Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
14/04908
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:189, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. WSNP. Overschrijding appeltermijn. Vervolg van HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359. Maatstaf beoordeling ontvangst vonnis. Gebrek aan belang bij slagende klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04908

Mr. L. Timmerman

Zitting 21 november 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie

Deze zaak ziet op de overschrijding van een beroepstermijn en is een vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 20141.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij vonnis van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank Den Haag op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 26 april 2012 ten aanzien van verzoeker tot cassatie (“[verzoeker]”) was uitgesproken2, tussentijds beëindigd. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat [verzoeker] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt en dat hij door zijn toedoen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert (in de zin van art. 350 lid 3, sub c Fw).

1.2

In het door [verzoeker] tegen voornoemd vonnis van 10 oktober 2013 ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 20 februari 2014 [verzoeker] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege een onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. [verzoeker] had hoger beroep ingesteld bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 oktober 2013, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn ex art. 351 lid 1 Fw van acht dagen.

1.3

In hoger beroep had [verzoeker] betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat als gevolg van de postblokkade het vonnis van 10 oktober 2013 hem buiten zijn toedoen te laat heeft bereikt. Het hof overwoog echter (in rov. 5) dat [verzoeker] ter zitting heeft erkend dat hij wist dat hij twee weken na de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 26 september 2013 een vonnis kon verwachten en dat toen hij het vonnis niet ontving, het op zijn weg had gelegen om zelf tijdig bij de rechtbank navraag te doen naar de uitspraak.

1.4

In het door [verzoeker] tegen voornoemd arrest van het hof ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 11 juli 2014 het arrest van het hof vernietigd en het geding naar dat hof terugverwezen ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft daartoe als volgt overwogen:

“3.4 […]

Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt.

Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.

Indien tijdens de mondelinge behandeling waarbij partijen, voorzien van rechtsbijstand, aanwezig waren, door de voorzitter is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zal worden gedaan, en dit ook daadwerkelijk gebeurt, bestaat geen aanleiding om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. (zie voor een en ander HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).

3.5 […]

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank is [verzoeker] in eerste aanleg verschenen, werd hij niet bijgestaan door een advocaat en heeft de rechter aan het slot van de mondelinge behandeling medegedeeld “over twee weken” uitspraak te zullen doen. De uitspraak is op 10 oktober 2013 gedaan. De wettelijke termijn voor het instellen van hoger beroep is acht dagen en verstreek dus op 18 oktober 2013. [verzoeker] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank hem buiten zijn toedoen pas op 22 oktober 2013 heeft bereikt en dat hij vervolgens binnen twee dagen hoger beroep heeft ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder verklaard niet te weten of het voor [verzoeker] bestemde afschrift van de uitspraak van de rechtbank eerst op het adres van de bewindvoerder in plaats van rechtstreeks op het adres van [verzoeker] is bezorgd.

3.6

Nu [verzoeker] in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat en niet blijkt dat hem (in overeenstemming met art. 3.1.4.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) de precieze dag van de uitspraak is medegedeeld, onder vermelding dat hij vanaf dat moment telefonisch naar de uitspraak kon informeren, is sprake van een verzuim van de rechtbank als gevolg waarvan [verzoeker] redelijkerwijs niet hoefde te weten op welke dag de rechtbank uitspraak had gedaan. De verklaring van [verzoeker] dat hij wist dat hij twee weken na de mondelinge behandeling bij de rechtbank een uitspraak kon verwachten, kan dan ook niet het andersluidende oordeel van het hof dragen.

Gelet op de hiervoor in 3.4 genoemde rechtspraak had het hof behoren te onderzoeken of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [verzoeker] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt. De hierop gerichte klachten slagen.”

1.5

Na de verwijzing heeft op 16 september 2014 bij het hof Den Haag een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

1.6

Bij arrest van 23 september 2014 heeft het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen (in rov. 2) dat de termijnoverschrijding voor de appellant verschoonbaar is in het geval deze is veroorzaakt door een hem niet toe te rekenen fout of verzuim, maar dat het hof van oordeel is dat hiervoor, ook na verwijzing, onvoldoende omstandigheden zijn aangevoerd. Blijkens een poststempel van de rechtbank op het vonnis is het vonnis van 10 oktober 2013 aan zowel de schuldenaar als de bewindvoerder op diezelfde dag verzonden. Het dient er dan (aldus het hof) in beginsel ook voor te worden gehouden dat [verzoeker] het vonnis voor het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen. [verzoeker] heeft gevraagd naar zijn reactie op dit door het hof verrichte onderzoek naar de gang van zaken rondom de wijze van verzending van het vonnis ter zitting (van 16 september 2014) verklaard het vonnis niet te hebben ontvangen. Het hof acht zulks evenwel weinig aannemelijk, temeer daar [verzoeker] ter zitting van de rechtbank op 26 september 2013 ook is meegedeeld dat de rechtbank na twee weken vonnis zou wijzen, wat neerkomt op 10 oktober 2014 [2013, LT], de dag waarop het vonnis ook daadwerkelijk is gewezen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

1.7

Ten overvloede oordeelt het hof (in rov. 3) – de niet-ontvankelijkheid weggedacht – dat op grond van de overgelegde stukken (waaronder de verslagen van de bewindvoerder) en het verhandelde ter terechtzitting [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- en afdrachtverplichting. [verzoeker] is meerdere malen door de bewindvoerder op zijn tekortschieten in de informatieverplichting gewezen, maar zulks heeft niet tot verbetering geleid. Daarnaast heeft [verzoeker] een geschatte boedelachterstand van ruim € 15.000,- laten ontstaan en is hij daarmee ernstig tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting.

Het door [verzoeker] naar voren gebrachte (aldus nog steeds het hof) dat hij op dit moment ruim € 15.000,- op de derdenrekening van zijn advocaat heeft staan waarmee hij de boedelachterstand kan inlopen in het geval het hof zou besluiten het vonnis van de rechtbank te vernietigen, maakt het voorgaande niet anders. Het strookt niet (zo overweegt het hof) met de aard van de schuldsaneringsregeling dat de saniet – ter zuivering van zijn verzuim dat hij een achterstand heeft laten ontstaan in zijn afdrachten aan de boedel – zich erop kan beroepen dat het achterstallige saldo op de derdenrekening van zijn advocaat is geplaatst en (alleen) in het geval de schuldsaneringsregeling niet wordt beëindigd, aan de boedel zal worden afgedragen.

1.8

Op grond van het voorgaande concludeert het hof (in rov. 4) dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, waarbij het hof aantekent dat ook indien [verzoeker] wel in zijn beroep had kunnen worden ontvangen zulks niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou hebben kunnen leiden.

1.9

[verzoeker] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 30 september 2014 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.

Het verzoekschrift in cassatie is onderaan, op p. 10, kennelijk abusievelijk gedateerd op 26 februari 2014 (zijnde de datum van het verzoekschrift in cassatie in de cassatieprocedure vóór verwijzing). Mede gezien de datum van de begeleidende faxbrief (zijnde 30 september 2014) ga ik ervan uit dat bedoeld is het verzoekschrift te dateren op 30 september 2014.

1.10

Namens [verzoeker] is aangegeven (op p. 1 van het verzoekschrift tot cassatie) dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die op 16 september 2014 bij het hof heeft plaatsgevonden, is opgevraagd en dat [verzoeker] zich het recht voorbehoudt nadere cassatiemiddelen aan te voeren na ontvangst van dit proces-verbaal.

Bij faxbrief van 23 oktober 2014 met bijlagen is namens [verzoeker] op het (op 16 oktober 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen) proces-verbaal gereageerd. [verzoeker] stelt dat het proces-verbaal incompleet is. Ter zitting heeft hij een stuk betreffende zijn ‘levensloop’ overgelegd en dit stuk ook voorgedragen, besproken en toegelicht. [verzoeker] brengt dit stuk als bijlage bij voornoemde faxbrief alsnog in het geding.

1.11

De bewindvoerder heeft bij brief van 10 oktober 2014 afgezien van het voeren van verweer. Wel merkt hij op dat anders dan op p. 5 van het verzoekschrift tot cassatie vermeld wordt, niet in rechte vaststaat dat de rechtbank het vonnis zowel naar [verzoeker] als naar de bewindvoerder heeft gestuurd op het moment dat de postblokkade nog geldend was. Volgens de bewindvoerder was de postblokkade reeds in mei 2013 geëindigd.

1.12

De bewindvoerder is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de reactie van [verzoeker] op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 16 september 2014, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Het verzoekschrift in cassatie bevat twee middelen, aangeduid als onderdelen 1 en 2.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen (de hierboven al aangehaalde) rov. 2 van het hof, waarin het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en aldus onder meer het recht op hoor en wederhoor heeft miskend. Het middel klaagt voorts dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.

2.3

Ingevolge de verwijzing door de Hoge Raad was het aan het hof om te onderzoeken of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [verzoeker] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan hem is toegezonden of verstrekt. Het hof heeft zijn oordeel dat hiervan geen sprake is gebaseerd op twee gronden. In de eerste plaats is blijkens een poststempel van de rechtbank op het vonnis het vonnis van 10 oktober 2013 aan zowel de schuldenaar als de bewindvoerder op diezelfde dag verzonden. In de tweede plaats is [verzoeker] ter zitting van de rechtbank op 26 september 2013 ook meegedeeld dat de rechtbank na twee weken vonnis zou wijzen, wat neerkomt op 10 oktober 2014 [2013, LT], de dag waarop het vonnis ook daadwerkelijk is gewezen.

2.4

Mijns inziens zijn beide gronden onvoldoende om het oordeel te dragen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2.5

De eerste grond betreft het poststempel van de rechtbank op het vonnis met de tekst: “Dit vonnis is verzonden op: 10 OKT 2013 aan: schuldenaar, curator/bewindvoerder. De griffier.”3 Ondanks dit poststempel valt niet uit te sluiten dat het vonnis pas na afloop van de beroepstermijn (dus na 18 oktober 2013) aan [verzoeker] is toegezonden of verstrekt als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim. Het middel stelt dat gezien de postblokkade het vonnis eerst naar de bewindvoerder was verstuurd en vervolgens met vertraging door de bewindvoerder aan [verzoeker] was doorgestuurd. De rechtbank heeft (aldus het middel) verzuimd om, zoals gebruikelijk in geval van een postblokkade, op de envelop te vermelden “van de rechtbank aan saniet” ter omzeiling van de postblokkade. De bewindvoerder heeft weliswaar aangegeven dat de postblokkade reeds in mei 2013 geëindigd was4, maar hij heeft ook verklaard dat hij niet weet of op zijn adres zowel het voor [verzoeker] als voor de bewindvoerder bestemde afschrift van de uitspraak is bezorgd.5 Een en ander had onderdeel kunnen uitmaken van het onderzoek door het hof. Bij gebreke hiervan kan er niet (in beginsel) van uit worden gegaan (zoals het hof heeft gedaan) dat [verzoeker] het vonnis voor het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen.

2.6

De tweede grond betreft de mededeling van de rechtbank aan [verzoeker] ter zitting van 26 september 2013 dat de rechtbank na twee weken vonnis zou wijzen. Het hof gaat met deze grond voorbij aan de overweging van de Hoge Raad (in rov. 3.6 van zijn arrest van 11 juli 2014) dat de enkele mededeling “na twee weken vonnis” onvoldoende is. Ingevolge art. 3.1.4.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken moet de precieze dag van de uitspraak zijn medegedeeld alsook dat vanaf dat moment telefonisch naar de uitspraak kan worden geïnformeerd. Bij gebreke hiervan hoefde [verzoeker] redelijkerwijs niet te weten op welke dag de rechtbank uitspraak had gedaan.

2.7

Op grond van het voorgaande zouden de tegen rov. 2 van het hof gerichte klachten tot cassatie kunnen leiden en zou alsnog een oordeel gegeven moeten worden over het vonnis van de rechtbank tot tussentijdse beëindiging. Dit oordeel volgt echter uit de overweging ten overvloede van het hof in rov. 3. Onderdeel 2 is hiertegen gericht, maar kan mijns inziens op grond van het hiernavolgende niet slagen. Aangezien als gevolg hiervan het vonnis van de rechtbank tot tussentijdse beëindiging uiteindelijk dan ook in stand zal blijven, concludeer ik tot verwerping van het cassatieberoep.

2.8

Onderdeel 2 is gericht tegen (de hierboven al aangehaalde) rov. 3 van het hof, waarin het hof oordeelt dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- en afdrachtverplichting. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd althans dat zijn overwegingen onbegrijpelijk zijn.

2.9

Het middel geeft allereerst (onder 1-28) aan hetgeen [verzoeker] in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot zijn ‘levensloop’. Dit komt vrijwel overeen met het als reactie op het proces-verbaal van 16 september 2014 (als bijlage bij faxbrief van 23 oktober 2014) in het geding gebrachte stuk. [verzoeker] beschrijft (onder andere) hoe zijn schulden zijn ontstaan, de banen en extra werkzaamheden die hij heeft aangenomen en de problemen met de bewindvoerder die hij heeft ondervonden. Onder verwijzing naar deze ‘levensloop’ klaagt het middel (onder 29) dat het hof in rov. 3 onterecht oordeelt dat vast is komen te staan dat [verzoeker] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting waardoor een grote boedelachterstand is ontstaan. Het middel klaagt voorts (onder 34) dat het hof heeft miskend dat de oorzaken van het ontstaan van de schuldenproblematiek geheel, althans grotendeels buiten de macht van [verzoeker] lagen en dat [verzoeker] er alles aan heeft gedaan om tot een oplossing te komen.

2.10

Hetgeen het middel aanvoert, doet echter niet af aan de vaststelling door het hof dat [verzoeker] een grote boedelachterstand van ruim € 15.000,- heeft laten ontstaan en daarmee ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting. De problemen van [verzoeker] met de bewindvoerder en zijn stelling (onder 30, 31 en 33) dat hij als gevolg van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling rechtstreeks aan zijn crediteuren moest betalen, doen niet af aan zijn verplichting in het kader van de schuldsaneringsregeling om, via en in overleg met de bewindvoerder (en eventueel een budgetbeheerder), aan de boedel af te dragen. Ook indien beroep is ingesteld tegen een uitspraak tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, blijft namelijk een schuldenaar hangende de beroepsprocedure (dus zolang de uitspraak tot tussentijdse beëindiging nog niet onherroepelijk is) gehouden om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen.6 Daarbij komt dat [verzoeker] al in een eerder stadium, voorafgaande aan het vonnis van de rechtbank tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van 10 oktober 2013, een boedelachterstand (geschat op ruim € 6.500,-) had laten ontstaan.

Gezien het voorgaande kan het oordeel van het hof niet als onjuist of onbegrijpelijk worden aangemerkt.

2.11

Het middel richt zich vervolgens (onder 30 en 32) tegen het oordeel van het hof (in rov. 3, laatste volzin) dat het niet met de aard van de schuldsaneringsregeling strookt dat de saniet zich erop kan beroepen dat het achterstallige saldo op de derdenrekening van zijn advocaat is geplaatst en aan de boedel zal worden afgedragen (alleen) in het geval de schuldsaneringsregeling niet wordt beëindigd. Het middel klaagt dat dit oordeel in strijd met het recht, niet op enige wettelijke bepaling gegrond, onbegrijpelijk en onredelijk is, mede gezien het feit dat [verzoeker] rechtstreeks aan zijn crediteuren moest betalen omdat (aldus het middel) er op dat moment geen schuldsaneringsregeling meer liep.

2.12

Het middel miskent dat, zoals hierboven al aangegeven, hangende een beroepsprocedure de schuldsaneringsregeling gewoon van kracht blijft en daarmee ook de verplichting om maandelijks aan de boedel af te dragen. Het tekortschieten in de nakoming van deze verplichting is een grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling in de zin van art. 350 lid 3, sub c Fw. Dit tekortschieten kan niet achteraf worden weggenomen door een aanbod om de boedelachterstand in te lopen onder de voorwaarde dat de schuldsaneringsregeling niet beëindigd wordt. Het middel faalt.

Gelet op het voorgaande faalt bij gebrek aan belang ook de klacht (onder 32) dat het hof miskent dat het bedrag van € 16.000,- op de derdenrekening van de advocaat van [verzoeker]7 niet van [verzoeker] afkomstig is, maar van derden.

2.13

Het middel klaagt tevens (onder 31 en 33) dat het hof miskent dat er geen boedelachterstand was. Het middel wijst erop dat [verzoeker] weliswaar niet aan de bewindvoerder heeft betaald, maar wel rechtstreeks aan de crediteuren. Deze klacht mist echter feitelijke grondslag, omdat deze zich niet verhoudt tot het aanbod van [verzoeker] om de boedelachterstand in te lopen door middel van een op de derdenrekening van zijn advocaat gestort bedrag.

2.14

Het middel bevat geen inhoudelijke klachten tegen het oordeel van het hof (in rov. 3) dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de informatieverplichting. Dit betreft een zelfstandig dragend oordeel van het hof. Bij gebreke van hiertegen gerichte klachten kan het arrest van het hof dan ook tevens op deze grond in stand blijven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G L. Timmerman

1 HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014, 359.

2 Bij de toelatingszitting werd een totale schuldenlast gemeld van circa € 66.000,- (brief van de bewindvoerder van 7 februari 2014 aan het hof, p. 2, onder Inleiding).

3 Productie 1 bij de brief van de bewindvoerder van 7 februari 2014 aan het hof.

4 Ingevolge art. 287 lid 5 Fw geldt de postblokkade in beginsel voor een termijn van 13 maanden. Aangezien de schuldsaneringsregeling op 26 april 2012 was aangevangen, is niet onaannemelijk dat (zoals door de bewindvoerder aangegeven) de postblokkade in mei 2013 geëindigd was. Anderzijds kan ik mij ook voorstellen dat het in de praktijk voorkomt dat een postblokkade, hoewel deze formeel geëindigd is, feitelijk nog gedurende enige tijd in stand blijft. Blijkens zijn verklaring in het in noot 5 genoemde proces-verbaal sluit ook de bewindvoerder dit niet uit.

5 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 13 februari 2014, p. 1.

6 Zie ook Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9377b, die opmerkt dat bij gebreke van uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak van de rechtbank, hangende het hoger beroep de schuldsaneringsregeling gewoon van kracht is. In dit verband is van belang art. 351 lid 4 en 5 Fw, ingevolge welke bepalingen de griffier van het hof respectievelijk van de Hoge Raad van het arrest onverwijld kennis geeft aan de griffier van de rechtbank. De rechtbank is immers bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling betrokken en zal moeten waken voor de voortgang dan wel de afwikkeling van de schuldsaneringsregeling (H.H. Lammers, GS Faillissementswet, art. 351 Fw, aant. 6.5 en 7.2).

7 Blijkens rov. 3 van het arrest van het hof van 23 september 2014 betreft het een bedrag van € 15.000,-.