Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2282

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
14/05285
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:188, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging, art. 14a Wet Bopz. Grote belang dat moet worden gehecht aan het horen van betrokkene; art. 8 lid 1 Wet Bopz. Onderzoeksplicht rechter naar bereidheid betrokkene om zich te doen horen. Tekortschietende motivering dat die bereidheid niet aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/05285

Mr. F.F. Langemeijer

28 november 2014

Conclusie inzake:

V. Samjhawan

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze zaak is een voorwaardelijke machtiging verzocht. Is betrokkene behoorlijk opgeroepen en is aan de hoorplicht voldaan?

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 6 juni 2014 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorwaardelijke machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 14a Wet Bopz) te verlenen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, met een behandelplan en de voorgestelde voorwaarden.

1.2.

Op 17 juli 2014 heeft een zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen datum, omdat voor betrokkene toen geen begeleider beschikbaar was om hem naar de rechtbank te brengen. Bij aangetekende brief van diezelfde datum is betrokkene opgeroepen om op 21 juli 2014 te 9.30 uur te worden gehoord in zijn woning (in “RIBW de Rijswijk” aan de Poeldijkstraat 10 te Amsterdam1).

1.3.

Op 21 juli 2014 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling hervat op deze lokatie in aanwezigheid van de advocaat van betrokkene, de behandelend arts, een ambulant verpleegkundige en de persoonlijk begeleidster van betrokkene. Betrokkene zelf is niet voor de rechter verschenen. De begeleidster meldde dat betrokkene die ochtend nog in het gebouw was, maar inmiddels was vertrokken. Blijkens het proces-verbaal en blijkens blz. 1 van de beschikking heeft de advocaat van betrokkene aan de rechter medegedeeld dat zij betrokkene op de hoogte heeft gesteld van datum, tijd en plaats van de mondelinge behandeling. Ten aanzien van het wel of niet voortzetten van de behandeling refereerde de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.

1.4.

Bij beschikking van 21 juli 2014 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend2. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen bij brief van 17 juli 2014. Gelet op deze oproeping en de hiervoor genoemde mededelingen van de persoonlijk begeleidster en van de advocaat, ging de rechtbank ervan uit dat betrokkene op de hoogte was van datum, tijd en plaats van de zitting, maar blijkbaar ervoor heeft gekozen niet ter zitting te verschijnen om zijn standpunt toe te lichten. De rechtbank baseerde daarop haar oordeel dat de zitting buiten aanwezigheid van betrokkene kan plaatsvinden.

1.5.

Bij brief van 24 juli 2014 heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank verzocht betrokkene alsnog te horen, opdat de genomen beslissing kan worden herzien indien daartoe aanleiding mocht bestaan. Ter toelichting heeft de advocaat opgegeven dat zij, nadat zij van de griffier had vernomen wanneer de voortzetting van de mondelinge behandeling zou plaatsvinden, de kliniek daarvan op de hoogte had gebracht omdat zij betrokkene zelf niet kon bereiken3. De begeleider gaf aan, dit aan betrokkene te zullen doorgeven. Betrokkene heeft haar echter laten weten niet van de zitting op de hoogte te zijn gesteld. Achteraf is gebleken dat de begeleider heeft verzuimd het bericht door te geven; ten bewijze van dit laatste heeft de advocaat een e-mail van de begeleider meegezonden. De rechtbank heeft aan dit verzoek tot heropening van het onderzoek geen gevolg gegeven.

1.6.

Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel I omvat een beschrijving van de gang van zaken en werpt de vraag op, waarom de rechtbank, ofschoon op 24 juli 2014 door de advocaat ingelicht over het feit dat betrokkene niet op de hoogte was van datum en tijd van de zitting op 21 juli 2014, de mondelinge behandeling niet heeft heropend teneinde betrokkene alsnog te horen. Volgens de klacht is deze beslissing onjuist, gelet op de hoorplicht als bedoeld in art. 14a lid 4 in verbinding met art. 8 Wet Bopz. Subsidiair acht het middel onbegrijpelijk waarom de rechtbank niet op het verzoek tot heropening is ingegaan.

2.2.

In dit middelonderdeel wordt miskend dat het cassatieberoep is gericht tegen een reeds op 21 juli 2014 gegeven en uitgesproken beschikking. Op de datum van haar beslissing kon de rechtbank geen rekening houden met informatie die volgens de klacht de rechtbank eerst drie dagen later heeft bereikt. De Wet Bopz voorziet niet in mogelijkheden voor de rechtbank om terug te komen van een eenmaal uitgesproken beschikking. De rekestprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent niet het rechtsmiddel van verzet. Onderdeel I faalt.

2.3.

Onderdeel III, dat ik nu eerst wil bespreken, is gericht tegen de eerste premisse waarop de redengeving is gebouwd, namelijk de geldigheid van de oproeping voor de mondelinge behandeling op 21 juli 2014 in de woning van betrokkene, dat wil zeggen in het gebouw van RIBW “de Rijswijk”. De klacht is onderbouwd met het argument dat de desbetreffende aangetekende brief van de griffier is gedateerd op (donderdag) 17 juli 2014. Indien deze op vrijdag ter post is bezorgd, kan deze oproeping volgens het middelonderdeel (omdat op zaterdag en zondag geen post wordt bezorgd) betrokkene niet meer vóór de aanvang van het verhoor op maandag 21 juli 2014 te 9.30 uur hebben bereikt; hetzelfde zou gelden voor het afschrift dat per gewone post is verzonden.

2.4.

Ingevolge art. 261 Rv in verbinding met art. 272 - 276 Rv geschiedt de oproeping voor de mondelinge behandeling van een verzoekschrift door de rechtbank door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt in een algemene of bijzondere instructie aan de griffier. Oproepingen worden zo spoedig mogelijk en ten minste een week vóór de zittingsdag verzonden, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 276 lid 1 Rv). Van een behoorlijke oproeping is sprake indien de oproepingsbrief tijdig voor de behandeling aan het juiste adres is verzonden en voldoende duidelijk plaats, dag, uur en onderwerp van de behandeling aangeeft4. In Bopz-zaken komt het, mede in verband met de wettelijke beslistermijnen, dikwijls voor dat de rechter een andere wijze van oproepen of een kortere termijn bepaalt. Het is aan de feitenrechter om uit te maken welke wijze van oproeping in het gegeven geval of, bij een algemene instructie, in de gegeven groep gevallen de voorkeur heeft. In het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen, ligt in beginsel besloten dat de oproeping heeft plaatsgevonden overeenkomstig art. 272 Rv dan wel overeenkomstig zijn instructie5.

2.5.

De overgelegde oproepingsbrief in deze zaak is gedateerd 17 juli 2014; de datum van feitelijke terpostbezorging is niet bekend. Een feit van algemene bekendheid6 is wel dat binnenlandse post die op donderdag vóór 18.00 uur wordt aangeboden in de regel wordt bezorgd op vrijdag; op vrijdag vóór 18.00 uur aangeboden post in de regel op zaterdag. De veronderstelling dat de oproepingsbrief betrokkene niet kan hebben bereikt vóór de aanvang van de zitting, lijkt mij daarom in haar algemeenheid te boud. Iets anders is, dat de oproepingsbrief verzonden is naar betrokkene op het adres Poeldijkstraat 10. Dit betekent dat, ook al zou de oproepingsbrief op vrijdag of zaterdag aan dit adres zijn aangeboden, daarmee niet gegeven is dat de oproepingsbrief betrokkene heeft bereikt. Aannemelijk is dat op dit adres ook anderen wonen. Over de wijze waarop de post aan bewoners wordt uitgereikt blijkt uit de bestreden beschikking en uit de gedingstukken niets.

2.6.

Onderdeel II hangt hiermee samen. Het klaagt dat betrokkene in strijd met de wet niet door de rechtbank is gehoord, althans dat de rechtbank niet toereikend heeft gemotiveerd hoe zij tot het oordeel is gekomen dat in dit geval van het horen van betrokkene kan worden afgezien of tot het oordeel dat betrokkene niet bereid is zich te laten horen. In de toelichting op deze klacht is het belang van de hoorplicht benadrukt. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten te vragen naar de reden waarom betrokkene niet voor de rechter was verschenen, hoewel de rechtbank bekend was met de wens van betrokkene door de rechter te worden gehoord7 en met het feit dat hij diezelfde ochtend nog in het gebouw was gesignaleerd.

2.7.

Art. 8 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de rechter degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het is vaste rechtspraak8 dat het hier gaat om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop hij zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene te zijnen huize te horen op de voet van art. 8 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz. Indien naar het oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dat de voormelde bereidheid ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen9.

2.8.

Uitgaande van de vaststelling (i) dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen, (ii) dat de advocaat datum, plaats en tijd van de mondelinge behandeling aan betrokkene had doorgegeven en (iii) dat betrokkene diezelfde ochtend nog in het gebouw was gesignaleerd maar niet voor de rechter is verschenen, heeft de rechtbank uit deze premissen de gevolgtrekking kunnen maken dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. Daartegenover stonden evenwel enkele contra-indicaties: het feit dat betrokkene kort tevoren uitdrukkelijk aan de rechtbank de wens te kennen had gegeven te worden gehoord; de korte termijn van oproeping in combinatie met het feit dat de oproeping was verzonden naar − wat ik maar zal aanduiden als − een verzameladres. Van het fundamentele recht om te worden gehoord kan door de rechthebbende uit eigen, vrije wil afstand worden gedaan: dit kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden, maar in ieder geval dient het ondubbelzinnig te geschieden. Van ondubbelzinnige keuze van betrokkene om weg te blijven was, gelet op die eerder geuite wens, in dit geval geen sprake. Per saldo meen ik dat het bestreden oordeel hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die in een geval als dit aan de hoorplicht worden gesteld, hetzij ontoereikend is gemotiveerd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Op dit adres is een grote 24-uurs voorziening voor huisvesting en begeleiding van psychiatrische patiënten gevestigd van HVO Querido (een maatschappelijke organisatie te Amsterdam voor o.a. de opvang van dak- en thuislozen).

2 Blijkens het dossier is op 21 juli 2014 aanvankelijk een zgn. ‘stempe-beschikking’ opgemaakt, later vervangen door een uitgewerkte beschikking d.d. 21 juli 2014 waarvan een afschrift op 28 juli 2014 door de griffier van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene is toegezonden.

3 Een verzoek van de cassatieadvocaat d.d. 25 september 2014 tot wijziging van het proces-verbaal ten aanzien van de door de advocaat in eerste aanleg gedane mededeling, is geweigerd.

4 Zie, nog onder de vroegere Krankzinnigenwet: HR 6 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4788, NJ 1985/400 m.nt. F.H.J. Mijnssen, rov. 3.3. Zie met betrekking tot de adressering: HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:902.

5 Vgl. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer; HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, BJ 2005/25 m.nt. W. Dijkers.

6 Zie www.post.nl.

7 Deze wens was immers vermeld in het proces-verbaal van de eerste zitting op 17 juli 2014.

8 Zie o.m.: HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378.

9 HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, JVggz 2014/39 m.nt. W. Dijkers.