Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2272

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-11-2014
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
14/02661
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:527, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Omschrijving aangewezen perceelsgedeelte onduidelijk. Strijd met art. 78 en 79 Ow en afdeling 3.4 Awb? Uitleg KB. Kenbaarheid perceelsgedeelte voor partijen en derden. HR voorziet in dictum in noodzakelijke duidelijkheid voor derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/02661

mr. J.C. van Oven

28 november 2014

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiseres 3]

eisers tot cassatie

(mr. J.P. van den Berg)

tegen

de gemeente Zwolle

verweerster in cassatie

(mr. M.W. Scheltema)

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de onteigening niet had mogen uitspreken omdat het Koninklijk Besluit uit kracht waarvan die onteigening zou moeten plaatsvinden onrechtmatig is nu daarin het verzoek van de Gemeente Zwolle tot aanwijzing van de te onteigenen onroerende zaak slechts gedeeltelijk is toegewezen. Het middel klaagt voorts dat de rechtbank de onteigening niet had mogen uitspreken omdat de vordering van de Gemeente onvoldoende duidelijk was.

De klachten lijken mij ongegrond.

1 Procesverloop

1.1

Verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) heeft eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) bij exploot van 11 juli 2013 doen dagvaarden voor de rechtbank Overijssel en gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Gemeente en ten algemenen nutte van een gedeelte ter grootte van 00.29.70 hectare van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Zwolle, [001], groot 1.18.81 hectare ([A]), met vermelding dat een schadeloosstelling wordt aangeboden van € 111.100.

1.2

[eiser] c.s. hebben het aanbod niet aanvaard en verweer gevoerd tegen de vordering tot onteigening.

1.3

Nadat partijen de zaak op 10 februari 2014 hadden doen bepleiten, heeft de rechtbank bij vonnis van 9 april 2014 (onder meer) de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. bepaald op € 111.100, deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en de datum voor de descente bepaald.

1.4

Bij akte houdende verklaring van cassatie van 15 april 2014 hebben [eiser] c.s. (tijdig)1 cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 9 april 2014. De cassatieverklaring hebben zij bij exploot van 7 mei 2014 (tijdig)2 aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie.

1.5

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

1.6

Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten door hun advocaten, de Gemeente tevens door mr. R.T. Wiegerink, advocaat te ’s-Gravenhage. De advocaat van [eiser] c.s. heeft gerepliceerd.

2 Inleiding en kernpunten van het bestreden vonnis.

2.1

De onteigening is uitgesproken op basis van het Koninklijk Besluit van 25 oktober 2012, nr. 12.002514, Stcrt. 14 november 2013, nr. 22912.

2.2

In de aan dit Besluit voorafgaande voorbereidingsprocedure (zie art. 78 lid 2 Ow en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) hebben [eiser] c.s. zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Daaronder was het bezwaar dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt, omdat er onvoldoende serieuze pogingen zijn gedaan om het te onteigenen in der minne te verkrijgen, nu het enige (formele) schriftelijke bod van de Gemeente (van 20 januari 2011) betrekking had op een perceelsgedeelte van 00.29.70 ha, terwijl thans de Kroon verzocht is een gedeelte groot 00.31.93 ha voor onteigening aan te wijzen. De Kroon heeft daarop, constaterend dat de Gemeente aangevoerd heeft dat eventueel volstaan kan worden met onteigening van een oppervlakte van 00.29.70 ha, dat de Gemeente haar bod van 20 januari 2011 bij brief van 30 augustus 20123 herhaald heeft voor deze oppervlakte met een daarbij horende toelichting en tekening en dat de Gemeente per e-mail van 30 augustus 2012 verzocht heeft de te onteigenen oppervlakte van perceel [001] ([A]) terug te brengen tot de genoemde 00.29.70 ha, geoordeeld dat de Gemeente voldoende pogingen heeft gedaan om de te onteigenen onroerende zaak minnelijk in eigendom te verkrijgen en het verzoek om aanwijzing tot onteigening gedeeltelijk, en wel voor 00.29.70 ha, toegewezen.

2.3

Het voor de rechtbank gevoerde verweer van [eiser] c.s. tegen de vordering tot onteigening borduurde, voor zover in cassatie van belang, voort op de omstandigheid dat de Kroon 00.29.70 ha ter onteigening had aangewezen hoewel de Gemeente in het onteigeningsverzoek (d.w.z. het in art. 78 lid 1 Ow bedoelde verzoek aan de Kroon) betrekking had op een gedeelte van 00.31.93 ha. De Kroon had de tardieve herstelactie waarbij de Gemeente in haar e-mail van 30 augustus 2012 verzocht nog slechts 00.29.70 ha ter onteigening aan te wijzen volgens [eiser] c.s. niet mogen honoreren.4

2.4

De rechtbank verwierp dit verweer met de volgende redengeving:

4.1.

Vast staat dat de gemeente [eiser] c.s. op 20 januari 2011 een aanbod heeft gedaan van € 111.100,00 voor een oppervlakte van 00.29.70 ha. Het verzoek tot onteigening van de gemeente aan de Kroon, waarmee de administratieve onteigeningsprocedure is aangevangen, is nadien op 28 februari 2011 gedaan. Dat verzoek betrof de onteigening van een oppervlakte van 00.31.93 ha. De gemeente heeft de Kroon op 30 augustus 2012 verzocht om die te onteigenen oppervlakte terug te brengen tot 00.29.70 ha.

De Kroon heeft vervolgens de noodzaak van onteigening uitgesproken voor laatstgenoemde oppervlakte.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen [eiser] c.s. hebben aangevoerd inzake vaste jurisprudentie en/of vigerend rijksbeleid geen aanleiding is gelegen voor het oordeel dat het KB de rechterlijke toets niet zou kunnen doorstaan. De Kroon heeft in overeenstemming met het verzoek van de gemeente, zoals dat ten tijde van de beslissing gold, de oppervlakte van 00.29.70 ha aangewezen als onroerende zaak, waarvan onteigening met het oog op het niet bereikt zijn van minnelijke overeenstemming aangewezen wordt geacht. De rechtbank acht deze beslissing niet strijdig met het uitgangspunt voor onteigening dat die beperkt dient te worden tot een grondbeslag dat feitelijk benodigd is voor het werk, waarvoor onteigend wordt, en dat, indien blijkt dat het werk met minder grondbeslag dan aanvankelijk voorzien, uitgevoerd kan worden, de onteigening voor het meerdere niet wordt uitgesproken. De rechtbank ziet in de door de gemeente genoemde KB’s van zowel een oudere als een recente datum hieromtrent een bevestiging.

4.3.

In het KB (onder ad 2 en 3 van de zienswijzepunten van [eiser] c.s.) zet de Kroon uiteen dat diverse biedingen zijn gedaan met wisselende oppervlakten. Vermeld wordt het bod van 20 januari 2011 en de inhoud van dat bod. Voorts de herhaling van dat bod bij brief van 3 juli 20125 van de gemeente en de reactie van [eiser] c.s. bij brief van 30 augustus 2012. Daarin wordt gesteld - aldus de Kroon - dat de (smallere) grondwal niet in nauw overleg met [eiser] c.s. tot stand is gekomen, omdat daarin niet wordt tegemoetgekomen aan de wensen van reclamanten tot een grondruil. In die brief werd geconstateerd dat er geen aanbieding is gedaan voor de uiteindelijk ter onteigening aan te wijzen oppervlakte grond. Omdat deze constatering op zichzelf bezien juist is, heeft de gemeente de Kroon per e-mail van 30 augustus 2012 verzocht om de te onteigenen oppervlakte van het perceel [001] ([A]) terug te brengen tot 2.970 m2.

Juist is dat de Kroon vervolgens geen reactie aan de gemeente6 heeft gevraagd op die e-mail. Het voert te ver om dit formele gebrek tot gevolg te doen hebben dat het KB niet aan de onteigeningsvordering ten grondslag kan worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn [eiser] c.s. door dit gebrek niet benadeeld. Uit het KB blijkt immers dat hun standpunt met betrekking tot het gevoerde minnelijke overleg en de gewenste, niet voltrokken grondruil in de overwegingen is betrokken.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het cassatiemiddel vangt aan met een inleiding waarin de feiten en het procesverloop worden uiteengezet, vervolgens worden twee klachten geformuleerd.

3.2.

Klacht 1 bestaat uit een aanval op het Koninklijk Besluit. De klacht betoogt dat de rechtbank de Gemeente ten onrechte in haar vordering ontvankelijk heeft verklaard, althans de gevorderde onteigening ten onrechte heeft uitgesproken en heeft miskend dat het Koninklijk Besluit van 25 oktober 2012 in strijd met art. 78 en 79 Ow en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. [eiser] c.s. wijzen erop dat het verzoekbesluit van 28 februari 2011 de aanwijzing ter onteigening van een gedeelte ter grootte van 00.31.93 ha van het litigieuze perceel betrof. De Kroon kon slechts overgaan tot aanwijzing ter onteigening van een gedeelte ter grootte van 00.29.70 ha van dat perceel op grond van een daartoe strekkend verzoekbesluit van de gemeente en na een daarop volgende toepassing van voornoemde bepalingen. Een dergelijk besluit ontbreekt. Ook een besluit tot aanpassing van het verzoekbesluit ontbreekt. [eiser] c.s. stellen dat zij slechts bekend zijn met de bij het besluit van 28 februari 2011 behorende grondplantekening, waarop als [A] een te onteigenen grootte van 00.31.93 ha van het perceel staat aangegeven. Bij gebreke van een aangepaste grondplantekening kon de Kroon niet, zoals zij heeft gedaan, de onroerende zaak met [A] met vermelding van een te onteigenen grootte van 00.29.70 ha ter onteigening aanwijzen. Daardoor is immers onduidelijk welk gedeelte van het perceel ter onteigening is aangewezen. Uit een en ander volgt volgens de klacht dat de rechtbank, mede gelet op artikel 25 aanhef en onder b Ow, de gemeente niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering, althans deze vordering had moeten afwijzen.

3.3

Ik stel voorop, dat het in de klacht bedoelde gemeentelijke verzoekbesluit7 van 28 februari 2011 met de bijbehorende grondplantekening blijkbaar niet in het geding zijn gebracht, althans ik trof één en ander niet in de door partijen overgelegde procesdossiers aan. Dat is jammer omdat ik daardoor niet met eigen ogen heb kunnen vaststellen of het gemeentelijke verzoek om van het perceel van [eiser] c.s. een gedeelte ter grootte van 00.31.93 ha als [A] ter onteigening aan te wijzen, spoorde met de bij dat verzoek overgelegde grondplantekening, dan wel op die grondplantekening als [A] een stuk grond ter grootte van 00.29.70 ha was getekend. De schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink (nrs. 1.4 en 2.5) waarin betoogd is dat in het verzoek abusievelijk een iets te grote oppervlakte van 00.31.93 ha was opgenomen, is op dit punt niet duidelijk. Ik ga er niettemin van uit dat mr. Van den Berg, die in zijn schriftelijke repliek onder nr. 2 stelt dat op de grondplantekening als te onteigenen [A] een perceelsgedeelte van 00.31.93 ha was getekend, het hier bij het juiste eind heeft.8

3.4

Tot de gedingstukken behoort wèl een kopie van het schriftelijke aanbod dat de Gemeente bij brief van 20 januari 2011, met tekening d.d. 10 januari 2011 nr. 2011-006 heeft gedaan, zie productie 1 bij de conclusie van repliek van de Gemeente d.d. 30 oktober 2013. Ook de brief met het aanbod van 31 juli 2012, vergezeld van dezelfde tekening, zit in het procesdossier, zie productie 6 bij de conclusie van antwoord van [eiser] c.s. d.d. 4 september 2013. Waar de Kroon blijkbaar reeds kennis heeft genomen van deze aanbiedingen, valt naar mijn mening niet te in redelijkheid betwijfelen dat de Kroon bedoeld heeft ter onteigening aan te wijzen het op de tekening nr. [002] als “Aankoop grond” gearceerde perceelsgedeelte waarvan op de tekening een grootte van ±2970 m2 is vermeld. Naar mijn mening valt evenmin in redelijkheid te betwijfelen (i) dat de Gemeente in de procedure voor de rechtbank gevorderd heeft de onteigening van ditzelfde perceelsgedeelte uit te spreken, (ii) dat [eiser] c.s. begrepen hebben dat de gevorderde onteigening dit perceelsgedeelte betrof, (iii) dat de rechtbank heeft onderkend dat de Kroon dit perceelsgedeelte ter onteigening heeft aangewezen en (iv) dat de rechtbank bedoeld heeft de onteigening van dit perceelsgedeelte uit te spreken. Voor zover de klachten ervan uitgaan dat [eiser] c.s. in het duister tasten over de (exacte) ligging van het door de Kroon ter onteigening aangewezen perceelsgedeelte van 00.29.70 ha waarvan de Gemeente de onteigening in de onderhavige procedure heeft gevorderd, meen ik dat dat uitgangspunt feitelijke grondslag ontbeert.9 Dat geldt in het bijzonder voor het gestelde in de voorlaatste volzin van klacht 1, waarin [eiser] c.s. aanvoeren dat onduidelijk is welk gedeelte van het perceel is aangewezen.

3.5

De klacht gaat, als ik goed zie, uit van de rechtsopvatting dat de beslissing op een verzoek tot onteigening als bedoeld in art. 78 lid 1 Ow per grondplannummer een kwestie is van “alles of niets” en dat de Kroon dus niet bevoegd is een gedeelte van een met een grondplannummer aangeduid grondstuk ter onteigening aan te wijzen, maar het verzoek met betrekking tot dat grondplannummer integraal zou moeten afwijzen als zij tot het oordeel komt dat de noodzaak tot onteigening slechts bestaat voor een gedeelte van de met het betreffende grondplannummer aangeduide grondstuk. De onteigenende partij zou vervolgens teneinde onteigening van dat gedeelte te bewerkstelligen van voren af aan moeten beginnen met een nieuwe administratieve onteigeningsprocedure.

3.6

Deze rechtsopvatting, die neerkomt op een rechtsregel die niet met zoveel woorden in de wet tot uitdrukking is gebracht, en waarvan mijns inziens ook niet gezegd kan worden dat die uit het systeem der wet voortvloeit, behoort volgens mij niet als algemene regel te worden aanvaard. Het is, uiteraard, wenselijk dat belanghebbenden uit de stukken die (op de voet van art. 23 onder 2o jo art. 80 Ow, art. 78 lid 2 Ow en art. 3:11 Awb) ter inzage zijn gelegd terdege kunnen opmaken van welke onroerende zaak of zaken de onteigening wordt voorbereid, zodat die belanghebbenden op basis daarvan kunnen beslissen of zij zienswijzen zullen indienen, en zo ja welke. In het verlengde hiervan behoort, denk ik, de Kroon niet een grotere onroerende zaak ter onteigening aan te wijzen dan in de ter inzage gelegde stukken is aangewezen. Ik zie echter niet in welk belang zich ertegen verzet dat de Kroon, als die een tot onteigening nopend publiek belang slechts aanwezig acht voor een deel van onroerende zaak die in de in art. 79, aanhef en onder 1o Ow bedoelde grondtekening is aangewezen, slechts dat deel ter onteigening aanwijst, mits (a) dat deel binnen de grenzen ligt van de onroerende zaak die in de zojuist bedoelde ter inzage gelegde grondtekening is aangewezen, (b) duidelijk is welk gedeelte van de in het verzoek tot onteigening bedoelde en in die grondtekening aangewezen onroerende zaak door de Kroon ter onteigening wordt aangewezen en (c) de verzoeker serieus geprobeerd heeft om die kleinere zaak in der minne te verwerven. Geen enkel rechtens respectabel doel is ermee gediend als in een dergelijk geval geen onteigening van het mindere mogelijk zou zijn, met gevolg dat de onteigening van het gedeelte waarvoor wel onteigeningsnoodzaak bestaat, aanzienlijk wordt vertraagd doordat een nieuwe aanvang moet worden gemaakt met de administratieve onteigeningsprocedure.

3.7

Temeer klemt het voorgaande in een geval (als het onderhavige) waarin nu juist de in de administratieve onteigeningsprocedure naar voren gebrachte zienswijze van de eigenaar dat slechts over een gedeelte van de te onteigenen zaak is onderhandeld, ten grondslag ligt aan de gedeeltelijke toewijzing van het verzoek door de Kroon. Wie een dergelijke zienswijze indient, moet rekening ermee houden dat de Kroon tot het inzicht zal komen dat die zienswijze, hoezeer ook gegrond, niet afdoet aan het publieke belang dat onteigening verlangt van het gedeelte waarover wel (voldoende) is onderhandeld, en zal dus, als hij óók nog meent dat de onteigening van dat gedeelte om andere redenen niet behoort plaats te vinden, die mening dadelijk ook in zijn zienswijzen moeten verwoorden.

3.8

[eiser] c.s. hebben in zich hun conclusie van antwoord i.f.i. (zie de nrs. 21 en 32) beroepen op “vaste jurisprudentie van de Kroon” en als voorbeeld gewezen naar, en geciteerd uit, het Koninklijk Besluit van 26 augustus 2010, nr. 10.002357 De Ronde Venen (Stcrt. 5 oktober 2010, nr. 15604). Dat besluit betrof een Afdeling IIa-onteigening, waarin de onteigenende provincie had laten weten van de onroerende zaak met grondplannummer 69 slechts 0.02.44 ha nodig te hebben van de in het verzoekbesluit aangewezen 0.02.65 ha. De Kroon wees het verzoek met betrekking tot grondplannummer 69 geheel af, overwegende:

“Nu in het kader van het minnelijk overleg met reclamanten geen aanbieding is gedaan voor de uiteindelijk ter onteigening aan te wijzen oppervlakte grond constateren Wij dat het minnelijk overleg niet op een juiste wijze is gevoerd. Een zorgvuldige toepassing van de onteigeningswet brengt met zich mee dat het verzoek om onteigening in zoverre moet worden afgewezen.”

Ik vermag niet in te zien dat het Koninklijk Besluit waarvan in de onderhavige zaak de rechtmatigheid wordt bestreden een andere koers inslaat dan dat van 26 augustus 2010, nog daargelaten de vraag of een andere koers het onderhavige Koninklijk Besluit tot een onrechtmatig besluit zou maken (zie ook mijn opmerking onder 3.9 hierna). Immers wat de Kroon in 2010 weerhield van toewijzing van het verminderde verzoek met betrekking tot grondplannummer 69 was niet dat volgens de Kroon een aanwijzing ter onteigening van een deel van een grondplannummer niet mogelijk is10, maar dat de betreffende provincie geen overleg gevoerd had over de minnelijke verwerving van dat deel. In het onderhavige geval heeft de Gemeente nu juist wèl een, zeer concreet, aanbod tot verwerving van de 00.29.70 ha die zij (uiteindelijk) nodig heeft, gedaan.

3.9

Voorts meen ik dat aan de Kroon als bestuursorgaan een zeker “freies Ermessen” toekomt11, waarvan de grenzen in dit geval bepaald niet zijn overschreden. In dit verband wijs ik er nog op dat óók in de gerechtelijke onteigeningsprocedure een gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot onteigening, van oudsher, tot de mogelijkheden behoort.12

3.10

Klacht 2 betoogt dat de rechtbank de Gemeente niet-ontvankelijk had moeten verklaren, althans de gevorderde onteigening had moeten afwijzen, omdat de vordering van de Gemeente onvoldoende duidelijk was. De klacht wijst erop dat het [A] op de grondplantekening een grootte heeft van 00.31.93 ha, terwijl de gemeente onder verwijzing naar dit grondplannummer de onteigening vorderde van een gedeelte van 00.29.70 ha. Bij gebreke van een aangepaste grondplantekening, is niet, althans onvoldoende, duidelijk welk gedeelte van het perceel wordt beoogd, aldus de klacht. De klacht voert onder verwijzing naar het arrest van Uw Raad van HR 29 maart 1922, NJ 1922, blz. 650 e.v. aan dat in dit verband van belang is dat de grondplantekening bepalend is voor hetgeen onteigend wordt.

3.11

Het arrest van Uw Raad van 29 maart 1922 betrof een geval waarin de onteigening was uitgesproken van percelen die een nieuwe kadastrale omschrijving hadden gekregen terwijl die percelen zowel in het gemeentelijke raadsbesluit en de ter inzage gelegde stukken als in de dagvaarding tot onteigening met hun oude kadastrale omschrijving waren aangeduid. In cassatie klaagde de onteigende (tevergeefs) dat de onteigening was uitgesproken van kadastrale percelen ten aanzien waarvan noch een besluit als in art. 80 (oud) noch een als in art. 83 (oud) Ow13 bestond. Uw Raad oordeelde dat de aanwijzing van hetgeen zal worden onteigend plaatsvindt door het ter inzage gelegde bij besluit van de gemeenteraad voorlopig goedgekeurde uitgewerkte plan met uitvoerige kaarten en grondtekeningen en het daarmee overeenstemmende raadsbesluit als in art. 83 (oud) bedoeld, en dat de vermelding van de kadastrale nummers en van de grootte slechts de bijkomstige betekenis heeft om de te onteigenen percelen nader te omschrijven. Daarom achtte Uw Raad toelaatbaar dat de rechter de grondstukken die ter onteigening zijn aangewezen en waarvan de onteigening is gevorderd, in het onteigeningsvonnis aanduidt met de nummers waaronder zij ten tijde van de uitspraak kadastraal bekend staan met vermelding van de grootte volgens de laatste meting.

3.12

Uw arrest van 29 maart 1922 betrof dus niet een geval waarin een kleiner perceelsgedeelte ter onteigening is aangewezen dan in de ter inzage gelegde stukken was aangeduid en vervolgens de onteigening van dat kleinere perceelsgedeelte wordt gevorderd. Naar mijn mening kan dan ook uit die uitspraak niet de conclusie worden getrokken dat Uw Raad (in 1922) een gang van zaken als in de onderhavige zaak aan de orde – waarin in het onteigeningsbesluit het perceelsgedeelte is aangewezen dat is weergegeven op de (voor partijen en de rechtbank voldoende duidelijke) hierboven in nr. 3.4 bedoelde tekening nr. [002] behorende bij het (herhaalde) aanbod dat de Gemeente heeft gedaan – ontoelaatbaar achtte. Het arrest maakt van de “grondplantekening” niet de heilige koe die de klacht ervan wil maken.

3.13

De Gemeente zou er stellig goed aan hebben gedaan als zij in de dagvaarding tot onteigening voor de ligging van het te onteigenen perceelsgedeelte niet alleen zou hebben verwezen naar [A] maar ook naar de tekening nr. [002], die aanwijst van welk gedeelte ter grootte van 00.29.70 ha van [A] onteigening wordt verlangd. Ik ben evenwel van mening dat deze aan de dagvaarding klevende smet niet van dien aard is dat de Gemeente afgestraft moet worden met niet-ontvankelijkheid of afwijzing van de vordering, zulks nog te minder waar [eiser] c.s. bij de rechtbank weliswaar omstandig verweer hebben gevoerd, maar – als ik goed zie – daarbij niet hebben aangevoerd dat de dagvaarding een obscuur libel is noch ook dat de Gemeente niet-ontvankelijk is of dat de vordering moet worden afgewezen omdat onduidelijk is van welke onroerende zaak de Gemeente onteigening verlangt.

3.14

Dit brengt mij, mede gezien hetgeen ik hierboven in 3.4 met betrekking tot klacht 1 reeds schreef, tot de slotsom dat ook deze klacht ongegrond is.

3.15

Ik houd ook rekening met de mogelijkheid dat Uw Raad klacht 2 wèl gegrond zal achten, en wel waar die betoogt dat het vonnis van de rechtbank niet of onvoldoende duidelijk maakt van welk gedeelte van het perceel de onteigening is uitgesproken. Niet wil ik namelijk verhelen dat ik heb geaarzeld over de gegrondheid van dat klachtonderdeel, en wel in verband met een aspect dat mr. Van den Berg in nr. 6 van zijn repliek aanstipt. Het vonnis is bestemd om in de openbare registers te worden ingeschreven, en zou dus ook aan derden die onbekend zijn met de bijzonderheden van de totstandkoming van deze onteigening, zoveel mogelijk duidelijkheid behoren te verschaffen omtrent de ligging van de grens tussen de onteigende en de nog aan [eiser] c.s. toebehorende resterende grond. In dat opzicht verdient het vonnis met verwijzing naar [A] inderdaad niet alle lof. Indien Uw Raad in verband hiermee klacht 2 gegrond acht, zal hij de zaak naar mijn mening niet behoeven te verwijzen maar kan hij die afdoen door, na vernietiging van het vonnis alleen wat betreft het dictum onder 5.1, zelf vervroegd ten algemenen nutte en ten name van de Gemeente Zwolle uit te spreken de onteigening van een gedeelte groot circa 00.29.70 ha, als aangewezen op de (eventueel in Uw arrest te insereren) tekening “Aankoop grond” d.d. 10 januari 2011, nr. [002], van het perceel kadastraal bekend gemeente Zwolle, [001], groot 01.18.81 ha (Wonen, Agrarisch en Terrein, Grasland) ten name van [eiser 1] (1/3 eigendom), [eiser 2] (1/3 eigendom) en [eiseres 3] (1/3 eigendom). Indien Uw Raad daartoe zal overgaan zal Uw arrest op de voet van art. 54 lid 2 Ow (jo art. 80 Ow) een nieuws- of advertentieblad moeten aanwijzen waarin de griffier van Uw Raad het arrest bij uittreksel zal doen plaatsen. Het ligt op de weg van de rechtbank om vervolgens een nieuwe datum te bepalen voor de opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van het onteigende perceel.

3.16

Het lijkt mij voorts wèl nuttig als Uw Raad, het beroep verwerpend, in zijn uitspraak uitdrukkelijk zal overwegen dat de Gemeente kennelijk gevorderd heeft de onteigening uit te spreken van het in de tekening “Aankoop grond” d.d. 10 januari 2011, nr. [002] aangewezen perceelsgedeelte van 00.29.70 ha en dat de rechtbank dienovereenkomstig van dat perceelsgedeelte de onteigening heeft uitgesproken. Dat zal wellicht toekomstige misverstanden met betrekking tot de ligging van het onteigende kunnen voorkomen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 Ow.

2 Immers binnen de termijn van twee plus twee weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 Ow.

3 Dat was na het in art. 78 lid 4 Ow geregelde horen, dat blijkens het Koninklijk Besluit heeft plaatsgevonden op 29 juni 2012.

4 Zie rov. 3.4 (waartegen geen cassatieklachten zijn gericht) van het rechtbankvonnis.

5 (noot WA-G:) Aan te nemen valt dat de rechtbank hier bedoelt: 31 juli 2012. Dat is in ieder geval de datum die het Koninklijk Besluit noemt. Zie voorts productie 6 bij de conclusie van antwoord i.f.i., brief van 31 juli 2012.

6 (noot WA-G:) De rechtbank zal hier wel bedoeld hebben: [eiser] c.s.

7 Met “verzoekbesluit” pleegt te worden bedoeld het besluit tot indiening van een (aan de Kroon gericht) verzoek tot onteigening, zie art. 79 Ow.

8 Zie in dit verband nog de pleitnota van mr. Klostermann (advocaat van de Gemeente i.f.i.) d.d. 10 februari 2014, nr. 1.1, waarin gesteld wordt dat in de administratieve onteigeningsprocedure aanvankelijk abusievelijk “een verkeerde oppervlakte van 3193 m2 genoemd (toevoeging verkeerde kaart)” is.

9 Dat [eiser] c.s. hebben begrepen welk gedeelte ter grootte van 00.29.70 ha van hun onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Zwolle, [001], groot 1.18.81 hectare ([A]) onteigend wordt, valt ook, zoals in punt 2.9 van de schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink is aangevoerd, uit de stukken af te leiden, zie de conclusie van dupliek i.f.i. nr. 14, waar gesteld wordt dat bij verwerving van een perceelsgedeelte van 00.29.70 ha de schuur (net) niet geraakt wordt, terwijl bij de verwerving van een perceelsgedeelte van 00.31.93 de schuur wel wordt geraakt en gedeeltelijk zou moeten worden gesloopt.

10 Zie voor een ander Koninklijk Besluit uit 2010 waarin de Kroon wel degelijk een gedeelte van een grondplannummer ter onteigening aanwees: KB 6 december 2010, nr. 10.003365, Stcrt. 2011 nr. 423 (Terneuzen) m.b.t. grondplannummer 82.

11 Zulks in overeenstemming met de leer van Uw Raad dat de onteigeningsrechter het (koninklijk besluit tot goedkeuring van het) onteigeningsbesluit marginaal toetst, zie nr. 3.4 van mijn conclusie in de zaak met rolnummer 13/02271, ECLI:NL:PHR:2014:29.

12 HR 2 december 1869, W nr. 2959. In dit arrest oordeelde Uw Raad dat “uit den inhoud van art. 21 der onteigeningswet ook reeds volgt, dat het niet-vorderen van al de aangewezen perceelen te gelijker tijd geenszins medebrengt de ontzegging der vordering.” Art 21 Ow, dat voorschreef dat de onteigening van alle voor het werk nodige gronden binnen een arrondissement tegelijkertijd gevraagd moest worden, op straffe van veroordeling van de eiser in al de kosten van de gedingen die over later aangevraagde onteigeningen gevoerd worden, is bij de Wet van 5 juli 1920, Stb. 329 vervallen. Nadien heeft Uw Raad evengoed nog geoordeeld dat de onteigenaar (zelfs tijdens het geding) zijn vordering mag beperken, zie HR 24 december 1969, NJ 1971/75 met noot W.Bl. (Noorland/Rotterdam). Zie voorts Telders, nieuw voor oud (2006) nr. 404 (Van der Feltz) en Den Drijver-van Rijckevorsel e.a., Handboek onteigening, vierde druk (2013), blz. 31.

13 Art. 80 (oud) regelde voor Titel IV-onteigeningen de terinzagelegging van het door de gemeenteraad voorlopig goedgekeurde onteigeningsplan; art. 83 (oud) regelde (na gelegenheid voor inspraak door belanghebbenden) het raadsbesluit tot onteigening.