Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
14/04447
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:88, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Uitleg echtscheidingsconvenant. Dwingende bewijskracht. Beroep op leemte in convenant. Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Rolnr. 14/04447

Mr M.H. Wissink

Zitting van 28 november 2014

Conclusie inzake art. 80a RO

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

eiser tot cassatie,

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in cassatie,

(hierna: de vrouw)

1. Het bij dagvaarding van 22 augustus 2014 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2014. De man betoogde in appel dat het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant leemten bevat ter zake van (1) een bedrag van € 17.400,- dat hij heeft overgemaakt aan Actus Notaris als borgsom voor de aanschaf door de vrouw van een eigen woning, en (2) een vermogensverschuiving van € 10.000,- van hem naar de vrouw omdat de vrouw een aan hem toebedeelde Citroën onder zich houdt. Het hof heeft dit betoog verworpen.

2. Het hof heeft geoordeeld dat uit de artikelen 4.4 en 4.8 van het convenant volgt dat zij zijn overeengekomen dat zij ter verdeling van het gemeenschappelijk vermogen niets meer van elkaar hebben te vorderen en dat ieder tot zich heeft genomen hetgeen van hem/haar is. Aan het convenant komt dwingend bewijs toe, behoudens door de man te leveren tegenbewijs. Dit geldt ook voor de stelling van de man dat het convenant een leemte bevat (rov. 3.7). Ten aanzien van het bedrag van € 17.400,- heeft de man niet het benodigde tegenbewijs geleverd, nu dit bewijs in feite vrijwel volledig moet worden ontleend aan zijn eigen getuigenverklaring (rov. 3.8). Voor zover hij zich beroept op dwaling, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en onvoorziene omstandigheden is het hof van oordeel dat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht (rov. 3.9).

Ten aanzien van de € 10.000,- voor de auto constateert het hof dat de grief van de man niet aansluit op zijn vordering, te weten een verklaring voor recht dat de vrouw de vordering die zij op hem heeft feitelijk deels heeft verrekend door toe-eigening van de auto. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd aan dat zij in gezamenlijk overleg naar het postkantoor zijn gegaan om de auto op haar naam te zetten. Die handeling was niet bedoeld als verrekening; zij heeft zich nimmer op verrekening beroepen. Het hof is van oordeel dat bij die stand van zaken de vordering ter zake van de auto niet voor toewijzing in aanmerking komt. Voor zover de man meent dat het convenant vernietigd moet worden omdat moet worden aangenomen dat hij heeft gedwaald omdat hij voor meer dan een kwart is benadeeld, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan (rov. 3.11).

3. Na een inleiding (nrs. 0.1-0.21) richt de cassatiedagvaarding twee middelen tegen voornoemde oordelen. Deze middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

4. Voor zover middel I tot uitgangspunt neemt dat de man het bedrag van zijn eigen bankrekening naar de notaris heeft overgemaakt (vgl. nr. 0.3 en het betoog in de MvG onder II waarnaar wordt verwezen in de nrs. 1.7 en 1.10), gaat het voorbij aan het door het hof in rov. 2.2 (ii) en 3.7 vastgestelde feit dat hij even daarvoor € 17.500,- van de gezamenlijke spaarrekening naar de bewuste bankrekening had overgemaakt. Nu partijen op het moment van overschrijven nog gehuwd waren – hetgeen het middel ook aanvoert (nr. 1.3) – heeft het hof in rov. 3.7 aangenomen dat deze betaling viel onder de door het convenant bestreken vaststellingsovereenkomsten ter zake de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen (art. 4.4) en het feit dat ieder van partijen tot zich heeft genomen hetgeen van hem/haar is en dat er behoudens de in het convenant geregelde aanspraken, voor zover hen bekend geen te verdelen vermogensbestanddelen of vergoedingsverplichtingen meer bestaan (art. 4.8).

Anders dan het middel aanvoert (in met name nrs. 1.1, 1.5, 1.8 en 1.9), is niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk dat hof de (dwingende bewijskracht van de) afspraken in het convenant óók heeft betrokken op de door de man aangevoerde leemte respectievelijk separate afspraak met betrekking tot de betaling van het bedrag van € 17.400,-. Dit berust op een aan het hof voorbehouden uitleg van het convenant, die door het hof voldoende is gemotiveerd.

De erkenning van de vrouw, dat de betaling van € 17.400,- niet is gemeld aan de scheidingsplanner die het convenant heeft opgemaakt, maakt dit niet anders. De vrouw heeft daarbij immers betwist dat die betaling een door haar terug te betalen voorschot zou betreffen (vgl. nr. 0.12),1 hetgeen wordt miskend in onder meer nr. 1.2 van het middel. Uit een en ander volgde dus niet (anders dan met name in nrs. 1.3, 1.8 en 1.10 wordt betoogd), dat het hof moest aannemen dat de betaling niet onder het convenant zou vallen en daaraan de in het middel verbonden consequenties zou hebben moeten verbinden.

Voor het overige richt het middel vergeefs klachten tegen de aan het hof voorbehouden waardering van het door de man bijeengebrachte bewijs (nrs. 1.2, slot, en 1.4) en de verwerping door het hof van de overige door de man in verband met de betaling aangevoerde grondslagen (nrs. 1.5, 1.6, 1.7 1.10). Daarbij verdient nog opmerking dat het hof de stellingen van de man over de separate afspraak heeft verdisconteerd in rov. 3.7. In rov. 3.8 verdisconteert het hof ook de stelling van de man dat hij bij overschrijving van de gezamenlijke rekening naar zijn bankrekening vermeldde dat het om een lening ging. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof hierop niet is ingegaan (met name in de nrs. 1.2, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8), mist het dus feitelijke grondslag.

5. Middel II betoogt dat de feitelijke stelling van de vrouw dat partijen gezamenlijk naar het postkantoor zijn gegaan om de auto op haar naam te zetten, een vermogensverschuiving impliceert (nr. 2.1), dat het convenant daarmee geen rekening houdt en op dit punt een leemte bevat (nrs. 2.4 en 2.5), zodat het hof gehouden was daaromtrent (ambtshalve) een voorziening te treffen (nrs. 2.2, 2.3, 2.6). Rov. 3.11 is daarom gebaseerd op gronden die deze overweging niet kunnen dragen (nr. 2.7).

Het middel miskent de redenering van het hof in rov. 3.11. Zelfs als het convenant op dit punt een leemte zou bevatten (wat het hof niet heeft vastgesteld), dan kan het hof niet op basis daarvan ambtshalve een voorziening treffen die niet door de man is gevorderd. Volgens het hof heeft de man een verklaring voor recht gevorderd dat de vrouw de waarde van de auto heeft verrekend, maar sluit het betoog in zijn grief (weergegeven in rov. 3.10) daar niet op aan. Daarom meent het hof dat de grief faalt.

Overigens berust het oordeel van het hof dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat sprake is van dwaling wegens benadeling voor meer dan een kwart (art. 3:196 BW), op een aan het hof voorbehouden lezing van diens stellingen. Deze lezing is niet onbegrijpelijk waar de man in de kern daartoe heeft aangevoerd dat in verband met de auto sprake was van een niet in het convenant geregelde waardeverschuiving (vgl. MvG 3.2; pleitaantekeningen in appel van de advocaat van de man nr. 3.5).

6. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het overgelegde procesdossier bevat, behoudens het eindvonnis, geen stukken van de eerste aanleg. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is door mij ambtshalve bij de rechtbank opgevraagd. De cassatiedagvaarding onder nr. 0.12 citeert daar uit.