plaatse aan het letsel opgelopen bij deze aanrijding overleden.

7. een geschrift, te weten een Verslag als artikel 10 der Wet op de Lijkbezorging betreffende [slachtoffer] d.d. 4 juli 2012, opgemaakt door L.C. Los, forensisch geneeskundige, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De ondergetekende, L.C. Los, gemeentelijk lijkschouwer, verklaart gedurende de laatste twee jaren geen verlos-, heel- of geneeskundige raad of bijstand te hebben verleend aan [slachtoffer], geboren: [geboortedatum] 1989.

Ondergetekende L.C. Los, verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd, verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. De nek en de achterzijde van de schedel lijken gebroken. Op het voorhoofd links is een grote wond te zien. Iets meer naar achteren op het behaarde hoofd is eveneens een grote wond te zien. Hier is tevens de schedel gebroken. Uit het rechteroor komt bloed, past bij een schedelbasisfractuur. De neus is gebroken. De linkerschouder en ribben links zijn gebroken. Het bekken links, het bovenbeen links en de linkerknie zijn gebroken. Tevens wond in de linkerflank door de trauma arts gemaakt, hieruit komt veel bloed en hieronder een wond tot in de onderhuid. Aan de linker bovenarm is een grote open wond te zien met uitstekend bot, de elleboog is eveneens gebroken. Aard en oorzaak dood/conclusie: Niet natuurlijk overlijden, inwendig schedel- en borstkasletsel en meerdere botbreuken met veel bloedverlies na verkeersongeval.

8. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, afdeling verkeerspolitie, bureau technische- en ongevallendienst, nummer 2012 397928-15, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaren:

Wij stelden op 4 juli 2012 een onderzoek in naar de toedracht van het navolgende verkeersongeval.

Beknopte aanrijdingbeschrijving/Voorlopige hypothese

De aanrijding vond die dag, omstreeks 21:21 uur, plaats op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg met de oostelijk van de kruising met de Molenbaan gelegen fiets/bromfietsoversteekplaats te Capelle aan den IJssel. Bij de aanrijding waren een personenauto en een fietser betrokken.

De personenauto zou op de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg hebben gereden, komende vanuit de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel en gaande in die van de Capelseweg. De fietser zou op de fiets/bromfietsoversteekplaats hebben gereden, welke oostelijk van de T-kruising met de Molenbaan is aangelegd. De fietser zou vanuit de richting van de Molenbaan de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg zijn overgestoken in de richting van de zuidelijke parallelrijbaan van de Hoofdweg. Op de fiets/bromfietsoversteekplaats zou de overstekende fietser aan zijn linkerzijde door de linkervoorzijde van de personenauto zijn aangereden. De T-kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan word door middel van een verkeersregelinstallatie geregeld. Volgens getuigen zou de bestuurder van de personenauto met zeer hoge snelheid door het voor hem bestemde rood licht uitstralende verkeerslicht zijn gereden.

De fietser overleed op de plaats van de aanrijding.

Wegomschrijving

De Hoofdweg vormt ter plaatse van de aanrijding globaal een oost - west verbinding tussen de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel en de Capelseweg te Capelle aan den IJssel. Deze weg is ter plaatse van de aanrijding in een primaire en een secundaire rijbaan verdeeld. De primaire rijbaan is middels een middenberm verdeeld in een noordelijke en zuidelijke rijbaan. Beide rijbanen bestaan uit twee rijstroken. Voor de T-kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan bestaat de noordelijke rijbaan uit drie voorsorteerstroken. De twee linkervoorsorteerstroken zijn bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer. De rechtervoorsorteerstrook is bestemd voor rechtsafslaand verkeer in de richting van de Molenbaan. Conform de diverse rijrichtingen waren witte rijstrookpijlen op het wegdek aangebracht. Zuidelijk van de hoofdrijbaan van de Hoofdweg is een secundaire rijbaan aangelegd. Noordelijk van de rijbaan is een middels een grasberm van de rijbaan afgescheiden fiets/bromfietspad aangelegd, bestemd voor fiets/bromfietsverkeer in beide richtingen. Het fiets/bromfietspad is aangeduid met bord G12a van Bijlage 1 van het RW 1990. Aan beide zijden van de Hoofdweg zijn verder achtereenvolgens trottoirs, grasbermen en industriële bebouwing aangelegd. Oostelijk van de T-kruising van de Molenbaan met de Hoofdweg zijn voetgangers- en fiets/bromfietsoversteekplaatsen aangelegd. De fiets/bromfietsoversteekplaats is bestemd voor overstekend fiets/bromfietsverkeer in beide richtingen. Ter plaatse van de aanrijding is de kruising van de fiets/bromfietsoversteekplaats met de noordelijke hoofdrijbaan van de Hoofdweg zonder uitzicht belemmerende obstakels. De toegestane maximumsnelheid is ter plaatse 50 km/uur voor motorvoertuigen. Alle genoemde wegen dan wel weggedeelten zijn of maken deel uit van voor het openbaar verkeer openstaande wegen en zijn gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Omstandigheden Lichtgesteldheid: daglicht

Wegverlichting: aanwezig, doch niet ontstoken

Weersgesteldheid: droog

Toestand wegdek: schoon en droog

Hof: Het is een feit van algemene bekendheid dat de maximum toegestane snelheid binnen de bebouwde kom, nimmer hoger is dan 50 km/uur.

9. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, nummer 2012.09.24.162, d.d. 21 december 2012, opgemaakt door ing. K.M. Hagendoorn, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Vraagstelling.

Op het onderzoeks-aanvraagformulier is de vraag als volgt omschreven: Wat was de gereden snelheid van de Alfa Romeo tijdens de aanrijding. Op 16 oktober 2012 hebben ir. A.C.E. Spek en ondergetekende de Alfa Romeo en de Koga Miyata fiets van het ongeval onderzocht in de onderzoekslocatie van de Technische- en ongevallendienst (TOD) Rotterdam-Rijnmond. Bij dit (voor)onderzoek is een inschatting gemaakt van de kenmerken van de schades die als criteria kunnen gelden bij de botsproeven. Uiteindelijk zijn (inclusief een mislukte proef) vijf botsproeven verricht.

Schade aan de Alfa Romeo en de fiets.

De schade aan de Alfa Romeo is zeer specifiek en geeft daarmee een goed referentiemiddel voor vergelijking met de botsproeven. De Alfa Romeo heeft schade aan het front, de motorkap, het linker wielscherm de dakrand en de linker raamstijl. De fiets heeft specifieke beschadigingen (breuken) aan het frame. Om eventuele invloeden van de materiaalstijfheid van de fiets op het verloop van de botsproeven te voorkomen is gekozen voor gebruik van fietsen van het zelfde merk (Koga Miyata) met een identiek frame.

De politie heeft een schade-inpassing verricht van de fiets en de Alfa Romeo, op grond van specifieke schadekenmerken. Uit deze schade-inpassing kan worden afgeleid dat de fiets op het moment van de botsing zich (nagenoeg) geheel voor de auto bevond. Alhoewel een deel van het voorwiel van de fiets 'voorbij' de auto is kan deze configuratie aangemerkt worden als een (bijna) maximale overlap. Het grootste deel van de fiets en het gehele slachtoffer bevonden zich direct voor de auto op het moment van de botsing; het betrof hier (dus) geen schampende botsing. De schade aan het linker wielscherm is toe te wijzen aan een been van het slachtoffer. De schade aan de motorkap is toe te wijzen aan het onderlichaam en/of romp van het slachtoffer en de dakrand en linker raamstijl aan het bovenlichaam of hoofd van het slachtoffer.

De fiets heeft specifieke afdrukken achtergelaten op het front van de Alfa Romeo. Dit zijn afdrukken van de linker trapper en met name de boutkop van de zadelklem in het frame van de fiets. Deze laatstgenoemde boutkop had een afdruk achtergelaten in de motorkap waarmee een zeer nauwkeurige botsconfiguratie voor de botsproeven kon worden ingesteld. Bij de schade-inpassing werd duidelijk dat de schades aan het linker voorscherm van de Alfa Romeo, de motorkap, de raam/deurstij1 en de dakrand hoofdzakelijk werden veroorzaakt door de botsing met het slachtoffer. De schade aan het front van de Alfa Romeo als gevolg van het eerste botscontact is bij de analyse gebruikt als het maatgevende criterium voor de snelheid.

Conclusie.

De snelheid van de Alfa Romeo was ten minste 102 km/u op het moment dat deze botste tegen een fietser. Deze conclusie is op grond van de interpretatie van de ongevalssporen en vijf op dit ongeval toegespitste botsproeven.

10. Een proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, afdeling verkeerspolitie, bureau technische- en ongevallendienst, nummer 2012 397928-24, d.d. 18 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die opsporingsambtenaar:

Ik, verbalisant voornoemd, als verkeersongevallenanalist werkzaam bij de afdeling Verkeerspolitie, bureau Technische- en Ongevallendienst van politie Rotterdam-Rijnmond, verklaar het volgende. Ik stelde een onderzoek in, naar de werking van de verkeersregelinstallatie op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan te Capelle aan den IJssel, naar aanleiding van een verkeersongeval dat op 4 juli 2012 omstreeks 21.21 uur op die kruising had plaatsgevonden.

Conclusie:

Gelet op vorenstaande kan gesteld worden, dat

- De verkeerslichtinstallatie ten tijde van de aanrijding in werking was en er geen sprake was van storingen.

- De verkeerslichtinstallatie voldoet aan de NEN 3384 norm.

- De bestuurder van de Alfa heeft gereden op fase 2 en de bestuurder van de fiets heeft gereden op fase 82.

- Uit de conflictenmatrix blijkt dat de genoemde fasen 2 en 82 conflicterend zijn.

- Door een elektronische beveiliging kunnen conflicterende fasen nooit gelijk groen en/of geel licht vertonen.

- Na onderzoek ter plaatse en de uitgevoerde berekeningen blijkt, dat het niet mogelijk is dat beide bestuurders bij groen licht de kruising opgereden zijn.

- Het niet mogelijk is dat de bestuurders van de Alfa en de fiets zich tegelijkertijd op het conflictvlak hebben bevonden, zonder dat één van de bestuurders het in zijn richting gekeerde en voor zijn rijrichting bedoelde verkeerslicht, dat rood licht uitstraalde, heeft genegeerd.

- Naar aanleiding van de verklaring van getuige [getuige 2], het aannemelijk is dat de bestuurder van de fiets voor rood licht heeft stilgestaan en bij groen licht, vanuit stilstand is opgetrokken.

- Het zeer waarschijnlijk is dat de bestuurder van de Alfa, bij het oprijden van de kruising, het voor hem bestemde en in zijn richting gekeerde verkeerslicht (fase2), dat rood licht uitstraalde, heeft genegeerd.

11. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-21, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 5 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Op woensdag 4 juli 2012 reed ik op de Hoofdweg. Op de Hoofdweg naderde ik een verkeerslicht wat staat op de kruising Hoofdweg met de Molenbaan. Ik stopte voor het rode licht. Ik stond als enige voor het verkeerslicht stil. Rechts en links van mij stond niemand. Links van mij was ook een rijstrook voor rechtdoor en rechts van mij was een rijstrook voor rechtsaf. Ik stond dus stil en zag dat rechts van mij op het fietspad een jongeman stilstond. Ik stond even stil en zat wat onderuit in mijn auto naar voren te kijken. Ik zag toen dat de fietser netjes stond te wachten en na een tijdje, hoelang dat heeft geduurd weet ik zo niet, zag ik dat de fietser ging fietsen om de Hoofdweg over te steken. Ik zag dat hij middels het fietspad ging oversteken. Ik hoorde toen de fietser bijna voor mijn auto langs was gefietst een soort van hoog toerengeluid, net zoals van de formule 1 als die voorbij rijden. Het geluid was hoog en ik reageerde daarop door naar links te kijken. Ik keek naar links over mijn linker schouder en zag iets voorbij flitsen op de linker rijstrook naast mij.

Daarna draaide ik automatisch mijn hoofd weer naar rechts en keek naar voren en zag toen in een flits dat de auto met volle snelheid met de voorzijde van die auto de toen overstekende fietser schepte. Ik zag toen dat de fietser door de klap hoog als een pop door de lucht vloog, waarbij hij wel 4 keer ronddraaide in de lucht met gespreide armen en benen. Ik zag de fietser net over het kruispunt weer op het wegdek viel.

12. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-63, d.d. 23 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 23 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 3] :

Ik kan u verklaren dat ik op 4 juli 2012 omstreeks 21.20 uur zag dat het voor mij geldende verkeerslicht op de Hoofdweg in de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel rood licht was. Ik was toen nog ongeveer 50 meter van de stopstreep verwijderd. Ik wilde mijn auto laten uitrollen tot de stopstreep. Mijn auto was aan het uitrollen toen ik vanaf de overzijde op de tegemoet komende rijbaan zag dat een fietser werd aangereden door een auto. De fietser fietste vanaf de Molenbaan op het fietspad. Ik was op dat moment ongeveer 30 meter voor de stopstreep. Ik zag toen dat het voor mij geldende verkeerslicht nog rood was.

Toen ik de fietser links van mij op het wegdek van tegemoet komend verkeer zag vallen was ik nog ongeveer 5 tot 7 meter voor de stopstreep en het toen nog rode verkeerslicht. Ik weet dat er voor de verkeerslichten uit tegenover gestelde richting een auto stilstond. Ik zag uit tegen gestelde richting een zwarte Alfa Romeo aan komen rijden. Ik weet mij nu te herinneren dat toen die zwarte Alfa die stilstaande auto links inhaalde dat daarna de fietser, die op de fietsoversteekplaats fietste, werd aangereden door die Alfa.

13. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-63, d.d. 23 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 23 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 4]:

Ik kwam vanaf Rotterdam en wilde richting Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik had een aantal verkeerslichten gehad die steeds op groen sprongen toen ik kwam aanrijden. Tot ik de ongevalskruising naderde en dat verkeerslicht niet op groen sprong. Dat gebeurde niet en toen moest ik remmen. Ik kwam aanrijden met rood, vertraagde en bleef naar het verkeerslicht kijken.

Toen zag ik plots iets heel hoog door de lucht cirkelen. Ik heb constant rood licht gehad, tot en met het moment dat ik iets door de lucht zag cirkelen. Ik reed op de meest rechts gelegen rijstrook voor rechtdoor. Ik was de enige en voorste auto op dat moment, achter mij reden wel andere auto's. Ik zag eerst iets door de lucht cirkelen. Ik wist dat het een mens was.

14. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-65, d.d. 24 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 24 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 5]:

Verbalisant: Op 4 juli 2012 heeft er een aanrijding plaatsgevonden op de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel. U bent getuige geweest van het ongeval en als zodanig wordt u gehoord.

V: waar bevond u zich tijdens het ongeval?

A: Ik reed richting Nieuwerkerk aan den IJssel.

V: Wat heeft u exact gezien?

A: Ik reed op de kruising met de Molenbaan af. Ik zag dat het verkeerslicht op rood stond. Aangezien ik dit uit de verte zag ben ik langzaam gaan afremmen. Het was vrij druk bij de kruising. Ik zag dat er aan de zijde van de sportschool op de Molenbaan auto's voor linksaf en rechtsaf voorgesorteerd stonden. Ik zag dat er fietsers stonden bij de fietsers oversteekplaats. Ik zag aan de overzijde op de rechterrijstrook voor rechtdoor één of twee auto's staan. Vervolgens zie ik een jongen fietsen. Ik zag de jongen pas bij het middenstukje. Het gebeurde echt in een fractie van een seconde. Ik zie in een flits een auto aankomen en tegen de jongen aanrijden. Ik zie de jongen vervolgens door de lucht vliegen.

15. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-20, d.d. 5 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 4 juli 2012 afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op woensdag 4 juli 2012 ging ik kickboksen bij de sportschool in Nieuwerkerk aan den IJssel. Ik ben met mijn auto, een Fiat, naar huis gereden. Op de Hoofdweg reed [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) voor mij. Hij reed in een zwarte Alfa Romeo. Ik reed vlak achter ze, ik kwam van de rotonde. Daarna gaf [verdachte] gas en gaf ik ook gas. Ik reed achter hem aan.

We hebben wel harder gereden dan de 50. Na de Laan van Avant-Garde, dat was bij die bochtjes. Misschien dat ik daarna de 90 kilometer per uur heb aangetikt. [verdachte] liep wel op me uit. Hij reed inderdaad harder.

Vanaf de kruising met de Schollevaartse Dreef was er een baan voor rechtsaf, één baan voor linksaf en twee voor rechtdoor. Ik zag dat [verdachte] voor me reed en dat de kruising vrij was. Ik zag dat het verkeerslicht op oranje ging. Ik zag dat [verdachte] doorreed, die was net op tijd. Na de kruising heb ik gelijk afgeremd omdat ik zag dat de verkeerslichten bij de volgende kruising op rood stonden. We reden 80 à 90 kilometer per uur over de kruising met de Schollevaartse Dreef. [verdachte] liep op me uit. Ik heb me laten kennen. Ik probeerde met hem mee te komen denk ik. Na de kruising met de Schollevaartse Dreef, haakte ik toch nog af. [verdachte] was ver, boven de 50 meter, voor me vandaan, het had geen zin. En ik zag dat de verkeerslichten bij de kruising Molenlaan op rood stonden en dat er een grijze Mercedes voorgesorteerd aan de rechterkant stond te wachten voor rood licht. Ik dacht: zou hij die ook nog gaan pakken? Er staat al een auto voor rood. Ik zag dat [verdachte] links die Mercedes voorbij ging. Ik zag dat voor mij van rechts, voorbij die grijze auto, een fietser overstak. Ik zag dat er een man op de fiets zat en fietsend overstak. [verdachte] en ik reden op de linker rijstrook. Ik zag dat [verdachte] met zijn linker voorkant de achterkant van de fietser raakte. Hierna zag ik de man van de fiets door de lucht vliegen en meters verder weer terecht komen op het asfalt. Ik kan me voorstellen dat mensen denken dat we aan het racen waren en dat er snelheden van boven de 100 kilometer per uur gereden werden. Ik rij door en [verdachte] rijdt door. Ik kwam achter [verdachte] te rijden en die dacht misschien iets van een dolletje te doen. En ik reed mee. Ik heb afgeremd omdat ik zag dat de verkeerslichten op rood stonden bij de kruising met de Molenlaan.

16. Een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL17P0 2012397928-47, d.d. 17 juli 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als de op 17 juli 2012 afgelegde verklaring van getuige [getuige 6] :

Wij reden op 4 juli 2012, omstreeks 21:15 uur in mijn Peugeot. Ik was de bijrijder en mijn man, [betrokkene], was de bestuurder van de auto. Wij reden op de Laan van Avant-Garde richting de rotonde bij de Hoofdweg. Wij waren een meter of twee honderd van de rotonde verwijderd. Ik zag toen dat er vanaf links, uit de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel, over de Hoofdweg twee auto's kwamen rijden. Het was heel opvallend omdat de auto's heel hard reden. Het waren twee auto's. Vooraan reed een Alfa Romeo. Vlak achter deze auto reed een andere auto. De auto's reden heel dicht achter elkaar met die hoge snelheid. De rotonde werd genomen met de hoge snelheid, door beiden auto's, die bumper aan bumper achter elkaar reden. De snelheid van het nemen van de rotonde is moeilijk te benoemen maar was opvallend snel. Het deed mij aan een straatrace denken. Daarna reden de auto's rechts weg richting de Alexandrium. Gekomen bij de rotonde sloegen wij ook rechtsaf in dezelfde rijrichting als de auto's gereden hadden. Toen wij de Hoofdweg op reden, zag ik in de verte de achterlichten van de auto's oplichten. Wij reden tot aan de eerste stoplichten bij de SHURGARD, daar moesten wij stil houden voor het rode verkeerslicht. Wij trokken bij groen weer op en reden verder richting Alexandrium.

Op de Hoofdweg trokken wij op tot aan de volgende verkeerslichten. Ik zag verderop op het wegdek een jongen liggen.

17. een voor kopie conform gewaarmerkt geschrift van de Regiopolitie Zuid-Holland Zuid, d.d. 16 januari 2012, met het nummer PL1810 2012002023-4, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Wij verbalisanten surveilleerden op 5 januari 2012 op de rijksweg A20 te Rotterdam.

De bestuurder van een Alfa Romeo, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] (het hof begrijpt: de verdachte) kwam nabij de afrit naar de A16 naar de derde rijstrook. Vervolgens kwam hij achter een vrachtwagen te rijden op deze rijstrook. Op enige moment zette de bestuurder zijn voertuig bijna haaks om de invoegstrook op. Daarna zette hij zijn voertuig weer recht op de genoemde afrit. Door deze manoeuvre schudde het voertuig zeer heftig. De Alfa voegde zich tussen twee aldoor rijdende personenauto's in.

Daardoor moest het achterste voertuig kennelijk krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen.

Op de A16 overschreed de bestuurder de doorgetrokken streep. Hij voerde zijn snelheid op. Onze boordsnelheidsmeter gaf 160 km/u aan. Dit is een geijkte snelheid van 149 kilometer per uur. De bestuurder reed over een afstand van ten minste vijftienhonderd meter met deze snelheid. De bestuurder ging ook weer dicht achter andere voertuigen rijden.

18. een geschrift, te weten een besluit om een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) op te leggen, met nummer 2012001782, ondertekend namens de algemeen directeur van het CBR, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 (het hof: de verdachte) heeft afwijkend rijgedrag vertoond. Hiervan heeft de Regiopolitie Zuid Holland-Zuid op 16 januari 2012 een schriftelijke mededeling gedaan, zoals bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de mededeling blijkt dat u op 5 januari 2012 als bestuurder van een motorrijtuig uw voertuig haaks de afrit opdraaide. Op de uitvoegstrook moest u vervolgens uw voertuig weer corrigeren, hierbij schudde uw voertuig heftig. Door deze manoeuvre moest een ander voertuig krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen. Voorts overschreed u een doorgetrokken streep. De verbalisanten constateerden dat u op enig moment met een gecorrigeerde snelheid van 149 km/u reed.

Hierop hebben wij het volgende besluit genomen:

Besluit

Vanwege de schriftelijke mededeling vermoeden wij dat u niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid van houders van een rijbewijs. Daarom hebben wij besloten om u een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen.

19. een voor kopie conform gewaarmerkt proces-verbaal van de Politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 25 juli 2012, met het nummer PL17P0 2012397928-70, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door een opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik heb een onderzoek ingesteld naar eerdere gedragingen van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Op 5 januari 2012 werd door collega's in een surveillancevoertuig waargenomen dat er kort op een voorganger werd gereden, verkeersgevaarlijk van rijstrook werd gewisseld, overschrijden doorgetrokken streep, overschrijding van de maximum snelheid met 49 km/h (maximum snelheid ter plaatse 100 km/h), wederom kort volgen.

Naar staandehouding is er een transactievoorstel gedaan. Naar aanleiding van dit rijgedrag is er een vordering ex artikel 130 WVW 1994 opgemaakt en is inmiddels aan de verdachte de EMG maatregel opgelegd.”

6. Onder het kopje ‘beoordeling’ houdt het bestreden arrest in dat het hof is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:

“1. De verdachte is na een avondje sporten in de auto (Alfa Romeo) gestapt om naar huis te rijden via de Hoofdweg te Capelle aan den IJssel.

2. Op de Hoofdweg voornoemd geldt als maximum toegestane snelheid 50 km/uur. Het weer was ten tijde van het feit droog, het wegdek was schoon en droog, er was daglicht en de aanwezige wegverlichting brandde niet.

3. Achter de verdachte reed een kennis van de sportschool (getuige [getuige 1]). Door beide bestuurders werd in een wedstrijdachtige achtervolging vanaf de rotonde op de kruising van de Laan van Avant-Garde met de Hoofdweg heel hard gereden, waarbij de maximum snelheid regelmatig met minimaal 30 km per uur werd overschreden. Hierbij heeft de verdachte - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - zijn aandacht tevens gericht gehad op die andere auto. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich door [getuige 1] liet opjagen en dat hij zijn snelheid verder heeft vermeerderd op het moment dat de Hoofdweg volgens hem een rijbaan met twee rijstroken werd.

4. De verdachte is bij de daarop volgende kruising van de Hoofdweg met de Schollevaartsedreef met hoge snelheid door het voor zijn rijrichting oranje uitstralende verkeerslicht gereden. Getuige [getuige 1], die vlak achter de verdachte reed, heeft daar zijn snelheid geminderd om te remmen voor het verkeerslicht, dat inmiddels rood uitstraalde.

5. In verband met een op de rechterrijstrook voor hem rijdende auto is de verdachte van de rechter naar de linker rijstrook gegaan. Vervolgens is hij de kruising van de Hoofdweg en de Molenbaan op de linker rijstrook met onverminderde snelheid genaderd, ondanks het in zijn richting van oranje naar rood kleurende verkeerslicht.

6. De verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke en wist dat er op de kruising kwetsbare verkeersdeelnemers op de fiets/bromfiets/voetgangers- oversteekplaats konden oversteken.

7. De verdachte is desalniettemin zonder te remmen de kruising opgereden en heeft met een snelheid van minstens 102 km/u het inmiddels voor hem rood uitstralende verkeerslicht gepasseerd terwijl een ander, zich op de naast gelegen rijstrook bevindend voertuig (met als bestuurder getuige [getuige 2]) stilstond voor het rood uitstralende verkeerslicht, welk voertuig de verdachte ook had gezien.

8. De verdachte heeft vrijwel direct daarna een overstekende fietser, die groen licht had, praktisch frontaal geschept, waarna deze als gevolg van dit ongeval ter plaatse is overleden.”

7. Voorts heeft het hof ten aanzien van de bewezenverklaring - voor zover relevant - nog het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de roekeloosheid

Met betrekking tot de mate van schuld in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) overweegt het hof het volgende.

Als schuld bestaat uit 'roekeloosheid' gelden ingevolge de wet van 28 juli 2006 hogere maximumstraffen. Zoals blijkt uit onder meer de considerans van deze wet, is met deze strafmaatverhogingen beoogd het optreden tegen ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te bevorderen. In dat verband zijn aan de rechter meer mogelijkheden gegeven om bij fataal gevolg of lichamelijk letsel in de strafmaat rekening te houden met het bij familieleden, vrienden en kennissen van het slachtoffer teweeggebrachte leed en met de in de samenleving ontstane onrust. Ook is met de wetswijziging tot uitdrukking gebracht dat onverantwoordelijk rijgedrag in de huidige tijd zwaar wordt aangerekend. Gelet op de intensiteit van het verkeer en het vertrouwen waarmee men aan dat verkeer moet kunnen deelnemen, rust er een grote verantwoordelijkheid op verkeerdeelnemers om de veiligheid van het verkeer niet in gevaar te brengen.

Met de invoering van een afzonderlijk strafmaximum voor roekeloosheid is beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist daarmee niet slechts een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. In het algemeen zal bij roekeloosheid sprake moeten zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren (kamerstukken II 2001/2, 28 484, nr. 3, p.10-12).

Volgens vaste rechtspraak komt het bij de beoordeling van de mate van schuld aan een verkeersongeval aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersfout de schuld in de zin van dit artikel kan worden afgeleid.

Uit de door het hof vooropgestelde feiten en omstandigheden en uit hetgeen hiervoor onder verband van 'voorwaardelijk opzet' is uiteengezet volgt dat verdachtes rijgedrag als zeer onvoorzichtig moet worden gekwalificeerd waarbij hij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's heeft genomen.

Voor het antwoord op de vraag of de verdachte op zeer lichtzinnige wijze ervan is uitgegaan dat deze risico's zich niet zouden realiseren, is het volgende van belang. De verdachte heeft, niettegenstaande zijn jeugdige leeftijd, zichzelf aangemerkt als een zeer ervaren rijder, zozeer ervaren dat hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard op het gehoor te kunnen inschatten hoe hard hij rijdt. Eerder heeft hij bij de politie verklaard zijn rijbewijs - ten tijde van het feit - twee jaar te hebben en ongeveer 20.000 km per jaar te rijden.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde feit, voor verkeersonveilig rijgedrag op 5 januari 2012 is beboet. In de processen-verbaal van politie ter zake is gerelateerd dat de verdachte op voormelde datum als bestuurder van een auto zich schuldig maakte aan 'bumperkleven' en haaks een afrit opdraaide.

Op de uitvoegstrook moest de verdachte zijn voertuig vervolgens corrigeren waarbij de auto heftig schudde.

Door deze manoeuvre moest een ander voertuig krachtig remmen om een aanrijding te voorkomen. Voorts overschreed de verdachte een doorgetrokken streep en reed hij op enig moment met een gecorrigeerde snelheid van 149 km/u waar 100 km/u was toegestaan. De verdachte daarnaar door de politie gevraagd, verklaarde dat hij sportief had gereden, te hard en een gewaagde inhaalmanoeuvre had uitgevoerd. Aan de verdachte is in verband met zijn agressieve en in strijd met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens zijnde rijgedrag en omdat de verdachte 'heeft blijk gegeven van gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer' een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

De verdachte was ermee bekend dat zijn weggedrag als verkeersgevaarlijk en risicovol werd aangemerkt doordat hij daarop een aantal maanden eerder was aangesproken.

Desondanks heeft de verdachte op 4 juli 2012 op de Hoofdweg in Capelle aan den IJssel, een weg met een aantal door verkeerslichten beveiligde kruispunten, over langere afstand met zeer hoge snelheid gereden, heeft hij met die snelheid eerst een oranje verkeerslicht genegeerd en is hij vervolgens met onverminderde snelheid door het rode verkeerslicht op de kruising met de Molenlaan gereden, terwijl zijn zicht op het kruisende verkeer werd belemmerd door een auto die rechts van hem stilstond voor het rode verkeerslicht. Daarbij is zijn snelheid vastgesteld op meer dan de dubbele toegestane snelheid. Daarmee nam de verdachte naar het oordeel van het hof onverantwoorde risico's gelet op de mogelijke aanwezigheid van kruisend verkeer. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het verkeerslicht voor de verdachte op rood sprong, hetgeen erop wijst dat kruisend verkeer zou gaan oversteken. De verdachte is op zeer lichtzinnige wijze ervan uitgegaan dat de, vanwege de mogelijk ernstige gevolgen, onaanvaardbare risico's die hij met zijn rijgedrag nam, zich niet zouden realiseren.

Gezien het vorenstaande en gelet op de hiervoor onder 1 tot en met 8 genoemde punten acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 'roekeloos' in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet heeft gereden.”

8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “roekeloos” moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

9. Art. 175 WVW 1994 luidt als volgt:

"1. Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:

a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd."

10. Roekeloosheid is als strafverzwarende omstandigheid opgenomen in het tweede lid van art. 175 WVW 1994. Deze bepaling is ingevoerd bij wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima, Stb. 2006, 11. Deze wet is op 1 februari 2006 in werking getreden.

11. Volgens de memorie van toelichting bij betreffende wetsvoorstel was het de intentie van de minister van Justitie om een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen.1 Ofschoon opgesomd in art. 175, derde lid, WVW 1994, en zodoende ook zelfstandig leidend tot verhoging van het wettelijk strafmaximum, zijn naar het oordeel van de minister ‘rijden onder invloed’ en ‘veel te hard rijden’ in de eerste plaats omstandigheden die door de rechter mogen worden betrokken bij de beoordeling van de mate van schuld aan het verkeersongeval in het concrete geval. Bij deze beoordeling legt de vaststelling dat onder invloed of veel te hard is gereden veel gewicht in de schaal. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de minister “al snel” sprake van roekeloosheid.2

12. In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat de noodzaak om de rechter meer armslag te geven in het bijzonder werd gevoeld na het zogenaamde Porsche-arrest van de Hoge Raad.3 In die strafzaak stond wel vast dat de dader de dramatische gevolgen van het ongeval (vijf doden) had veroorzaakt door buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag, te weten inhalen op een moment dat de verkeerssituatie dat niet toeliet. Naar ik het oordeel van de Hoge Raad in die zaak versta, ontbrak het in het bijzonder aan het bewijs voor het wilselement binnen het leerstuk van het voorwaardelijk opzet, te weten de eis dat de dader de ernstige gevolgen van het delict niet heeft beoogd, maar deze bij het begaan van het delict als mogelijke, bijkomende gevolgen heeft aanvaard, c.q. op de koop toe genomen.4 Het door het hof in die strafzaak vastgestelde rijgedrag van de bestuurder van de Porsche was weliswaar zeer onvoorzichtig, maar de vaststellingen wezen veel meer in de richting van een attitude van ‘het zal zo’n vaart niet lopen’, dan in de richting van iemand die gewoon ten koste van anderen doorzet. Van deze uitspraak valt te leren dat de Hoge Raad ervoor waakt dat het terrein van de bewuste schuld niet wordt geannexeerd door het voorwaardelijk opzet. Daartoe neemt de Hoge Raad het werkelijke bewustzijn en de werkelijke beweegredenen van de dader tot uitgangspunt. De consequentie hiervan is een beknotting van de ruimte voor toepassing van het leerstuk van het voorwaardelijk opzet op wegpiraterij. Deze beknotting heeft, zo begrijp ik de memorie van toelichting, ertoe bijgedragen dat de wetgever de strafverzwarende omstandigheid van roekeloosheid heeft ingevoerd. De casus van het Porsche-arrest achtte de minister klaarblijkelijk exemplarisch voor roekeloosheid, waarbij sprake is van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, en waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren.5 Het was kennelijk de bedoeling van de minister dat het wilselement van voorwaardelijk opzet geen barrière meer zou opwerpen voor “passende” bestraffing van wegpiraterij, en dit door de introductie van roekeloosheid, de zwaarste vorm van culpa, als strafverzwarende omstandigheid. Het kanselement van voorwaardelijk opzet, nl. de eis dat het delict een aanmerkelijk gevaar heeft veroorzaakt, en het kenniselement, t.w. de eis dat de verdachte zich bewust was van dat aanmerkelijke gevaar, bleven grosso modo onverlet als eisen voor het bewijs van wegpiraterij, die thans onder de noemer van roekeloosheid tot zwaardere straffen aanleiding kan geven.6

13. De Hoge Raad heeft in zijn recente rechtspraak de eisen waaraan het bewijs van roekeloosheid moet voldoen aangescherpt. Omtrent de inhoud van dit begrip heeft de Hoge Raad in een aantal arresten van 15 oktober 2013 – waaronder ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25 – het volgende vooropgesteld:

“Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

(…) Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” – wordt verstaan.

(…) Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor onder (…) is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”

14. Er heerst een zekere spanning tussen deze meer recente rechtspraak van de Hoge Raad en de uitlatingen van de minister in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herijking strafmaxima. Daar waar de Hoge Raad oordeelt dat voor het bewijs van roekeloosheid “doorgaans niet” kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen, leggen naar het oordeel van de minister ‘rijden onder invloed’ en ‘veel te hard rijden’ veel gewicht in de schaal.7 De ruimte tussen de opvattingen van de minister en het oordeel van de Hoge Raad komt m.i. ook tot uitdrukking in de omschrijving van roekeloosheid. Naar de minister zijn wetsvoorstel toelichtte, doet roekeloosheid zich voor in die gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. De Hoge Raad overweegt daarentegen dat het moet gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging die een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen. Het kan zijn dat ik meer nuances zie dan er werkelijk zijn, maar ik meen hierin te ontwaren dat de Hoge Raad de lat voor het bewijs van deze zwaarste vorm van culpa iets hoger heeft gelegd dan de minister daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan. Tot dusver liet de Hoge Raad slechts in twee aan hem in cassatie voorgelegde gevallen de bewijsvoering inzake roekeloosheid in stand. Deze zaken worden gekenmerkt door het ‘kat-en-muisspel’8 en de ‘snelheidswedstrijd’9 die de verdachten met andere automobilisten speelden tussen de overige weggebruikers.

15. Behoort deze zaak tot de laatste categorie? Welke feiten kunnen in cassatie tot uitgangspunt worden genomen?

16. Het verweten rijgedrag van de verdachte hield - kort gezegd - in dat de verdachte verwikkeld is geweest in een ‘wedstrijdachtige achtervolging’ met de hem achteropkomende auto van de getuige [getuige 1], dat hij hierbij de ter plaatse geldende maximumsnelheid (50 km/h) regelmatig in aanzienlijke mate (met 30 km/u) heeft overschreden, dat hij zijn aandacht tevens gericht heeft gehad op de auto van [getuige 1], dat hij zich heeft laten opjagen door [getuige 1] en dat hij zijn snelheid verder heeft vermeerderd, dat hij vervolgens eerst door een oranje verkeerslicht is gereden, en voorts met onverminderde snelheid (minstens 102 km/u) de volgende kruising is opgereden, dit terwijl hij bekend was met de verkeerssituatie, wist dat daar ook een oversteekplaats voor (brom)fietsers was, terwijl het verkeerslicht voor hem op rood was gesprongen, terwijl hij heeft gezien dat op de naastgelegen rijstrook een andere auto stilstond voor het rode verkeerslicht en zijn zicht op mogelijke (brom)fietsers daardoor (deels) werd belemmerd, en dit terwijl de verdachte een beginnend bestuurder was. De verdachte heeft op deze laatste kruising een door groen licht overstekende fietser met fatale afloop aangereden.

17. Het hof heeft geoordeeld dat verdachtes rijgedrag als zeer onvoorzichtig moet worden aangemerkt, waarbij hij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's heeft genomen. Het hof kwalificeert dit rijgedrag als roekeloos.

18. De recente rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp wijst uit dat de Hoge Raad de begrijpelijkheid van een dergelijk oordeel van feitelijke aard indringend toetst. Ik sluit in het vervolg aan bij de woordkeuze in het toetsingskader van de Hoge Raad, ofschoon het hof hiervan niet in volle omvang kennis kon dragen. De vraag rijst dus of ’s hofs bewijsvoering in voldoende mate uitwijst dat de verdachte buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, dat zijn rijgedrag een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen, en dat de verdachte zich daarvan bewust was.

19. Ik sta thans stil bij de vraag naar het gevaar dat door verdachtes rijgedrag is ontstaan, ongeacht de ernstige gevolgen die het rijgedrag daadwerkelijk heeft meegebracht. Ik doe dit stapsgewijs en in een omgekeerde chronologie.

20. De verdachte is volgens ’s hofs vaststellingen op de kruising van de Hoofdweg met de Molenbaan met een snelheid van ten minste 102 km/u tegen het slachtoffer aangereden. Het slachtoffer was als fietser doende de rijbaan van de Hoofdweg over te steken en werd door de voorzijde van het voertuig van de verdachte (bijna) vol in de flank geraakt. Over de overlevingskans van ‘zwakke weggebruikers’ (voetgangers en fietsers) bij dergelijke ongevallen zijn goed onderbouwde uitspraken te doen. Het hof heeft in zijn motivering van de vrijspraak van de primair tenlastegelegde doodslag overwogen dat de kans dat een fietser komt te overlijden als gevolg van een aanrijding zoals deze heeft plaatsgevonden naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te noemen.10 Ik acht dat nog voorzichtig uitgedrukt. De impact van de voorzijde van een personenauto met die snelheid geeft de zwakke weggebruiker slechts weinig tot geen overlevingskans.11 ’s Hofs oordeel is op dit punt dus alleszins begrijpelijk.

21. De volgende vraag is die naar de kans dat een dergelijk ongeval zich toen en daar zou voordoen. Daarvan is uiteraard geen cijfermateriaal voorhanden. Niettemin valt hierover op basis van ’s hofs bewijsvoering wel het een en ander op te merken. Het gaat mij in dit verband met name om de periode dat het verkeerslicht bestemd voor het verkeer uit de rijrichting van de verdachte rood licht uitstraalde alvorens het ongeval plaatsvond. Uit de bewijsmiddelen waarmee het hof de bewezenverklaring heeft geschraagd, valt namelijk rechtstreeks af te leiden dat dit verkeerslicht reeds een aanzienlijk aantal seconden op rood stond voordat de verdachte het verkeerslicht passeerde. De getuige [getuige 2] reed in dezelfde rijrichting als de verdachte en had zijn voertuig voor het rode licht al tot stilstand gebracht op de rechter rijstrook voor het verkeer in rechtdoor gaande richting. Hij verklaarde hierover (ik put uit bewijsmiddel 11):

“Ik stopte voor het rode licht. Ik stond als enige voor het verkeerslicht stil. Rechts en links van mij stond niemand. Links van mij was ook een rijstrook voor rechtdoor en rechts van mij was een rijstrook voor rechtsaf. Ik stond dus stil en zag dat rechts van mij op het fietspad een jongeman stilstond. Ik stond even stil en zat wat onderuit in mijn auto naar voren te kijken. Ik zag toen dat de fietser netjes stond te wachten en na een tijdje, hoelang dat heeft geduurd weet ik zo niet, zag ik dat de fietser ging fietsen om de Hoofdweg over te steken. Ik zag dat hij middels het fietspad ging oversteken.”12

22. Uit ’s hofs bewijsmotivering volgt derhalve dat de verdachte niet op het laatste moment het rode licht heeft ‘gepakt’, d.w.z. kort nadat het van oranje op rood was ‘gesprongen’. Hij stak de kruising met de Molenbaan dus niet over op een tijdstip waarop de conflicterende verkeersstromen nog op gang moesten komen. Hij reed op een veel later moment door rood, namelijk op het moment waarop het alleszins waarschijnlijk was dat het aanwezige, conflicterende verkeer bevoegdelijk van het kruisingsvlak gebruik zou maken. Deze gevolgtrekking strookt ook met de waarneming die omtrent het slachtoffer uit de mond van [getuige 2] is opgetekend, te weten dat het slachtoffer keurig wachtte,13 na een tijdje zijn fiets in beweging zette en de Hoofdweg begon over te steken. Pas na het bereiken van de derde rijstrook op die noordelijke rijbaan van de Hoofdweg werd het slachtoffer door de verdachte aangereden.

23. Een punt van aandacht is nog wel het volgende. Zoals gezegd volgt rechtstreeks uit de bewijsmiddelen dat het verkeerslicht voor verkeer uit verdachtes rijrichting reeds meer seconden rood licht uitstraalde op het moment dat de verdachte de kruising opreed. Niettemin heeft het hof deze omstandigheid niet uitdrukkelijk opgesomd onder het kopje ‘beoordeling’. Betekent dit dat de Hoge Raad aan deze omstandigheid geen aandacht hoeft te schenken, ofschoon zij rechtstreeks volgt uit ten minste één bewijsmiddel en niet wordt weersproken door andere bewijsmiddelen? Ik meen dat die vraag negatief beantwoord moet worden. Het arsenaal aan bewijsmiddelen dat het hof in zijn arrest heeft opgenomen betreft een wezenlijk onderdeel van de bewijsvoering. Zeker bij de indringende toets die de Hoge Raad tot op heden in arresten over dit onderwerp heeft aangelegd, moet de mate van schuld - ook - kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Aan belangrijke ingrediënten waarvan de bewijsmiddelen blijk geven mag naar mijn inzicht niet worden voorbijgegaan om de enkele reden dat het hof die ingrediënten niet uitdrukkelijk heeft herhaald in een nadere bewijsmotivering. De eis dat alle redengevende feiten en omstandigheden uitdrukkelijk moeten worden opgesomd en dat de inhoud van de bewijsmiddelen daartoe niet volstaat, zou in het vigerende bewijsrecht overigens ook een noviteit opleveren.

24. Voortgaande met de toets van de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel over de ernst van het gevaar dat de verdachte heeft teweeggebracht rest nog de vraag hoe waarschijnlijk het was dat er ter plaatse daadwerkelijk weggebruikers aanwezig waren van wie de rijrichting kruiste met die van de verdachte. In dit verband is van belang dat de Hoofdweg een doorgaande weg in stedelijk gebied betreft. De bewijsmiddelen wijzen uit dat op het moment van het ongeval (’s avonds om 21.47 uur) verscheidene weggebruikers aanwezig waren. Het ongeval vond niet midden in de nacht plaats, wanneer zich een luwte in de verkeersdrukte pleegt voor te doen. Met andere woorden, er was op het moment van het ongeval een reële mogelijkheid dat een of meer fietsers gebruik wilden maken van de oversteekplaats op de kruising van de Hoofdweg en de Molenbaan. Bij deze stand van zaken vertoonde het rijgedrag van de verdachte overeenkomsten met Russisch roulette, met dien verstande dat hij niet alleen met z’n eigen leven maar ook met dat van anderen speelde.

25. Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt dienen bij de beoordeling of sprake is van roekeloosheid alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Dit brengt mee dat het culpose delict niet als een geïsoleerde handeling wordt beschouwd, maar dat ook daaraan voorafgaande handelingen, zoals alcoholgebruik, worden betrokken bij de beoordeling, aldus de minister.14 In het voorliggende geval blijkt overigens niet van enig alcoholgebruik. Anderzijds heeft zich voorafgaande aan het ongeval een vorm van een snelheidswedstrijd afgespeeld, waarbij de verdachte zich heeft laten opjagen door [getuige 1]. Verdachtes focus was (dus) mede gericht op het rijgedrag van [getuige 1]. Zonder dit spel zal de verdachte zijn weg niet met de door het hof vastgestelde snelheid hebben vervolgd richting de kruising met de Molenbaan, ook al was de getuige [getuige 1] in het zicht van het veelbesproken, rode verkeerslicht van die kruising inmiddels afgehaakt.15

26. Alhoewel moet worden toegegeven dat de ‘snelheidswedstrijd’ alleen uitgebreid beschreven wordt bij ’s hofs vaststellingen van de feiten, en het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen alleen terugverwijst naar die feitenvaststellingen en de snelheidswedstrijd niet benadrukt, meen ik wederom dat ook dit ingrediënt moeiteloos is af te leiden uit de bewijsmiddelen, en dus in aanmerking moet worden genomen.

27. In het licht van deze door het hof vastgestelde omstandigheden acht ik ’s Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, dat zijn rijgedrag een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, niet onbegrijpelijk. Wat mij betreft blijft dit oordeel in stand en faalt het eerste middel.

28. Ten slotte nog dit. Bij conclusie van 2 september 2014, voor het arrest van HR 28 oktober 2014, heb ik geconcludeerd dat in die zaak het arrest van het hof moest worden vernietigd omdat met vrucht werd geklaagd over het tekortschietende bewijs van roekeloosheid.16 De casus vertoont gelijkenissen met de thans voorliggende. Over de casus die ten grondslag lag aan HR 28 oktober 2014 was het volgende vastgesteld. Het ongeval had plaats even voor 5 uur ’s ochtends op de N2 te Maastricht. De verdachte reed met zijn personenauto in strijd met voor hem bestemd rood verkeerslicht en met een snelheid van ongeveer 90 km/u, waar maximaal 50 km/u was toegestaan, over het baanvlak van de N2 op een moment dat een bromfietser de weg overstak. De bromfietser liet daardoor het leven. De verdachte had alcohol genuttigd, hoewel niet is kunnen worden vastgesteld hoeveel. Van verdachtes rijgedrag voorafgaand aan het ongeval is niets (opvallends) kunnen worden vastgesteld.

29. Het komt mij voor dat de subtiele verschillen tussen deze en de thans voorliggende casus de doorslag geven. De hogere snelheid in de thans voorliggende zaak, de grotere verkeersdrukte in de avond dan gedurende de donkerste uren van de nacht, de ‘snelheidswedstrijd’ voorafgaand aan het ongeval. Daar staat tegenover dat in de voorliggende zaak alcoholgebruik uiteraard geen gewicht in de schaal heeft kunnen leggen, omdat daarvan niet is gebleken.

30. Het tweede middel klaagt over de motivering van de strafoplegging.

31. Uit vaste rechtspraak volgt dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Die keuze behoeft geen motivering.17Tot deze factoren kunnen ook de “oriëntatiepunten straftoemeting” behoren. Voorts kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Alleen wanneer de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en daardoor onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.18

32. Voor zover het pleidooi van de raadsvrouw in hoger beroep al moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, vindt het zijn weerlegging in de strafmotivering zoals door het hof gegeven. Het hof heeft - naast andere factoren - expliciet overwogen dat de straf zoals die door de rechtbank was opgelegd, onvoldoende recht doet aan de roekeloosheid van het rijgedrag van de verdachte. Voorts heeft het hof in zijn overwegingen met nadruk meegenomen dat de verdachte al eerder, middels boetes en de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer, was gewezen op de risico’s van zijn verkeersgedrag, alsmede van belang geacht verdachtes houding ter terechtzitting, alwaar hij geen enkele blijk heeft gegeven inzicht te hebben in het gevaarzettende karakter van zijn handelen, en de indruk heeft gewekt dat hij gefascineerd is door snelheid en weinig waarde hecht aan verkeersregels.

33. In het licht van het bovenstaande wekt ’s hofs strafoplegging geen verbazing en is ook overigens afdoende gemotiveerd. Daarbij teken ik aan dat het hof een straf heeft bepaald die valt binnen het strafmaximum van art. 175, eerste lid, onder a, WVW 1994.

34. Het middel faalt.

35. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

36. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10.

2 Zie vorige voetnoot, p. 10. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 7, p. 20.

3 HR 15 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199.

4 Zie hierover meer: D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, in G.J.M. Corstens, Lord Mance e.a., 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 60 - 84.

5 Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 12.

6 Zie ook de lezenswaardige conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld, van 21 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:654, met name onder 3.5.9.

7 Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 13. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 7, p. 20.

8 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, NJ 2014/27.

9 HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554, NJ 2014/30, m.nt. Keijzer.

10 P. 6 van het bestreden arrest.

11 Zie E. Rosén & U. Sander, ‘Pedestrian fatality risk as a function of car impact speed’, Accident Analysis and Prevention 41 (2009), p. 536 – 542, die de overlevingskans bij deze snelheid schatten op ongeveer 10%. De World Health Organisation baseert zich in “Facts: Road Safety - Speed” (2004) op een wat oudere studie van E. Pasanen, ‘Driving speeds and pedestrian safety; a mathematical model’, Helsinki University of Technology, Transport Engineering, Publication 77, 1992. Daarin wordt de overlevingskans bij dergelijke ongevallen op bijna 0% ingeschaald. Zie voorts: D.C. Richards, Relationship between Speed and Risk of Fatal Injury: Pedestrians and Car Occupants, Road Safety Web Publication No. 16. London: Department for Transport 2010.

12 Terzijde, ook uit de verklaring van [getuige 1], de achtervolgende bestuurder, valt op te maken dat het verkeerslicht dat was bestemd voor het verkeer uit verdachtes rijrichting reeds verscheidene seconden rood licht uitstraalde. Dat was voor [getuige 1] de reden om af te haken. Er stond al een Mercedes stil op de rechterrijstrook (dat betrof de auto van de getuige [getuige 2]). De verdachte reed echter met hoge snelheid door, om een kleine 300 meter verder de kruising met de Molenbaan over te steken.

13 Zie ook bewijsmiddel 3.

14 Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 12.

15 Bewijsmiddel 15, getuige [getuige 1]: “Na de kruising met de Schollevaartse Dreef, haakte ik toch nog af. [verdachte] was ver, boven de 50 meter, voor me vandaan, het had geen zin. En ik zag dat de verkeerslichten bij de kruising Molenlaan op rood stonden en dat er een grijze Mercedes voorgesorteerd aan de rechterkant stond te wachten voor rood licht.”

16 Zie: ECLI:NL:PHR:2014:1880, resp. ECLI:NL:HR:2014:3045.

17 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

18 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 285-287.