Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2234

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
14/00580
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3464, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van drie auto’s uit Japan. Na ontvangst van de uitnodigingen tot betaling heeft zij de verschuldigde douanerechten betaald. Bij twee van de auto’s zijn in het tweede respectievelijk derde jaar na invoer defecten geconstateerd en op basis van garantieverplichtingen op kosten van de Japanse verkoper/fabrikant gerepareerd. Bij de derde auto is binnen een jaar na invoer in het kader van een terugroepactie uit voorzorg - eveneens op kosten van de fabrikant - een onderdeel vervangen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bij de aangiften voor het vrije verkeer van de auto’s als douanewaarde gehanteerde transactiewaarde moet worden verminderd met de reparatiekosten (respectievelijk de vervangingskosten) en heeft verzocht om terugbetaling van douanerechten. De Inspecteur heeft terugbetaling geweigerd.

Deze procedure draait om de vraag of de voorwaarden die in artikel 145, leden 2 en 3, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW) worden gesteld aan aanpassing van de douanewaarde, in strijd zijn met het bepaalde in artikel 29, lid 1, onder a en lid 3, en/of artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) en om die reden buiten toepassing moeten blijven. Daarnaast speelt de vraag of de in artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW gehanteerde term ‘gebreken’ het geval omvat waarin uit voorzorg een onderdeel van een goed - in dit geval een auto - wordt vervangen.

Rechtbank Noord-Holland oordeelde, onder verwijzing naar de bevoegdheid van de Europese Commissie en het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 19 maart 2009, Mitsui & Co, C-256/07, dat artikel 145, lid 2 en lid 3, van de UCDW verbindend is en dat een kans op een gebrek geen gebrek vormt in de zin van artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW.

Na te hebben betoogd, dat het CDW voorrang heeft ingeval een bepaling uit de UCDW daarmee strijdig is, en na te hebben vastgesteld dat het HvJ moet worden geraadpleegd indien een nationale rechter van oordeel is dat een uitvoeringsbepaling in strijd is met een bepaling uit het CDW, gaat A-G Van Hilten in op de vraag of artikel 145, lid 2 en/of lid 3, van de UCDW in strijd is met het bepaalde in artikel 29 en/of artikel 236 van het CDW. Artikel 29 van het CDW bepaalt dat in beginsel de transactiewaarde van goederen als ‘douanewaarde’ geldt, dat wil zeggen de maatstaf van heffing van douanerechten vormt. De A-G is van mening dat het hierbij gaat om de tussen partijen overeengekomen (subjectieve) koopprijs voor een goed. Uit artikel 67 van het CDW leidt de A-G af dat het voor de bepaling van de transactiewaarde doorslaggevende tijdstip het tijdstip van aanvaarding van de aangifte is. Het kan echter voorkomen, aldus de A-G, dat de goederen bij binnenkomst in de Unie niet die ‘karaktereigenschappen’ hebben waarvoor de koper bereid was het overeengekomen bedrag te betalen (bijvoorbeeld goederen die beschadigd blijken te zijn). Indien de koper, tegen vermindering van de vergoeding (de goederen hebben immers een lagere waarde dan de oorspronkelijke transactiewaarde), genoegen neemt met de inferieure goederen, vloeit volgens de A-G rechtstreeks uit artikel 29 van het CDW voort dat in een dergelijk geval de douanewaarde moet worden verminderd. Óók als pas na de invoer de lagere prijs wordt overeengekomen: áls de aanleiding voor de prijsaanpassing maar kan worden gevonden in de (staat van de) goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte. Dát tijdstip is immers doorslaggevend voor de bepaling van de douanewaarde.

Met betrekking tot de uitvoeringsbepaling van artikel 145 van de UCDW is de A-G van mening dat het tweede lid van dat artikel - wat betreft het vereiste dat op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte al iets ‘mis’ is met de goederen - niet in strijd is met hetgeen in artikel 29 van het CDW is bepaald. Het lijkt haar dat de geldigheid van het tweede lid wat betreft de daarin onder a geformuleerde voorwaarde staat of valt met de uitlegging van het daarin gehanteerde begrip ‘gebreken’. De A-G komt tot de slotsom dat het in artikel 145, lid 2, onder a (en c) gehanteerde begrip ‘gebreken’ zo moet worden uitgelegd dat het ook fabricagefouten als zodanig omvat (ruime uitlegging). Een interpretatie op basis waarvan alleen ‘echte’ defecten onder het bereik van de bepaling vallen, botst haars inziens met het bepaalde in artikel 29 van het CDW. Voor het onderhavige geval betekent dit dat de douanewaarde van de derde auto naar haar mening moet worden verminderd met het reparatiebedrag en dat aanleiding bestaat voor terugbetaling van de daarop drukkende douanerechten. Alhoewel zij redelijk zeker is van de juistheid van haar conclusie met betrekking tot de interpretatie van de ‘gebreken’ van artikel 145, lid 2, van de UCDW, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging om een prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen over de uitlegging van dat begrip.

Vervolgens gaat de A-G nader in op het derde lid van artikel 145 van de UCDW. Deze bepaling vereist voor aanpassing van de douanewaarde dat de verkoper de prijs vermindert binnen 12 maanden na de aanvaarding van de aangifte, ongeacht of de garantieperiode al dan niet langer doorloopt en mits bewezen is dat de gebreken die tot prijswijziging hebben geleid, ten tijde van de aanvaarding van de aangifte (verborgen) aanwezig waren. De A-G meent dat wat valt te zeggen vóór het geldig achten van de twaalfmaandstermijn, maar dat ook verdedigd kan worden dat die termijn niet gesteld mag worden omdat deze niet in overeenstemming is met het bepaalde in het CDW. Ook met betrekking tot dit punt adviseert zij de Hoge Raad het HvJ te verzoeken om uitsluitsel te geven.

Ten aanzien van de ‘algemene termijn van drie jaar’ van artikel 236, lid 2, van het CDW, waarmee volgens belanghebbende artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is, merkt de A-G op dat een vergelijking van artikel 145, lid 3, van de UCDW met artikel 236 van het CDW een vergelijking tussen appels en peren is; artikel 236 ziet op de termijn voor terugbetaling van niet wettelijk verschuldigde rechten, artikel 145, lid 3, van de UCDW betreft de termijn waarbinnen de verkoper de prijs van goederen moet verminderen, wil deze vermindering leiden tot een vermindering van de douanewaarde. Dat zijn verschillende grootheden. Het gaat er haars inziens dan ook louter om of de termijn van artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is met artikel 29 van het CDW en om die reden terzijde moet worden geschoven.

A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2016/340 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. M.E. van Hilten

Advocaat-Generaal

Conclusie van 25 november 2014 inzake:

HR nr. 14/00580

[X] B.V.

Rb nrs. AWB 13/1936 en AWB 13/1955

Derde Kamer A

tegen

Douanerechten

Augustus 2007 en maart 2008

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Deze zaak gaat over drie auto’s die vanuit Japan in Nederland in de Europese Unie zijn ingevoerd. Twee van de auto’s vertoonden – in het tweede, respectievelijk derde jaar na de invoer – defecten. In het kader van een garantieregeling zijn deze defecten op kosten van de Japanse verkoper (tevens fabrikant van de auto’s) in Nederland gerepareerd. Bij de derde auto is in het kader van een zogenoemde terugroepactie uit voorzorg een onderdeel vervangen, binnen een jaar na invoer, en ook op kosten van de fabrikant.

1.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bij de aangiften voor het vrije verkeer van de auto’s als douanewaarde gehanteerde transactiewaarde moet worden verminderd met de reparatiekosten (respectievelijk de vervangingskosten) en heeft verzocht om terugbetaling van douanerechten. De Inspecteur1 heeft terugbetaling geweigerd. Terecht, naar Rechtbank Noord-Holland (hierna: de Rechtbank) oordeelde.

1.3

In (sprong)cassatie gaat het om de vraag of de voorwaarden die in artikel 145, leden 2 en 3, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW)2 worden gesteld aan aanpassing van de douanewaarde, in strijd zijn met het bepaalde in artikel 29, lid 1, onder a en lid 3, en/of artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW)3 en om die reden buiten toepassing moeten blijven. Daarbij wordt de vraag opgeworpen (en besproken) of de in artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW gehanteerde term ‘gebreken’ het geval omvat waarin uit voorzorg een onderdeel van een goed – in dit geval een auto – wordt vervangen.

1.4

Het gaat in deze procedure om een luttel bedrag: € 13,12. Dat betekent niet dat het belang van de zaak beperkt is tot enkele euro’s. Reparaties onder meerjarige garantie en terugroepacties komen vaker voor, ook bij andere importeurs van andere auto’s c.q. automerken. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere lidstaten van de Europese Unie. Dat is een overweging bij de afweging of vragen moeten worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) dan wel of de geldigheid en de uitlegging van de in geding zijnde uitvoeringsbepaling zo duidelijk is dat iedere instantie in iedere lidstaat deze op dezelfde manier uitlegt.4

2 Feiten en procesverloop

2.1

Belanghebbende is importeur in Nederland van auto’s die in Japan zijn geproduceerd door [E] Ltd. Zij beschikt over een vergunning entrepot type E met gebruik van de domiciliëringsprocedure5.

2.2

Door inschrijving in haar administratie heeft belanghebbende – voor zover in cassatie van belang – in augustus 2007 respectievelijk in maart 2008, de volgende auto’s voor het vrije verkeer aangegeven:

Inschrijving

Uitnodiging tot betaling (utb) 6

- [D] (hierna: [D] ):

augustus 2007

11 september 2007

- [A] (hierna: [A] ):

augustus 2007

11 september 2007

- [C] (hierna: [C] ):

maart 2008

3 april 2008

2.3

Belanghebbende heeft de ter zake verschuldigde douanerechten na ontvangst van vorengenoemde uitnodigingen tot betaling tijdig betaald.

2.4

Nadat de auto’s in het vrije verkeer waren gebracht, zijn bij twee daarvan in het tweede respectievelijk derde jaar na invoer defecten geconstateerd en op basis van garantieverplichtingen van de verkoper/fabrikant gerepareerd. Bij de derde auto is in het kader van een zogenoemde ‘terugroepactie’ een onderdeel vervangen.7 In punt 2.5 hierna is in concreto vermeld om welke werkzaamheden het gaat. De hier bedoelde reparaties en vervangingen heeft belanghebbende in Nederland laten uitvoeren. De fabrikant heeft de daarmee gemoeide kosten aan belanghebbende betaald.8

2.5

Bij brief van 10 mei 20109 heeft belanghebbende op de voet van artikel 236 van het CDW ter zake van de hiervoor in punt 2.2 vermelde auto’s om de hierna vermelde redenen, verzocht om terugbetaling van de volgende bedragen aan douanerechten:10

Gevraagde terugbetaling

Reden

- [C]

€ 3,56

Vervanging van een defecte sponningrubber in het tweede jaar na de invoer.

- [D]

€ 3,11

Vervanging van een deurhanger links voor in het derde jaar na invoer.

- [A]

€ 6,45

Uit voorzorg vervangen van de stuurkoppeling in verband met terugroepactie door de fabrikant.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de terugbetaling (creditering) door de fabrikant met betrekking tot de teruggeroepen [A] heeft plaatsgevonden binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.11

2.6

Op 28 maart 2013 is door de RDW een “Overzicht terugroepactie” gepubliceerd.12 Daarin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Merk/Type

[A] (M4#)

Categorie defect

Motorrijtuigen en aanhangwagens – stuurinrichting

Omschrijving defect

De mogelijkheid bestaat dat de bouten van de stuurkoppeling op de stuuras niet goed zijn vast gedraaid.

Materiële gevolgen

De kans bestaat dat de verbinding van de stuurkoppeling op de stuuras los gaat zitten. Dit kan worden herkend door optredend geluid tijdens inparkeren en manouvreren13 bij lage snelheid. Na verloop van tijd kan dit leiden tot losraken van deze koppeling en onbestuurbaar worden van het voertuig.

Mogelijk gevaar

Een (verkeers)ongeval met letselschade

Beschrijving van het herstel

De producent roept de betreffende voertuigen terug, neemt maatregelen om het defect te verhelpen. De voertuigeigenaar wordt uitgenodigd een afspraak te maken met een merkdealer. De dealer zal de stuurkoppeling dan vervangen.

(…)

Opmerkingen RDW

Deze terugroepactie is door de fabrikant op 15 oktober 2007 aangekondigd.”

2.7

Bij twee beschikkingen van 9 juni 2010 heeft de Inspecteur de verzoeken om terugbetaling afgewezen.14

2.8

Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij (twee) uitspraken op bezwaar van 28 februari 201315 heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard wat betreft de in cassatie in geschil zijnde verzoeken om terugbetaling.16

3 Geding voor de Rechtbank

3.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank.17 Voor de Rechtbank is in geschil of de Inspecteur de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen.

3.2

Het geschil bij de Rechtbank spitst zich primair toe op de vraag of artikel 145, lid 2 en lid 3, van de UCDW verbindend is. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, is voorts in geschil of voor [A] voldaan is aan de voorwaarde dat deze auto ten tijde van het aanvaarden van de aangifte ten invoer een gebrek vertoonde. Dit geschilpunt spitst zich, aldus de Rechtbank, toe op de vraag of de kans op een gebrek een gebrek in de zin van artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW vormt.

3.3

De eerste vraag beantwoordde de Rechtbank bevestigend. Naar haar oordeel zijn de leden 2 en 3 van artikel 145 van de UCDW verbindend. Zij overwoog daartoe:

“4.4. De rechtbank leidt uit het arrest Mitsui en de conclusie van de advocaat-generaal bij laatstgenoemd arrest in samenhang bezien met de tekst en de samenhang van het speciale verslag nummer 23/2000 van de Europese Rekenkamer over de waardebepaling van geïmporteerde goederen voor de douane (…) en de reactie van de Commissie hierop, punten 5 en 6 van de considerans van Verordening (EG) Nr. 444/2002 van de Commissie (…) af dat de Commissie uiteindelijk van mening was dat verlaging van de douanewaarde als gevolg van reparaties op basis van een door de fabrikant verstrekte garantie op de voet van artikel 29 van het CDW mogelijk is. Met de invoering van artikel 145, tweede en derde lid, van de TCDW heeft de Commissie een uniforme handelwijze ingevoerd en een einde willen maken aan de gesignaleerde verschillen tussen de handelwijze van de douaneautoriteiten in de verschillende lidstaten. (…) Uit de punten 27 tot en met 29 van het arrest Mitsui kan worden afgeleid dat de voorwaarden van artikel 145, tweede lid, van de TCDW niet in strijd zijn met (artikel 29 van) het CDW. Indien dit anders was, had het Hof van Justitie van de Europese Unie deze voorwaarden immers niet zo uitgebreid hoeven bespreken, maar kunnen volstaan met de constatering dat c.q. in hoeverre deze onverbindend zijn.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen, vloeit voort dat artikel 236 van het CDW niet van toepassing is op de onderhavige situatie. Indien dit wel het geval zou zijn geweest, had het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen volstaan met dit oordeel. (…) Uit punt 36 van het arrest Mitsui (…) leidt de rechtbank af dat het Hof van Justitie van de Europese Unie van oordeel is dat de Commissie een afwijkende termijn heeft mogen stellen en dat artikel 145, derde lid, van de TCDW verbindend is.”

3.4

De vragen of [A] ten tijde van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een gebrek vertoonde en of de kans op een gebrek voldoende is om artikel 145, lid 2, onder a, UCDW toe te passen beantwoordt de Rechtbank ontkennend:

“4.9. De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de last rust om te bewijzen (punt 27 van het arrest Mitsui) dat aan de in artikel 145, tweede lid, van de TCDW geformuleerde voorwaarden is voldaan. Eiseres heeft het bewijs dat de [A] op het moment van het aanvaarden van de aangifte ten invoer reeds een gebrek vertoonde, niet geleverd. In het onder 2.418 geciteerde bericht is slechts vermeld dat er een kans bestaat dat een [A] een gebrek heeft. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat de werkplaats die de stuurkoppeling heeft vervangen, voor deze auto niet heeft bevestigd dat het gebrek daadwerkelijk aanwezig was. De werkplaats heeft slechts vermeld dat de stuurkoppeling is vervangen. De rechtbank acht dit onvoldoende, te meer nu eiseres voor de [B] , waarvoor wel een terugbetaling is verleend, hoewel eveneens sprake was van een terugroepactie, wel het bewijs van een daadwerkelijk gebrek kon leveren.19 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de kans op of de mogelijkheid van een gebrek niet voldoende is. Verweerder heeft de terugbetaling voor de [A] terecht geweigerd te verlenen.”

3.5

Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 20 december 2013, nrs. AWB 13/1936 en AWB 13/1955, ECLI:NL:RBNHO:2013:12508, DR 2014/25, heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

4 Het geding in cassatie

4.1

Belanghebbende heeft met toepassing van artikel 28, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tijdig en ook overigens op regelmatige wijze, beroep in (sprong)cassatie ingesteld.20 Zij heeft tien cassatiemiddelen voorgesteld, die ik in twee clusters onderscheid en als volgt samenvat.

4.2

Verbindendheid, gebrek en kans op een gebrek

4.2.1

Met de eerste vijf middelen komt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat artikel 145, lid 2, (aanhef en onder a) van de UCDW verbindend is, alsmede tegen de oordelen van de Rechtbank dat niet is bewezen dat [A] een gebrek vertoonde en dat een kans op een gebrek nog geen gebrek is in de zin van onderdeel a, van die bepaling.

4.2.2

Ter toelichting voert belanghebbende aan dat de douanewaarde moet worden vastgesteld op de werkelijk betaalde of de te betalen prijs die de werkelijke economische waarde van het ingevoerde goed vertegenwoordigt. De werkelijke economische waarde wijkt niet alleen af van de oorspronkelijk overeengekomen prijs bij gebreken met directe materiële gevolgen (een daadwerkelijk feilen), maar – zo betoogt belanghebbende – ook bij een fabricagefout. Indien artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW verlaging van de douanewaarde uitsluit ingeval van een fabricagefout die geen daadwerkelijk gebrek heeft veroorzaakt, is dat in de opvatting van belanghebbende in strijd met (artikel 29, lid 1, onder a, en lid 3, van) het CDW. Dit brengt, aldus nog steeds belanghebbende, met zich dat artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW onverbindend is en buiten toepassing moet blijven. Zo geoordeeld wordt dat deze bepaling wel verbindend is, legt de Rechtbank, aldus belanghebbende, het begrip ‘gebrek’ te beperkt uit, waardoor alleen gebreken met directe materiële gevolgen daaronder vallen, en niet mede fabricagefouten met een kans op materiële gevolgen. Daarbij treedt de Rechtbank, zo betoogt belanghebbende, buiten de rechtsstrijd door te oordelen dat niet is bewezen dat [A] een gebrek vertoont: dát [A] een fabricagefout heeft is immers tussen partijen in confesso. Tot slot voert belanghebbende aan dat de Rechtbank haar motivering omtrent de geldigheid van artikel 145, lid 2, van de UCDW ten onrechte doet steunen op het arrest van het HvJ van 19 maart 2009, Mitsui & Co, C-256/07 (hierna: het arrest Mitsui), omdat in dit arrest geen argumenten voor de geldigheid van artikel 145, lid 2, van de UCDW zijn genoemd.

4.3

Verbindendheid en twaalfmaandstermijn

4.3.1

De tweede ‘set’ van vijf cassatiemiddelen heeft betrekking op de twee Sirions. In deze middelen bestrijdt belanghebbende met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van de Rechtbank dat de voorwaarde voor vermindering van de douanewaarde dat de wijziging van de transactiewaarde binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte moet hebben plaatsgevonden, niet in strijd is met het bepaalde in het CDW.

4.3.2

Ter toelichting herhaalt belanghebbende dat de douanewaarde - bij iedere terugbetaling van de verkoper of fabrikant op grond van een garantieverplichting - verlaagd dient te worden, ook al vindt de terugbetaling door de verkoper pas na meer dan twaalf maanden plaats. Een andere uitlegging leidt volgens belanghebbende tot strijd met de bepalingen in het CDW inzake de douanewaarde. Daarbij komt nog dat de fabrikant wettelijk verplicht is de douanewaarde (na meer dan een jaar) aan te passen; zulks volgt – aldus belanghebbende – uit Richtlijn 1999/44/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (hierna: garantierichtlijn)21. Ten onrechte beperkt artikel 145, lid 3, van de UCDW de mogelijkheid van vermindering van de douanewaarde tot die welke op “contractuele” verplichtingen gebaseerd zijn. De in artikel 145, lid 3, van de UCDW opgenomen twaalfmaandstermijn is bovendien, zo betoogt belanghebbende, in strijd met de regeling inzake terugbetaling van artikel 236 van het CDW, nu toepassing van de uitvoeringsbepaling effectief de mogelijkheid van teruggaaf beperkt tot twaalf maanden na invoer. Wegens strijdigheid van de uitvoeringsbepaling met vermelde bepalingen uit het CDW, moet deze bepaling derhalve onverbindend worden verklaard.

4.4

De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

4.5

Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om een conclusie van repliek in te dienen.

5 Strijd tussen verordening en uitvoeringsverordening: voorrangsregeling

5.1

De belangrijkste pijler onder belanghebbendes beroep in cassatie, is haar betoog dat artikel 145, leden 2 (, aanhef en onder a)22 en 3 van de UCDW als strijdig met het bepaalde in artikel 29 en/of artikel 236 van het CDW, buiten toepassing moet blijven.

5.2

Bij de bespreking van (de houdbaarheid van) dit betoog, dienen twee vragen te worden onderscheiden: (i) de vraag of de leden 2 en 3 van artikel 145 van de UCDW strijdig zijn met genoemde bepalingen uit het CDW, en zo ja, (ii) of dit tot gevolg heeft dat de bepaling uit de UCDW ter zijde moet worden gesteld. Deze laatste vraag moet als eerste worden beantwoord, en hoewel een (bevestigend) antwoord voor de hand ligt, besteed ik hierna toch aandacht aan de verhouding en de voorrangsregeling tussen CDW en UCDW én de vervolgvraag naar de consequenties van een oordeel van de nationale rechter dat een bepaling uit de UCDW niet in overeenstemming is met bepalingen uit het CDW.

5.3

Verhouding tussen CDW en UCDW

5.3.1

Hoewel het CDW en de UCDW instrumenten van regelgeving van dezelfde soort zijn – het zijn beide verordeningen – en hoewel in het VWEU23 niet is bepaald dat een verordening van de ene instelling (de Raad) in hiërarchie hoger is dan die van een andere instelling (de Commissie), meen ik dat het CDW voorrang heeft op de UCDW.

5.3.2

Dit primaat van het CDW volgt uit zijn basis en zijn karakter.

5.3.3

Het CDW vindt zijn wortels in het (toen nog) EEG-verdrag (hierna: EEG), met name – vide de aanhef van de considerans van het CDW – de artikelen 2824, 100A25 en 11326. Bij de totstandkoming van het CDW zijn, gezien deze verdragsbepalingen, de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité betrokken. Geconverteerd naar het huidige artikel 289 VWEU zouden we tegenwoordig het CDW aanduiden als ‘wetgevingshandeling’.27

5.3.4

De UCDW heeft andere wortels. Deze liggen niet in het Verdrag, maar in het CDW zelf, en wel in artikel 249 (oud).28 Daarin is opgenomen dat ‘de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek’ worden vastgesteld door de Commissie volgens de in lid 2 en lid 3 van artikel 249 van het CDW omschreven procedure. Bij deze procedure zijn in beginsel slechts het Comité douanewetboek en de Commissie betrokken. In de terminologie van artikel 289, lid 2 en 290 VWEU zou de UCDW een niet-wetgevingshandeling zijn (want niet volgens de wetgevingsprocedure van het Verdrag vastgesteld).

5.3.5

In de rechtspraak van het HvJ is de vraag aan de orde geweest of het algemeen gestelde artikel 249 van het CDW een voldoende machtigingsgrondslag voor de UCDW biedt. Die vraag beantwoordt het HvJ bevestigend: de UCDW vindt terecht en rechtsgeldig haar basis in artikel 249 van het CDW. Ik citeer en cursiveer dienaangaande uit het arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98 (hierna: arrest Söhl & Söhlke):

“34. (…) zij erop gewezen, dat volgens de rechtspraak van het Hof, de Raad, wanneer hij in zijn basisverordening de hoofdbeginselen van de te regelen materie heeft vastgelegd, aan de Commissie de algemene bevoegdheid tot vaststelling van de toepassingsbepalingen ervan kan delegeren, zonder dat hij de belangrijkste elementen van de gedelegeerde bevoegdheden heeft te preciseren, zodat een in algemene termen geformuleerde bepaling daartoe een toereikende machtigingsgrondslag biedt (…).

35. Vastgesteld moet dus worden, dat artikel 249 van het douanewetboek voor de Commissie een toereikende machtigingsgrondslag vormt om de toepassingsbepalingen van het douanewetboek (…) vast te stellen.

(…)

41. Nu bovendien volgens de vijfde overweging van de considerans van de toepassingsbepalingen, “de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het comité douanewetboek”, moet worden vastgesteld, dat artikel 249 van het douanewetboek, houdende de procedure tot vaststelling van toepassingsbepalingen, is nageleefd en dat de verordening houdende deze toepassingsbepalingen geldig is vastgesteld.”

5.3.6

De worteling van de UCDW in het CDW als zodanig is derhalve voldoende stevig en met het bepaalde in artikel 249 van het CDW is ook duidelijk wat het karakter van de UCDW is: zoals ook haar aanduiding ‘Verordening (…) tot vaststelling van enkele29 bepalingen ter uitvoering van’ het CDW, aangeeft, beoogt zij uitvoering te geven aan het CDW, waarmee ook gegeven is dat het CDW het karakter van ‘basisverordening’ heeft. De voorrang van het CDW lijkt mij daarmee een gegeven. Zonder CDW heeft de UCDW immers geen bestaansrecht.

5.4

Reikwijdte uitvoeringsverordening

5.4.1

Dat de UCDW een voldoende verankering vindt in het CDW, wil nog niet zeggen dat de Commissie de vrijheid heeft om in de uitvoeringsverordening te bepalen wat zij wil. Uit het karakter van de UCDW van uitvoeringsverordening vloeit mijns inziens reeds voort dat de bepalingen daarin in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het CDW. Of, zoals De Witte30 het uitdrukt (mijn cursivering):

“In practice, however, the text of a regulation frequently provides that implementing measures must be taken (…) by a Community Institution (usually the Commission) (…) Implementation by the Commission frequently takes place by means of decisions, but often also by means of (further) regulations; in the latter case, the implementing regulation must be in conformity with the basic regulation, and there is in fact a hierarchy between two legal instruments which have the same nomination: not exactly a model of transparency (…)”

5.4.2

Toegespitst op de verhouding tussen het CDW en de UCDW kan ook worden gewezen op het eerder aangehaalde arrest Söhl & Söhlke. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat bepalingen in een (de) uitvoeringsverordening niet alleen conform de ‘basisverordening’ moeten zijn, maar ook dat zij ‘noodzakelijk’ of ‘nuttig’ zijn. Ik citeer en cursiveer:

“36. (…) uit de rechtspraak van het Hof [volgt], dat de Commissie alle noodzakelijke of nuttige toepassingsbepalingen kan vaststellen voor de uitvoering van de basisverordening, mits zij niet in strijd zijn met de basisverordening zelf (…).

(…)

38. In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat artikel 204 noch enige andere bepaling van het douanewetboek zich ertegen verzet, dat de Commissie een uitputtende regeling vaststelt inzake de verzuimen die “zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling”, zodat de bij artikel 859 van de toepassingsbepalingen ingevoerde uitputtende regeling niet in strijd is met het douanewetboek.

39. In de tweede plaats volgt uit de zevende en de achtste overweging van de considerans van het douanewetboek, dat het in de bedoeling van de Raad lag, enerzijds „een eenvormige toepassing van dit wetboek te waarborgen” in de lidstaten, door in een bijzondere procedure te voorzien die het mogelijk maakt binnen een passende termijn de toepassingsbepalingen vast te stellen, en anderzijds ervoor te zorgen dat “bij het vaststellen van de uitvoeringsmaatregelen” van het douanewetboek, zo veel mogelijk wordt gelet “op de voorkoming van fraude en onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen”.

40. Gelet op deze doelstellingen en op de noodzaak de gelijkheid van behandeling van alle marktdeelnemers in alle lidstaten te verwezenlijken, moet artikel 859 van de toepassingsbepalingen, dat de uniforme toepassing van een bepaling van het douanewetboek in alle lidstaten verzekert, niet alleen worden beschouwd als nuttig, doch ook als noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de basisverordening.”

5.4.3

Met name uit de laatstgeciteerde overweging leid ik af dat een uitvoeringsbepaling die ertoe bijdraagt dat in alle lidstaten – en dus voor alle marktdeelnemers – aan het Unierecht op dezelfde wijze uitvoering wordt gegeven, al snel een nuttige, of zelfs noodzakelijke bepaling zal zijn.

5.4.4

Bevestiging daarvan vind ik in het arrest van het HvJ van 13 december 2007, Asda Stores, C-372/06 (hierna: arrest Asda), waarin het ging om de vraag of het in (bijlage 11 van) de UCDW gehanteerde criterium ‘toegevoegde waarde’ ter bepaling van de (preferentiële) oorsprong van goederen, in strijd is met het bepaalde in (artikel 24 van) het CDW, dat een ‘ingrijpende verwerking of bewerking’ als criterium hanteert. Het HvJ zag geen strijdigheid, overwegende – na het arrest Söhl & Söhlke in herinnering te hebben geroepen (in punt 34 van het arrest Asda) – met cursiveringen van mijn hand:

“35 Voorts beschikt de Commissie bij de uitoefening van de bevoegdheid die de Raad haar met het oog op de toepassing van (….) het communautair douanewegboek heeft toegekend, over een beoordelingsvrijheid om de abstracte begrippen van deze bepaling [MvH: artikel 24 van het CDW] met betrekking tot specifieke verwerkingen of bewerkingen te preciseren (….).

45 Het staat immers aan de Commissie om, in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij beschikt om de maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van het communautair douanewetboek, (…) bepalingen van algemene aard vast te stellen die in het belang van de rechtszekerheid duurzaam rekening houden met de globale situatie van een industriesector en die nadien niet kunnen worden aangetast door de bijzondere situatie op een bepaald tijdstip van deze of gene onderneming in die sector (…).

48 In een dergelijke context impliceert het vereiste van uniforme toepassing van de douanevoorschriften op het gehele douanegebied van de Gemeenschap dat de abstracte begrippen “laatste ingrijpende verwerking of bewerking”, waarnaar artikel 24 van het communautair douanewetboek voor alle goederen verwijst, voor specifieke producten, (…) nader worden omschreven in bijzondere bepalingen waarin rekening kan worden gehouden met de verscheidenheid van de fabricageprocedés van deze toestellen. Derhalve geeft de toepassing van een duidelijk en objectief criterium, zoals dat van de toegevoegde waarde, aan de hand waarvan voor dit type goederen met een complexe samenstelling kan worden uitgedrukt waarin de ingrijpende verwerking bestaat die de oorsprong daaraan verleent, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (…).”

5.4.5

Uit de hiervoor geciteerde arresten leid ik af dat het HvJ niet heel snel geneigd is bepalingen uit de UCDW als in strijd met het CDW opzij te zetten. Wat betreft die strijdigheid lijkt het erop dat zolang het CDW maar niet uitdrukkelijk uitsluit dat een bepaalde regeling wordt getroffen, een zodanige regeling door de beugel kan, ook indien daaruit een beperkende werking van het ‘basisartikel’ voortvloeit (vlg. het arrest Söhl & Söhlke over artikel 204 van het CDW tegenover artikel 859 van de UCDW, aangehaald in punt 5.4.2). Voorts worden in de UCDW neergelegde (uitvoerings)bepalingen door het HvJ al snel nuttig en noodzakelijk geacht. Het Leitmotiv daarbij lijkt te zijn dat zolang een uitvoeringsbepaling maar bijdraagt aan eenvormige uitlegging en rechtszekerheid, deze verenigbaar is met de basisverordening.31

5.5

Wat te doen bij geconstateerde strijdigheid?

5.5.1

Dat het HvJ niet zo snel geneigd is om bepalingen uit de UCDW in strijd te achten met bepalingen uit het CDW, betekent niet dat ondenkbaar is dat uitvoeringsbepalingen in strijd zijn met bepalingen uit de (een) basisverordening. Zou de Hoge Raad tot de slotsom komen dat artikel 145, lid 2 en/of lid 3, van de UCDW niet door de beugel van het CDW kan, dan is het echter niet aan hem een dergelijke strijdigheid uit te spreken c.q. de bepaling uit de UCDW buiten toepassing te laten. Die bevoegdheid komt (slechts) het HvJ toe. Reeds in zijn arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost, zaak 314/85, oordeelde het HvJ in deze zin. In dit arrest werd geoordeeld dat nationale rechterlijke instanties wél een verordeningsbepaling32 geldig mogen verklaren (cursivering MvH):

“14 De nationale rechterlijke instanties kunnen een onderzoek instellen naar de geldigheid van een gemeenschapshandeling en, indien zij menen dat de door partijen aangevoerde middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, deze verwerpen door vast te stellen dat de handeling ten volle geldig is. (…)”

Zij zijn daarentegen (cursivering MvH):

“15 (…) niet bevoegd, handelingen van de Gemeenschapsinstellingen ongeldig te verklaren.

(…)

17 Aangezien het Hof (…) bij uitsluiting bevoegd is ter zake van nietigverklaring van een handeling van een Gemeenschapsinstelling, is het voor de samenhang van het stelsel noodzakelijk dat ook de bevoegdheid om de ongeldigheid vast te stellen wanneer daarop voor de nationale rechter een beroep wordt gedaan, alleen aan het Hof toekomt.”

5.5.2

Dat betekent dat de nationale rechter die oordeelt dat een (bepaling uit) een verordening of richtlijn niet in overeenstemming is met ‘hoger’ Europees recht, dit zal moeten voorleggen aan het HvJ.33

5.5.3

Kortom: zo de conclusie van deze conclusie is dat artikel 145, lid 2 en/of lid 3, van de UCDW in strijd is met bepalingen uit het CDW, en de Hoge Raad die conclusie volgt, zal daarvan via een prejudiciële procedure bevestiging moeten worden gezocht bij het HvJ.

5.6

Met die vaststelling kom ik thans toe aan de vraag of de leden 2 en/of 3 van artikel 145 van de UCDW in strijd zijn met het bepaalde in artikel 29 en/of artikel 236 van het CDW? Onderdeel 6 van deze conclusie is gewijd aan beantwoording van die vraag.

6 Artikel 29, lid 1 en 3, en 236 artikel van het CDW en artikel 145, lid 2 en lid 3, van de UCDW

6.1

Artikel 29: transactiewaarde

6.1.1

Teneinde te kunnen beoordelen of artikel 145, lid 2, van de UCDW in strijd is met het bepaalde in artikel 29, lid 1 en lid 3, van het CDW, dient allereerst te worden bezien wat de reikwijdte is van laatstgenoemde bepaling. Zonder vast te stellen wat artikel 29 van het CDW inhoudt, kan immers niet worden beoordeeld of artikel 145 van de UCDW daarmee (niet) in overeenstemming is.

6.1.2

Welnu, artikel 29 van het CDW behelst een algemene regeling inzake de vaststelling van de douanewaarde, zeg maar de maatstaf van heffing van douanerechten. Het eerste lid van artikel 29 geeft aan wat onder ‘douanewaarde’ moet worden verstaan34, te weten (cursivering MvH):

“1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied worden verkocht, (….)”

6.1.3

In het derde lid, onder a, van artikel 29 wordt vervolgens uitgelegd wat de ‘werkelijk betaalde of te betalen prijs’ is. Dat is, voor zover van belang en ook weer met mijn cursivering:

“(…) de totale betaling die door de koper aan de verkoper (…) voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, (…) door de koper (…) werkelijk zijn of moeten worden gedaan. (…)”

6.1.4

Met deze douanewaardedefinitie is – zowel op niveau van de GATT (tegenwoordig WTO) als op Europees niveau – beoogd een eenvormig systeem voor het bepalen van de douanewaarde vast te stellen dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit. Of, in de woorden van de considerans van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 199435 (cursivering MvH):

“(…)

Erkennende de noodzaak van een rechtvaardig, eenvormig en neutraal systeem voor het bepalen van de douanewaarde van goederen dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit;

Erkennende dat de grondslag voor de berekening van de douanewaarde van goederen zoveel mogelijk de transactiewaarde dient te zijn van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;

Erkennende dat de douanewaarde op eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen dient te berusten en dat de methoden voor het bepalen van de waarde van algemene toepassing moeten zijn, ongeacht de herkomst van de goederen;

(…)”

6.1.5

Het HvJ volgt – ik zou haast zeggen: uiteraard – dezelfde lijn. Aan het arrest van 12 december 2013, Christodoulou, C-116/12, ontleen ik het volgende citaat, waarin uit de daarin aangehaalde eigen rechtspraak ook direct blijkt dat het hier gaat om vaste rechtspraak van het HvJ. De cursiveringen zijn van mijn hand:

“36 Wat het doel betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat de Unieregeling inzake de vaststelling van de douanewaarde beoogt een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit (arresten van 6 juni 1990, Unifert, C-11/89, Jurispr. blz. I-2275, punt 35; 19 oktober 2000, Sommer, C-15/99, Jurispr. blz. I-8989, punt 25, en 16 november 2006, Compaq Computer International Corporation, C-306/04, Jurispr. blz. I-10991, punt 30).

(…)

39 Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd dat de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs in de regel weliswaar de basis voor de berekening van de douanewaarde vormt (zie in die zin arrest Sommer, reeds aangehaald, punt 22), maar een, zo nodig, eventueel aan te passen gegeven is om te voorkomen dat een arbitraire of fictieve douanewaarde wordt vastgesteld (arrest van 19 maart 2009, Mitsui & Co. Deutschland, C‑256/07, Jurispr. blz. I-1951, punt 24).

40 De transactiewaarde moet namelijk de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en rekening houden met alle bestanddelen van dit goed die een economische waarde vormen (arrest Compaq Computer International Corporation, reeds aangehaald, punt 30, en arrest van 15 juli 2010, Gaston Schul, C-354/09, Jurispr. blz. I-7449, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”

6.1.6

Kortom: de tussen partijen overeengekomen (subjectieve) koopprijs voor een goed vormt de douanewaarde van dat goed, omdat deze prijs wordt geacht de werkelijke economische waarde van het goed het beste weer te geven.36

6.1.7

Het kan echter gebeuren dat de overeengekomen prijs nadien wordt aangepast. De vraag is of daarmee rekening kan worden gehouden, en zo ja in welke gevallen c.q. tot welk moment.

6.2

Het voor de bepaling van de transactiewaarde doorslaggevende tijdstip

6.2.1

In de tot de invoering van het CDW geldende Verordening Douanewaarde, (verder: Verordening 1224/80)37 was - heel handig - uitdrukkelijk bepaald welk tijdstip voor de vaststelling van de douanewaarde doorslaggevend was. In artikel 1, lid 1, onder g, sub i, van die verordening was bepaald dat ‘het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde’ voor goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, is gelegen op:

“(…) de datum van ontvangst door de douane van de verklaring waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen in het vrije verkeer te brengen;”

6.2.2

Een exact gelijkluidende bepaling kent het CDW weliswaar niet, maar uit artikel 67 van het CDW leid ik af dat tegenwoordig bepalend is de datum van aanvaarding van de aangifte (cursivering MvH):

“Behoudens andersluidende specifieke bepalingen geldt de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”

6.2.3

Het lijkt mij buiten kijf dat de bepaling van de douanewaarde behoort tot de bepalingen die gelden voor de douaneregeling (in casu het vrije verkeer) waarvoor goederen worden aangegeven.38 Dat betekent dat de transactiewaarde van de goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte de in aanmerking te nemen douanewaarde is. Deze vaststelling veronderstelt dat de goederen waarvoor de transactiewaarde is overeengekomen, ook de overeengekomen goederen zijn. Anders gezegd: het kan gebeuren dat de goederen bij binnenkomst in de Unie niet die ‘karaktereigenschappen’ hebben waarvoor de koper bereid was het overeengekomen bedrag te betalen. Te denken valt aan goederen die beschadigd blijken te zijn.

6.2.4

In een dergelijk geval kan de koper de goederen weigeren en ‘retour afzender’ sturen, in welk geval hij op grond van artikel 238 van het CDW terugbetaling of kwijtschelding van rechten kan verkrijgen, mits hij daartoe binnen twaalf maanden na uitreiking van de uitnodiging tot betaling een verzoek heeft gedaan. In dat geval wordt de hele transactie als het ware teruggedraaid. De koper kan echter ook genoegen nemen met de inferieure goederen, tegen vermindering van de vergoeding; hij neemt immers goederen af met een lagere waarde dan de oorspronkelijk bedongen transactiewaarde. Naar ik meen vloeit rechtstreeks uit artikel 29 van het CDW voort dat in een dergelijk geval de douanewaarde moet worden verminderd: de overeengekomen prijs was voor andere (betere, intacte) goederen overeengekomen, zodat gezegd kan worden dat de betaalde (te betalen) prijs niet de prijs is die voor de werkelijk ingevoerde goederen is overeengekomen; zij zijn door hun inferieure staat immers anders, in ieder geval minder waard. Bij de vaststelling van een en ander is – gezien artikel 67 van het CDW – mijns inziens bepalend de staat van het goed op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte.

6.2.5

Met deze opvatting bevind ik mij in gezelschap van de advocaten-generaal bij het HvJ Darmon (ten tijde van de werking van Verordening 1224/80) en Mazák (in het CDW-tijdperk), zij het dat zij van het tijdstip van binnenkomst in de Gemeenschap uitgaan als transactiewaardebepalend tijdstip. Ik citeer uit de conclusie van A-G Mazák van 21 oktober 2008 voor het hierna nog te bespreken arrest Mitsui (de bij deze passage behorende voetnoot heb ik niet opgenomen, de cursivering is van mijn hand):

“25. Ik deel ter zake tevens het standpunt dat advocaat-generaal Darmon heeft uiteengezet in punt 20 van zijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het arrest Hauptzollamt Hamburg-St. Annen/Ebbe Sönnichsen39, volgens hetwelk de douanewaarde moet worden beoordeeld op de dag waarop het betrokken goed in de Gemeenschap in het vrije verkeer wordt gebracht. Aangezien het de werkelijke waarde van het goed is die telt, dient te worden uitgegaan van de staat waarin het goed zich bevindt bij binnenkomst in de Gemeenschap.

6.2.6

Ik leid, kortom, al uit artikel 29 van het CDW af dat wanneer de goederen die binnenkomen – op het moment van aanvaarding van de aangifte – een superieure40 of inferieure staat hebben dan de goederen waarvoor de prijs was overeengekomen, een aanpassing van de douanewaarde op zijn plaats is. Óók als pas na de invoer de lagere prijs wordt overeengekomen: áls de aanleiding voor de prijsaanpassing maar kan worden gevonden in de (staat van de) goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte.41 Dát tijdstip is immers doorslaggevend voor de bepaling van de douanewaarde. Een aanpassing van de douanewaarde acht ik niet mogelijk wanneer eerst ná de aanvaarding van de aangifte de goederen (bijvoorbeeld door beschadiging) minder waard worden, of wanneer om een andere reden de koopprijs nadien wordt aangepast.42

6.2.7

Vloeit de aanpassing van de transactiewaarde voort uit de staat van de goederen ten tijde van de aanvaarding van de aangifte, maar wordt deze pas na aanvaarding van die aangifte gerealiseerd,43 dan staat de aangever één van twee mogelijkheden tot aanpassing open: zijn de goederen nog niet vrijgegeven, dan kunnen op grond van artikel 65 van het CDW de vermeldingen in de aangifte worden gewijzigd. Zijn de goederen daarentegen al vrijgegeven, dan resteert de aangever nog herziening van de aangifte als bedoeld in artikel 78 van het CDW.44

6.2.8

Na deze algemene uiteenzetting over artikel 29 (en 67) van het CDW, parkeer ik hier de transactiewaarde en stap ik over op de in geding zijnde uitvoeringsbepaling in artikel 145 van de UCDW, waarbij ik mij met name wat betreft het tweede lid afvraag of zij noodzakelijk is, dit gezien mijn interpretatie van artikel 29 van het CDW. Onderdeel 6.3 moge dit verduidelijken.

6.3

De uitvoeringsbepaling: artikel 145, lid 2, van de UCDW

6.3.1

Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot artikel 29 van het CDW zijn onder meer getroffen in artikel 145 van de UCDW, waarvan de geldigheid en de uitlegging in deze zaak ter discussie staat.

6.3.2

Artikel 145 van de UCDW is bij verordening (EG) 444/2002 (hierna: verordening 444/2002)45 met ingang van 19 maart 200246 uitgebreid met een tweede en een derde lid. De overwegingen om daartoe over te gaan waren, zo valt af te leiden uit de vierde en vijfde overweging van de considerans van verordening 444/2002 (cursivering MvH):

“(5) Na het in het vrije verkeer brengen, kan in sommige gevallen de tussen de koper en verkoper overeengekomen prijs worden gewijzigd teneinde rekening te houden met het feit dat deze goederen gebreken vertoonden.

(6) De desbetreffende bepalingen dienen derhalve uitdrukkelijk te bepalen dat de transactiewaarde in de zin van artikel 29 van het Wetboek met deze bijzondere omstandigheid rekening kan houden, in samenhang met passende voorzorgsmaatregelen en redelijke termijnen.”

6.3.3

De in vorengeciteerde overweging 6 genoemde ‘passende voorzorgsmaatregelen’ lijken mij opgenomen te zijn in het tweede lid van de bepaling, terwijl het derde lid betrekking heeft op de ‘redelijke termijnen’ van die overweging. In onderdeel 6.4 ga ik in op het derde lid van artikel 145 van de UCDW en de daarin vermelde termijn. In dit onderdeel beperk ik mij tot het tweede lid.

6.3.4

Artikel 145, lid 2, van de UCDW bepaalt dat:

“Na het in het vrije verkeer brengen van de goederen (…) de wijziging, door de verkoper ten gunste van de koper, van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs voor het bepalen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek in aanmerking [kan] worden genomen wanneer ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a) deze goederen op het in artikel 67 van het Wetboek bedoelde tijdstip gebreken vertoonden;

b) de verkoper de wijziging heeft verricht ter uitvoering van een contractuele garantieverplichting bepaald in een vóór het in het vrije verkeer brengen van de genoemde goederen gesloten koopovereenkomst, en

c) met de gebreken van de goederen niet reeds in het desbetreffende verkoopcontract rekening is gehouden.”

6.3.5

In deze procedure staat niet ter discussie dat de verkoper de werkzaamheden aan de auto’s heeft verricht ter uitvoering van een contractuele garantieverplichting die is neergelegd in een vóór de invoer gesloten koopovereenkomst (voorwaarde b), terwijl bovendien in confesso is dat niet al in het koopcontract rekening is gehouden met gebreken aan de auto’s (voorwaarde c). Ik concentreer mij in het navolgende dan ook op de eerste voorwaarde, te weten dat – ten genoegen van de douane wordt aangetoond dat – ‘de goederen op het in artikel 67 van het Wetboek bedoelde tijdstip gebreken vertoonden’.

6.3.6

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat met betrekking tot de beide Sirions vast staat dat de gebreken die zij vertoonden – en die gerepareerd zijn – verborgen gebreken waren die ten tijde van de invoer al in deze auto’s aanwezig waren. Voor deze auto’s zit het probleem dan ook niet zozeer in de voorwaarden van het tweede lid van artikel 145 van de UCDW, maar in de in het derde lid voor aanpassing van de douanewaarde gestelde termijn van twaalf maanden. Ik kom daarop – als gezegd in punt 6.3.3 – terug in onderdeel 6.4. De klacht over (de geldigheid van) het tweede lid van artikel 145 van de UCDW ziet vooral op de ‘teruggeroepen’ [A] .

6.3.7

Gezien mijn interpretatie van artikel 29 van het CDW en het tijdstip dat voor de bepaling van de douanewaarde (c.q. transactiewaarde) doorslaggevend is, komt het mij voor dat het tweede lid van artikel 145 van de UCDW wat betreft het vereiste dat op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte al iets ‘mis’ is met de goederen niets bij-, of afdoet aan hetgeen al in de artikelen 29 juncto 67 van het CDW besloten ligt.47 In zoverre is de bepaling niet in strijd met hetgeen in artikel 29 van het CDW is bepaald en verduidelijkt zij die bepalingen alleen maar.

6.3.8

Het lijkt mij dat de geldigheid van het tweede lid wat betreft de daarin onder a geformuleerde voorwaarde staat of valt met de uitlegging van het begrip ‘gebreken’.

6.3.9

Naar ik hiervoor in onderdeel 6.2 betoogde, wordt op grond van artikel 29 van het CDW de maatstaf van heffing bepaald door de (werkelijke) transactiewaarde van de goederen in de staat waarin zij zich ten tijde van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer bevinden. Dit brengt mijns inziens met zich dat op grond van artikel 29 van het CDW in wezen in alle gevallen waarin wordt vastgesteld dat de ingevoerde goederen op dat tijdstip niet de overeengekomen kwaliteit c.q. staat hebben (hadden), in verband waarmee de overeengekomen prijs wordt verminderd, er aanleiding bestaat de (douane)waarde te verminderen.48

6.3.10

Met dit als uitgangspunt en van mening dat het bepaalde in de uitvoeringsverordening zoveel mogelijk ‘basisverordeningconform’ moet worden uitgelegd, ga ik ervan uit dat het begrip ‘gebreken’, dat in de Nederlandse versie van artikel 145, lid 2, onder a (en c) van de UCDW wordt gehanteerd, ruim moet worden uitgelegd, ruimer dan de Franse, Engelse, Duitse en Spaanse tekst wellicht suggereren. De hier bedoelde taalversies van artikel 145, lid 2, van de UCDW wekken namelijk de indruk dat van daadwerkelijke schade of defecten sprake moet zijn. Ik citeer en cursiveer:

“(a) the goods were defective at the moment referred to by Article 67 of the Code;”

“a) que ces marchandises étaient défectueuses au moment visé à l'article 67 du code;”

“a) dass die Waren zu dem in Artikel 67 Zollkodex bezeichneten Zeitpunkt schadhaft waren”

“a) que las mercancías eran defectuosas en el momento mencionado en el artículo 67 del código;”

6.3.11

Ik meen dat een dergelijke stringente voorwaarde van daadwerkelijke (hoewel mogelijk verborgen) schade op het tijdstip van de invoer in het licht van artikel 29 van het CDW niet gesteld mag worden, en dat een wat ruimere uitlegging geboden is. De in de Nederlandse versie van de UCDW gehanteerde term ‘gebreken’ biedt die ruimte: een gebrek is mijns inziens namelijk niet per definitie een defect. Ik meen, anders gezegd, dat ook een andere aanleiding dan een daadwerkelijke beschadiging of een daadwerkelijk disfunctioneren reden kan zijn om de prijs van de goederen te verminderen. Toegespitst op de onderhavige zaak: het lijkt mij dat de omstandigheid dat bij de productie van een goed een fabricagefout is gemaakt – per definitie iets dat vóór het tijdstip van aanvaarding van de aangifte plaatsvindt – wel degelijk een (geldige) reden is om aan te nemen dat de werkelijke economische waarde van het goed lager is dan de transactiewaarde die is aangegeven op het tijdstip waarop het goed in het vrije verkeer is gebracht, ook als de fabricagefout niet daadwerkelijk heeft geleid tot een feilen van het product. Immers, de koper van een product die weet dat bij de fabricage daarvan een fout is gemaakt zal niet bereid zijn voor dat product neer te tellen wat hij zou betalen voor hetzelfde product zónder productiefout.

6.3.12

Een dergelijke, wat ruimere uitlegging van het begrip ‘gebreken’ in artikel 145, lid 2, van de UCDW, lijkt mij niet alleen in lijn met doel en strekking van artikel 29 van het CDW, maar sluit mijns inziens ook goed aan bij hetgeen in artikel 152 van het CDW is geregeld. Deze bepaling ziet op herstel van goederen onder garantie, welke herstelwerkzaamheden buiten de Unie plaatsvinden (passieve veredeling). Op grond van het eerste lid van artikel 152 van het CDW geschiedt, wanneer de veredelingshandeling bestaat in de herstelling van de tijdelijk uitgevoerde goederen (cursivering MvH):

“(…) het in het vrije verkeer brengen van deze goederen met volledige vrijstelling van de rechten bij invoer, indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat de herstelling gratis werd verricht, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een fabricagefout.

6.3.13

Het gebruik van het woord ‘fabricagefout’ in plaats van bijvoorbeeld ‘gebrek’ of ‘defect’ lijkt mij geen (ver)taalkwestie: we vinden dezelfde term in de Franse, Engelse, Duitse en Spaanse tekst van artikel 152 van het CDW (Frans: ’vice de fabrication’, Engels: ‘manufacturing defect’, Duits: ‘Fabrikationsfehler’, Spaans: ‘defecto de fabricación’). Ik leid hieruit af dat ook van een (te herstellen) situatie in de zin van artikel 152 van het CDW sprake is indien een fabricagefout wordt rechtgezet. Dit kan zo worden uitgelegd dat daartoe niet is vereist dat de fout ook daadwerkelijk een defect (in de zin van slecht of niet werken) vormt.

6.3.14

Hoewel artikel 152 van het CDW en artikel 29 van het CDW juncto artikel 145 van de UCDW verschillende regelingen zijn, zie ik niet in waarom een bij invoer vrij te stellen passief veredeld gebrek een fabricagefout zou omvatten, en een douanewaardeverminderend gebrek niet. Dit te minder als ik in aanmerking neem dat de Commissie kennelijk de regeling van artikel 152 van het CDW – die in wezen49 tegengaat dat tweemaal geheven wordt over het gebrekkige deel van een goed: namelijk eerst bij invoer en dan bij wederinvoer na reparatie ervan buiten de Unie – ziet als een soort ‘pendant’ van (of zelfs aanleiding voor) de bij artikel 145, lid 2, in de UCDW ingevoerde regeling waarmee kennelijk een grotere cohesie in toepassing van de douanewaarderegels binnen de Unie is beoogd.

6.3.15

Althans, dat leid ik af uit het speciaal verslag nr. 23/2000 van de Europese Rekenkamer over de waardebepaling van geïmporteerde goederen voor de douane, PB 2001, C 84, blz. 1. In dat verslag signaleert de Rekenkamer dat de behandeling van fabrieksgaranties voor ingevoerde auto’s een goed voorbeeld is van een geval waarin de communautaire regelgeving door de douaneautoriteiten in de verschillende lidstaten verschillend wordt geïnterpreteerd. Ik citeer:50

“71 (…) Het communautair douanewetboek voorziet in de mogelijkheid, goederen te weigeren en bij de uitvoer ervan terugbetaling van de douanerechten te krijgen. Ook is het toegestaan, goederen die gebreken vertonen, tijdelijk opnieuw te exporteren voor passieve veredeling en ze na kosteloze reparatie geheel vrij van rechten weer in te voeren (…).

73. In haar jaarverslag over het begrotingsjaar 1990 vestigde de Rekenkamer de aandacht van de Commissie op de gewoonte van de Duitse douaneautoriteit om bij de invoer van motorvoertuigen waardeverminderingen toe te staan wegens reparatiekosten die krachtens garanties waren gedekt. De Rekenkamer oordeelde dat die verminderingen in strijd waren met de destijds geldende communautaire wetgeving. Tien jaar later verleent de Duitse douaneautoriteit nog steeds zulke verminderingen. De Rekenkamer acht die procedure nog steeds in strijd met de bepalingen van het Gemeenschapsrecht.

74. Soortgelijke situaties worden in andere lidstaten anders aangepakt. De douaneautoriteiten van drie lidstaten (Italië, Nederland, Verenigd Koninkrijk) hebben zulke aanvragen van importeurs van motorvoertuigen afgewezen. De uiteenlopende opvattingen van de douaneadministraties in de lidstaten over deze kwestie kunnen ertoe bijdragen dat het handelsverkeer binnen de Gemeenschap wordt verlegd.

75. Dit is een duidelijke aanwijzing ervoor dat het binnen de douane-unie aan cohesie ontbreekt, hetgeen kan hebben geleid tot een verlies van eigen middelen. (…)”

6.3.16

De Commissie reageerde hierop als volgt (cursivering origineel):

“71-75 (…) In de positie van de Gemeenschap inzake reparaties onder garantie werd op douanegebied duidelijkheid gecreëerd door artikel 152 van het douanewetboek zelf. Op grond van dit artikel kunnen op basis van bedoelde garanties goederen volledig gratis buiten de Gemeenschap worden gerepareerd en zijn er bij de wederinvoer ervan geen invoerrechten verschuldigd.

Het zou, juridisch gezien, volkomen onlogisch en strijdig met deze bepaling zijn indien op basis van de douanewaardebepalingsregels de binnen de Gemeenschap plaatshebbende overeenkomstige verrichtingen niet eveneens van heffingen vrijgesteld zouden blijven. Deze overweging sluit eveneens aan bij de zienswijze dat in de contractuele context de aangegeven waarde voor de oorspronkelijk ingevoerde goederen – indien deze in alle andere opzichten acceptabel is - een prijselement omvat dat betrekking heeft op de kosten van de eventueel in het land van invoer onder garantie uit te voeren verrichtingen. Bedoelde relevante reparatiekosten kunnen in deze context aanleiding geven tot een aanpassing van de aangegeven waarde in die zin dat geheven rechten worden terugbetaald.

Aangezien de Commissie deze kwestie aldus in juridisch opzicht als opgelost beschouwt, probeert zij sedert 1997 de in de Gemeenschap nog uiteenlopende praktijken te harmoniseren aan de hand van uitvoeringsbepalingen (…).”

6.3.17

Al met al kom ik dan tot de slotsom dat het in artikel 145, lid 2, onder a (en c) gehanteerde begrip ‘gebreken’ zo moet worden uitgelegd dat het ook fabricagefouten als zodanig omvat. Een interpretatie op basis waarvan alleen ‘echte’ defecten onder het bereik van de bepaling vallen, botst mijns inziens met het bepaalde in artikel 29 van het CDW. Voor de onderhavige procedure betekent dit dat de douanewaarde van [A] – waarvan niet in geschil is dat zij vóór de aanvaarding van de aangifte leed aan een fabricagefout – naar mijn mening moet worden verminderd met het reparatiebedrag en dat aanleiding bestaat voor terugbetaling van de daarop drukkende douanerechten.

6.3.18

Hoewel ik redelijk zeker ben van de juistheid van mijn conclusie met betrekking tot de interpretatie van de ‘gebreken’ van artikel 145, lid 2, van de UCDW, kan niet worden verheeld dat een andere uitlegging denkbaar is. Ik vermeld in dit verband de ‘Verzameling teksten inzake douanewaarde’ van het Comité Douanewetboek, afdeling Douanewaarde (hierna kortweg: Comité). Daarin geeft het Comité naar ik begrijp als zijn mening51 over een terugroepactie dat aanpassing van de douanewaarde niet mogelijk is indien voertuigen in het kader van een voorzorgsmaatregel worden teruggeroepen. Ik citeer en cursiveer uit Case Study B die in vorenbedoelde ‘Verzameling van teksten’52 is opgenomen (cursivering MvH):

“5. Fabrikant F stelt vast dat bepaalde componenten van de ophanging van sommige voertuigen onder bepaalde omstandigheden slecht functioneren en dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de wegligging van het voertuig. F verzoekt derhalve bij wijze van voorzorgsmaatregel alle eigenaars van de betrokken voertuigen deze voor onderzoek en eventueel correctie (…) terug te brengen. Deze problemen worden toegeschreven aan het ontwerp van de voertuigen.

(…)

7. De partijen bij de verkoop die de grondslag vormt van de douanewaarde hebben de totale voor de goederen betaalde prijs bepaald met inachtneming van de toestand van de goederen waarop de garantiebepalingen betrekking hebben. In het verkoopcontract is bepaald dat de goederen van een specifieke kwaliteit zijn (overeenkomstig aanvaarde technische normen). Dit is een voorwaarde voor de verkoop.

8. De douaneautoriteiten hebben ervan notitie genomen dat:

i) de noodzaak tot een nieuw onderzoek van de voertuigen (en eventueel tot aanpassing of vervanging van bepaalde onderdelen) verband hield met de omstandigheden waaronder de voertuigen zouden worden gebruikt;

ii) de fabrikant bij wijze van voorzorgsmaatregel toestemming geeft tot het uitvoeren van bepaalde corrigerende maatregelen;

iii) de problemen aan bepaalde aspecten van het ontwerp van de voertuigen worden toegeschreven.

9. De douaneautoriteiten waren derhalve van oordeel dat het onderzoek en de eventuele correctie van de gebreken bij wijze van voorzorgsmaatregel, geen grond waren voor de toepassing van artikel 145, lid 2, TCDW, aangezien dit uitsluitend betrekking heeft op voertuigen die daadwerkelijk gebreken vertonen.”

6.3.19

Dat brengt mij tot de overweging dat – zeker nu voorliggende kwestie er een is die voor importeurs53 in alle lidstaten van de Unie van belang is en derhalve een ‘homogene’ uitlegging vergt – het voorleggen van prejudiciële vragen aan de orde kan zijn. Weliswaar zou een strikt beperkte uitlegging van ‘gebrek’ als bedoeld in artikel 145, lid 2, van de UCDW mijns inziens wringen met het bepaalde in artikel 29 van het CDW, maar daarover heeft sowieso het HvJ het laatste woord (zie onderdeel 5.5 van deze conclusie).

6.3.20

Naar ik meen is de voorliggende kwestie niet aan te merken als een zogenoemde acte éclairé, ook al heeft het HvJ zich in het arrest Mitsui ook uitgelaten over (terug)betalingen door een fabrikant op basis van garantieverplichtingen. De in die zaak gestelde vragen betroffen echter niet de invulling van het begrip ‘gebreken’, maar cirkelden rond de kwestie of betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet ter vergoeding van de reparatiekosten een vermindering van de transactiewaarde vormde, en zo ja, of artikel 145, leden 2 en 3, van de UCDW moet worden toegepast op importen waarvoor de douaneaangiften vóór de inwerkingtreding van die bepaling (bij verordening 444/2002) zijn aanvaard. Het HvJ overwoog:

“22 Indien na de datum waarop een voertuig is ingevoerd blijkt dat dit voertuig op het tijdstip van de invoer ervan gebreken vertoonde, is de werkelijke economische waarde ervan, zoals de advocaat-generaal in punt 2154 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lager dan de transactiewaarde die is opgegeven op het tijdstip waarop het in het vrije verkeer is gebracht.

23. Het is juist dat artikel 29, leden 1 en 3, van het douanewetboek niet uitdrukkelijk regelt hoe latere wijzigingen van de transactiewaarde, die de grondslag voor de berekening van de douanewaarde vormt, moeten worden behandeld.

(…)

28. Evenzo vormen de betalingen die een verkoper krachtens een garantieovereenkomst aan een koper doet ter vergoeding van de reparatiekosten die de koper door zijn eigen afnemers in rekening worden gebracht, een “wijziging” van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, aangezien het begrip “wijziging van de prijs” in voornoemd artikel 145 van de uitvoeringsverordening betrekking heeft op verschillende situaties, waaronder die van een vermindering van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

29. Bijgevolg moeten de eerste twee vragen aldus worden beantwoord dat artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek en artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer gebreken van goederen die zijn gebleken nadat deze goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, maar waarvan is bewezen dat zij reeds daarvóór bestonden, nadien krachtens een contractuele garantieverplichting leiden tot vergoedingen door de fabrikant‑verkoper aan de koper ten belope van de reparatiekosten die deze laatste door zijn eigen afnemers in rekening worden gebracht, deze vergoedingen kunnen leiden tot een vermindering van de transactiewaarde van deze goederen en bijgevolg van de douanewaarde ervan die op basis van de tussen de fabrikant‑verkoper en de koper aanvankelijk overeengekomen prijs was opgegeven.”

6.3.21

Met enige voorzichtigheid – de in Mitsui in geding zijnde importen hadden vóór de inwerkingtreding van het tweede en derde lid van artikel 145 UCDW plaatsgevonden – leid ik uit deze overwegingen af dat het HvJ van oordeel is dat de voorwaarden voor vermindering van de douanewaarde, als genoemd in het tweede lid van artikel 145 UCDW, niet in strijd zijn met artikel 29 van het CDW. Zou het HvJ daarover anders hebben gedacht, dan had voor de hand gelegen dat het daaraan uiting had gegeven, al was het maar door te verklaren dat de eerste twee prejudiciële vragen zonder voorwerp waren omdat artikel 145 UCDW niet van toepassing is op importen die vóór de inwerkingtreding van die bepaling hebben plaatsgevonden.

6.3.22

Dat antwoord gaf het HvJ namelijk op de (derde) prejudiciële vraag. Met dit antwoord hoefde het HvJ vervolgens niet toe te komen aan de vierde vraag die de Duitse verwijsrechter had gesteld, namelijk of – uitgaande van de toepasbaarheid van artikel 145, leden 2 en 3, van de UCDW – deze artikelleden geldig zijn. Die vraag is derhalve in het arrest Mitsui niet beantwoord, evenmin als in andere arresten. Als gezegd meen ik dat het tweede lid van artikel 145, in ieder geval wat betreft de onder a gestelde voorwaarde in overeenstemming is met artikel 29, juncto 67 van het CDW, indien althans het daarin gehanteerde begrip ‘gebreken’ ruim wordt ingevuld. Over de invulling van dit begrip geeft het arrest Mitsui echter geen uitsluitsel, nu dat in die zaak niet aan de orde was.

6.3.23

Het voorgaande in aanmerking nemende kom ik dan ook tot de slotsom dat het geboden is het HvJ een vraag voor te leggen over de uitlegging van het begrip ‘gebreken’ als bedoeld in artikel 145, lid 2, onder a, van de UCDW. In punt 7.2 van deze conclusie geef ik een voorzet voor een dergelijke vraag.

6.4

Prijswijziging binnen twaalf maanden

6.4.1

In artikel 145, lid 3, van de UCDW, is aan de doorwerking van een prijswijziging naar een (vermindering van) de douanewaarde een termijn van 12 maanden gesteld. De bepaling luidt, met mijn cursivering:

“De werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 2, mag slechts in aanmerking worden genomen, indien deze wijziging binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen is geschied.

6.4.2

Het derde lid van artikel 145 van de UCDW vereist voor aanpassing van de douanewaarde derhalve dat de verkoper de prijs vermindert binnen 12 maanden na de aangifte, ongeacht of de garantieperiode al dan niet langer doorloopt en ook als bewezen is dat de gebreken die tot prijswijziging hebben geleid, ten tijde van de aanvaarding van de aangifte (verborgen) aanwezig waren.

6.4.3

Over (de geldigheid van) deze termijn doet het HvJ in het arrest Mitsui geen uitdrukkelijke uitspraak, zij het dat de overweging dat het toepassen van artikel 145, leden 2 en 3, van de UCDW op importen die vóór de inwerkingtreding van verordening 444/2002 hebben plaatsgevonden, de rechtszekerheid zou aantasten, zo zou kunnen worden gelezen dat die termijn als zodanig voor het HvJ geen ongeldigheid van de bepaling meebrengt:

“36. Ofschoon artikel 145 van de uitvoeringsverordening de rechtszekerheid beoogt te bevorderen door uitdrukkelijk te specificeren wanneer de wijziging van de prijs van de goederen in aanmerking kan worden genomen ingeval deze goederen op het tijdstip van hun invoer gebreken vertonen, zou toepassing van deze bepaling in gevallen zoals aan de orde in het hoofdgeding meebrengen dat afbreuk wordt gedaan aan het gewettigd vertrouwen van de Duitse marktdeelnemers. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft aangegeven, pasten de Duitse douaneautoriteiten immers de algemene termijn van drie jaar van artikel 236, lid 2, van het douanewetboek toe in gevallen waarin de transactiewaarde van de goederen voor het bepalen van de douanewaarde ervan werd gewijzigd omdat de goederen gebreken vertoonden.

37 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening niet van toepassing is op situaties die vóór 19 maart 2002 [MvH; de datum van inwerkingtreding van verordening 444/2002] zijn ontstaan.”

6.4.4

In deze overwegingen zou met wat goede (of kwade, afhankelijk van het gezichtspunt) wil kunnen worden gelezen dat het louter de rechtszekerheid is die het HvJ doet beslissen dat artikel 145, leden 2 en 3, van de UCDW niet van toepassing is op aangiften die vóór de inwerkingtreding van die bepaling plaatsvonden, en (dus) niet de in lid 2 gestelde voorwaarden of de in lid 3 gestelde termijn.

6.4.5

Helemaal ‘clair’ is dat echter niet, althans de formulering in het arrest Mitsui is acht ik niet zodanig dat daaruit zonder enige twijfel het oordeel van het HvJ kan worden afgelezen.

6.4.6

Naar ik meen valt wat te zeggen vóór het geldig achten van de twaalfmaandstermijn, maar kan ook verdedigd worden dat die termijn niet gesteld mag worden.

6.4.6.1 Vóór het geldig achten van de twaalfmaandstermijn pleit dat artikel 29 van het CDW geen indicatie geeft dat géén termijn zou mogen worden gesteld aan doorwerking van een prijsvermindering naar vermindering van de douanewaarde ingeval van verborgen gebreken die bij de aanvaarding van de aangifte al aanwezig waren in het goed (vgl. het arrest Söhl & Söhlke inzake artikel 204 van het CDW), zodat het erop lijkt dat de Commissie de ruimte heeft om een zodanige termijn te stellen (vgl. ook overweging 6 van de considerans van verordening 444/2002, aangehaald in punt 6.3.2). Voorts lijkt mij een termijn van twaalf maanden niet onredelijk, mede in aanmerking nemend dat vast moet staan dat de goederen waarvoor de prijsvermindering wordt verleend, op het tijdstip van invoer al een gebrek hadden. Hoe langer de termijn waarbinnen prijsvermindering kan leiden tot vermindering van de douanewaarde, hoe moeilijker het zal zijn te bewijzen dat de goederen ten tijde van de invoer al gebreken vertoonden. Bovendien moet bedacht worden dat artikel 145 van de UCDW niet alleen geldt voor goederen – zoals auto’s – met een doorgaans wat langere garantietermijn, maar ook voor producten waarop gewoonlijk kortere garantietermijnen gelden. Daarbij kan worden gezegd – maar dat geldt voor elke ‘vaste’ termijn – dat het stellen van een termijn ertoe bijdraagt dat de regelgeving in alle lidstaten op dezelfde wijze wordt uitgelegd en in zoverre nuttig of zelfs noodzakelijk is (vgl. onderdeel 5).

6.4.6.2 Tegen het tot twaalf maanden beperken van de termijn waarbinnen prijsvermindering tot douanewaardevermindering leidt, pleit dat in artikel 29 van het CDW (ook) kan worden gelezen dat in álle gevallen waarin de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen niet overeenkomt met de bedongen transactiewaarde, vermindering van de douanewaarde aan de orde is, mits vaststaat (bewezen wordt) dat op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte de staat van de goederen daadwerkelijk een andere (mindere) was dan overeengekomen bij de koopovereenkomst. Voorts houdt de bepaling van artikel 145 – anders dan artikel 152 van het CDW, dat aansluiting zoekt bij ‘contractuele of wettelijke garantieverplichtingen’ zonder daarbij een termijn te noemen – geen rekening met daadwerkelijke garantietermijnen, die heel goed langer kunnen zijn dan de twaalf maanden waartoe artikel 145 de mogelijke vermindering van de douanewaarde beperkt. In dat licht lijkt het wat scheef om bij een garantietermijn van – stel – drie jaar de mogelijke vermindering van de douanewaarde te beperken tot een jaar, ook als het gebrek zich na meer dan een jaar openbaart en gedekt wordt door garantie.55

6.4.6.3 Hoewel ik geneigd ben – ook in het licht van de rechtspraak van het HvJ inzake de bewegingsvrijheid van de Commissie bij het vaststellen van uitvoeringsbepalingen (zie onderdeel 5.4) – de argumenten vóór het geldig achten van de termijn van twaalf maanden die artikel 145, lid 3, van de UCDW hanteert, te laten prevaleren, meen ik dat dit antwoord niet zo evident is dat daaromtrent geen enkele twijfel kan bestaan. Ook met betrekking tot dit punt concludeer ik derhalve het HvJ te verzoeken uitsluitsel te geven. Ik formuleer een zodanig verzoek in punt 7.2 hierna.

6.4.7

Met betrekking tot de link naar de ‘algemene termijn van drie jaar’ van artikel 236, lid 2, van het CDW, die blijkens het arrest Mitsui door de Duitse autoriteiten werd gehanteerd (zie de hiervóór in punt 6.4.3 geciteerde overweging 36 uit het arrest Mitsui), merk ik op dat een vergelijking tussen deze termijn en die van artikel 145, lid 3, van de UCDW mijns inziens een vergelijking tussen appels en peren is. De twaalfmaandstermijn van artikel 145, lid 3, van de UCDW betreft een termijn waarbinnen de verkoper – op basis van een garantieovereenkomst die al vóór de invoer was gesloten – de prijs in verband met gebreken aan het goed, moet aanpassen, wil die aanpassing leiden tot een vermindering van de in aanmerking te nemen douanewaarde. Die aanpassing houdt in een terugbetaling door de verkoper aan de koper, waarna in het verlengde daarvan een terugbetaling (of kwijtschelding) van douanerechten plaatsvindt. Die laatste terugbetaling wordt geregeerd door de artikelen 236 en verder van het CDW.

6.4.8

Voorgaande houdt in dat als de verkoper binnen 12 maanden na aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer, op basis van garantiebepalingen overgaat tot wijziging van de prijs en terugbetaling van het teveel betaalde aan de koper, laatstgenoemde prijs heeft te gelden als de ‘werkelijke betaalde’ prijs en dat de aangever op basis daarvan kan verzoeken om terugbetaling van douanerechten. Dat verzoek vindt zijn grond in beginsel in artikel 236 van het CDW (achteraf bezien blijkt de ‘wettelijk verschuldigde’ belasting immers lager dan die welke ten tijde van de invoer betaald is, in verband met de aanvaarding van de prijsverlaging als douanewaardeverlagende factor). Gelet op de tekst van artikel 236, lid 2, van het CDW lijkt het mij dat de aangever tot drie jaar na de (oorspronkelijke) mededeling van verschuldigde rechten (in Nederlandse terminologie: de uitnodiging tot betaling) tijd heeft om die terugbetaling van rechten te effectueren. Artikel 236, lid 2 luidt immers, voor zover van belang:

“Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer (…) wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. (…)”

6.4.9

Wanneer de verkoper daarentegen – uitgaande van de geldigheid van artikel 145, lid 3, van de UCDW – na meer dan twaalf maanden na invoer de prijs wijzigt, ook al is dat op basis van garantiebepalingen, wordt niet toegekomen aan overeenkomstige vermindering van de douanewaarde, en bestaat (dus) geen recht op terugbetaling van rechten. Artikel 236 van het CDW is niet van toepassing, omdat er in dit geval naar ik meen van moet worden uitgegaan dat het bedrag aan rechten dat oorspronkelijk is geboekt en medegedeeld, het juiste bedrag was, nu artikel 145, lid 3, van de UCDW de prijsvermindering niet doet leiden tot douanewaardevermindering in verband met de termijnoverschrijding.

6.4.10

Ik meen dan ook dat in een situatie als de onderhavige de vraag niet is of de termijn van artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is met die van artikel 236, lid 2, van het CDW. Die termijnen staan immers los van elkaar en hebben op zich niets met elkaar te maken. Het gaat er louter om of de termijn van artikel 145, lid 3, van de UCDW in strijd is met artikel 29 van het CDW en om die reden terzijde moet worden geschoven. Daarbij merk ik nog op dat als de termijn voor vermindering van de douanewaarde zou (moeten) worden gesteld op drie jaar – zoals belanghebbende voorstaat – voor daadwerkelijke terugbetaling van rechten de tweede alinea van artikel 236, lid 2, van het CDW56 moet worden ingeroepen indien daadwerkelijk pas na drie jaar wijziging van de prijs op basis van garantiebepalingen plaatsvindt. In dat geval is immers al drie jaar verstreken tussen mededeling en verzoek om terugbetaling van rechten.

7 Prejudiciële vragen

7.1

Gelet op hetgeen ik in de punten 6.3.23 en 6.4.6.3 heb geconcludeerd, dient de Hoge Raad mijns inziens op de voet van artikel 267 VWEU vragen voor te leggen aan het HvJ met betrekking tot het recht van de Unie.

7.2

Deze voor te leggen vragen zouden als volgt kunnen worden geformuleerd:

1. Omvat het begrip ‘gebreken’ dat wordt gehanteerd in artikel 145, lid 2, aanhef en onder a, van de UCDW mede fabricagefouten die aan een goed kleven ten tijde van het aanvaarden van de aangifte voor het vrije verkeer van dat goed, maar waarvan de aanwezigheid eerst nadien bekend wordt, en aanleiding vormt tot vervanging – uit voorzorg – van een onderdeel of de onderdelen van dat goed waarbij de fabricagefout is gemaakt, ook als de vervangen onderdelen niet daadwerkelijk defect blijken?

2. Is de in artikel 145, lid 3, van de UCDW aan vermindering van de douanewaarde verbonden voorwaarde dat de transactiewaarde binnen twaalf maanden na de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer, door de verkoper ten gunste van de koper wordt gewijzigd, in strijd met het bepaalde in artikel 29, lid 1, onder a, en lid 3 van het CDW?

8 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad iedere verdere beslissing aanhoudt en het geding schorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan op de in punt 7.2 geformuleerde prejudiciële vragen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 De inspecteur van de Belastingdienst/ [P] .

2 Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993.

3 Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992.

4 Vrij naar het arrest van het HvJ van 6 oktober 1982, Cilfit, nr. 283/81.

5 Zie de artikelen 84 en 98-113 van het CDW met betrekking tot de douaneregeling douane-entrepots en de artikelen 263 en verder van de UCDW voor de domiciliëringsprocedure.

6 De tijdstippen van inschrijving en de dagtekening van de utb’s ontleen ik aan de tot de stukken van het geding behorende uitspraken op bezwaar van 28 februari 2013.

7 De Rechtbank heeft niet vastgesteld of deze ‘voorzorgsvervanging’ ook in het kader van garantieverplichtingen geschiedde. In haar cassatieberoepschrift stelt belanghebbende dat dit het geval is. Deze stelling wordt door de staatssecretaris van Financiën niet betwist. Het geschil spitst zich toe (zie onderdeel 4 van deze conclusie) op de uitlegging van het begrip ‘gebrek’ en de (geldigheid) van de in artikel 145, lid 3, van de UCDW gestelde termijn. Ik meen dan ook dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat ook de vervanging in het kader van de terugroepactie geschiedde ter uitvoering van een contractuele garantieverplichting.

8 De Rechtbank heeft dit niet feitelijk vastgesteld. Ik leid een en ander af uit gedingstukken in de procedure in feitelijke instantie, te weten de uitspraken op bezwaar en de beroepschriften.

9 Zie bijlage 5 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor de Rechtbank.

10 In totaal werd een bedrag van € 42,72 teruggevraagd. Een bedrag van € 29,60 had betrekking op een [B] , en hield verband met een terugroepactie voor de vervanging van een leiding en het verwijderen van foam. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur terugbetaling verleend van laatstgenoemd bedrag, omdat hij bewezen achtte dat [B] het gebrek waarop de terugroepactie zag, daadwerkelijk had. Zie ook de in punt 3.4 van deze conclusie geciteerde passage uit de uitspraak van de Rechtbank.

11 Dit leid ik af uit de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2013 (kenmerk 10/352/46644/143), blz. 4.

12 Zie bijlage 1 bij de conclusie van repliek van belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank.

13 MvH: bedoeld moet zijn ‘manoeuvreren’.

14 Zie bijlage 1 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor de Rechtbank.

15 Zie bijlage 3 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor de Rechtbank.

16 Met betrekking tot de vierde auto waarvoor terugbetaling was gevraagd, heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en heeft hij een terugbetaling verleend tot een bedrag van € 29,60. Zie ook voetnoot 10.

17 De Rechtbank heeft het verzoek om terugbetaling van de bedragen van € 3,56 en € 3,11 voor de beide [C+D] geregistreerd onder zaaknummer AWB 13/1955. Het verzoek om terugbetaling voor een bedrag van € 6,45 inzake [A] is door de Rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 13/1936.

18 MvH; bedoeld is het bericht van de RDW dat in deze conclusie in punt 2.6 is geciteerd.

19 MvH: nu terugbetaling van douanerechten is verleend ter zake van deze auto, speelt zij in cassatie geen rol meer.

20 Bij brief van 24 januari 2014 heeft de staatssecretaris van Financiën ingestemd met het instellen van sprongcassatie.

21 Zie PB L171, blz. 12.

22 MvH: in het navolgende meld ik omwille van de leesbaarheid niet telkens onderdeel a van artikel 145, lid 2 afzonderlijk. Waar ik melding maak van artikel 145, lid 2, van de UCDW, doel ik – tenzij uitdrukkelijk anders vermeld – op artikel 145, lid 2, aanhef en onder a, van de UCDW.

23 Zie artikel 288 VWEU. Ten tijde van de inwerkingtreding van het CDW en de UCDW was een vergelijkbare bepaling opgenomen in artikel 189 van het EEG-Verdrag.

24 Artikel 28 EEG luidde: “De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie over alle autonome wijzigingen of schorsingen van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.”.

25 Artikel 100A EEG bepaalde: “(…) De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, in samenwerking met het Europese Parlement en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de maatregelen vast inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.”.

26 In artikel 113 EEG was bepaald: 1. Na afloop van de overgangsperiode wordt de gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond op eenvormige beginselen met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek, alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval dumping en subsidies. 2. De Commissie doet voorstellen aan de Raad om over te gaan tot toepassing van deze gemeenschappelijke handelspolitiek. 3. Indien moet worden onderhandeld over akkoorden met derde landen, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met een speciaal comité, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtlijnen welke de Raad haar kan verstrekken. 4. Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit artikel zijn verleend besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.”.

27 Waarbij ik opmerk dat de tegenwoordige wetgevingsprocedure – vgl. artikel 289, lid 1 en artikel 294 VWEU – niet helemaal gelijk is aan die welke ten tijde van de vaststelling van het CDW gold.

28 Bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, is het bepaalde in artikel 249 vanaf 19 december 2000 naar de artikelen 247 en 247 bis van het CDW.

29 Een korrel zout is hier op zijn plaats. De UCDW telt meer dan 900 artikelen en meer dan 100 bijlagen.

30 B. de Witte in Kapteyn, VerLoren van Themaat, The law of the European Union and the European Communities, Kluwer, Alphen aan den Rijn, 2008, blz. 281.

31 In het arrest van 28 april 1999, Mövenpick, C-405/97, kwam het HvJ niet toe aan de vraag of (artikel 522 van) de UCDW in strijd was met (artikel 112 van) het CDW. A-G Saggio had in zijn conclusie van 27 januari 1999 voor dit arrest geconcludeerd dat de bepaling uit de UCDW in strijd was met die uit het CDW omdat zijns inziens de bepaling uit de UCDW de normatieve inhoud van de bepaling uit de basisverordening wezenlijk beperkte (zie m.n. de punten 21-24 van de conclusie).

32 Of een richtlijnbepaling of elke andere handeling van een gemeenschapsinstelling.

33 Diverse voorbeelden van gevallen in het douanerecht waarin de nationale rechter, van oordeel dat een gemeenschapshandeling ongeldig is in verband met strijd met een gemeenschapshandeling van ‘hoger orde’, kunnen worden gevonden in de rechtspraak met betrekking tot zogenoemde indelingsverordeningen van de Commissie. Ik noem in dit verband bijvoorbeeld de arresten van 22 december 2010, Premis Medical, C-273/09 (indeling van rollators), van 18 juli 2007, F.T.S. International, C-310/06 (indeling kippenvlees) en van 7 juli 2005, Jacob Meijer BV en Eagle International Freight BV, gevoegde zaken C-304/04 en C-305/04 (indeling van geluidskaarten voor computers).

34 Ik merk op dat in gevallen waarin de hierna te noemen ‘transactiewaarde’ niet kan worden gehanteerd, bijvoorbeeld omdat aan de invoer geen transactie ten grondslag ligt, artikel 30 van het CDW voorziet in andere methoden voor de vaststelling van de douanewaarde. Ik laat deze hier onbesproken, nu in casu vaststaat dat de transactiewaarde (terecht) is gehanteerd en de vraag slechts is of de reparatiekosten daarop in mindering komen.

35 Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (bijlage 1A bij het Besluit van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten; PB L 336, blz. 119). Artikel 1, lid 1 en verder van deze Overeenkomst, is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 29, lid 1, van het CDW.

36 Waarbij zij opgemerkt dat bij die prijs op grond van artikel 32 van het CDW elementen bijgeteld moeten worden, terwijl op grond van artikel 33 van het CDW daarin aangewezen prijselementen buiten de douanewaarde kunnen blijven. Ik laat deze bijtellingen en ecarteringen buiten beschouwing, nu daarin geen voor deze zaak relevante prijselementen genoemd zijn.

37 Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen. Deze verordening is ingetrokken bij de inwerkingtreding van het CDW. Zie artikel 251 van het CDW.

38 Ik verwijs in dit verband nog naar Titel II van het CDW, dat getiteld is ‘Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen’. Blijkens de hoofdstukken van deze titel zijn deze elementen het douanetarief (hoofdstuk 1), de oorsprong (hoofdstuk 2) en de douanewaarde (hoofdstuk 3) van goederen.

39 MvH: deze conclusie dateerde van 31 maart 1993, het arrest Ebbe Sönnichsen is van 29 april 1993, C-59/92. Daarin oordeelde het HvJ kortweg dat ‘om redenen vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal’ op de vragen van de verwijzende rechter moest worden geantwoord dat bij de bepaling/vermindering van de douanewaarde geen onderscheid moet worden gemaakt naar gelang de beschadiging van de goederen, die de douanewaarde ervan vermindert, zich vóór of na de overgang van het risico op de koper heeft voorgedaan.

40 Het lijkt mij – maar het speelt hier niet – dat dit in theorie ook de andere kant op kan werken: bij invoer blijken de goederen van een zodanig betere kwaliteit dat de koper bijbetaalt. In dat geval zou de douanewaarde naar boven moeten (kunnen) worden bijgesteld.

41 Zie ook E.N. Punt en D.G. van Vliet, Douanerechten, Inleiding tot het communautaire douanerecht, Kluwer, Deventer 2000, blz. 80-81. In dezelfde zin TC 19 juli 1996, nr. 13739, UTC 1996/39.

42 Denk aan een korting achteraf.

43 De datum van aanvaarding van de aangifte is tevens de datum waarop de aangifte onherroepelijk wordt. Aanpassingen zijn dan alleen nog mogelijk op de voet van artikel 65, 66 of 78 van het CDW. Zie ook HvJ 15 september 2011, DP Grup, C-138/10, punt 41.

44 Artikel 66 van het CDW dat ziet op de mogelijkheid om onder voorwaarde de aangifte ongeldig te laten maken, lijkt mij voor de onderhavige zaak niet relevant.

45 Verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek en Verordeningen (EG) nr. 2787/2000 en (EG) nr. 993/2001, PB L 68, blz. 11.

46 Vgl. artikel 4, lid 1, van te noemen verordening, waarin is bepaald dat de verordening in werking treedt op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het publicatieblad. Die bekendmaking vond plaats op 12 maart 2002.

47 Zie ook punt 27 van het arrest Mitsui: “Zoals uit de punten 5 en 6 van de considerans van verordening nr. 444/2002 blijkt, heeft artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening op dit punt een oplossing geformuleerd die reeds in artikel 29 van het douanewetboek zelf is aangegeven. (…)”.

48 In zoverre plaats ik een kanttekening bij de in artikel 145, lid 2, onder b, van de UCDW gestelde voorwaarde dat de wijziging ‘gedekt’ is door garantieverplichtingen. Zie ook de uitlegging van het Comité Douanewetboek in zijn Verzameling van teksten inzake douanewaarde’ (versie januari 2007, TAXUD 2007/800/2002-NL update). Ik laat deze voorwaarde hier verder evenwel rusten, omdat aan die voorwaarde in casu voldaan is en zij derhalve niet ter discussie staat.

49 Enige nuance is hier op zijn plaats. Artikel 152 van het CDW is niet beperkt tot goederen die in een derde land geproduceerd zijn en in de Unie in het vrije verkeer zijn (gebracht) alvorens passief veredeld te worden. De regeling geldt ook voor in de Unie geproduceerde goederen. Op dergelijke goederen drukken – omdat het goederen van oorsprong uit de Unie zijn – geen douanerechten.

50 De bij deze passage behorende voetnoten heb ik niet opgenomen.

51 Bepalingen over de instelling en de taken van het Comité waren in het onderhavige tijdvak te vinden in de artikelen 247 en 248 van het CDW. De commentaren van het Comité zijn bedoeld om de uniforme interpretatie en toepassing van communautaire bepalingen te bevorderen, maar zijn niet bindend. Zie ook blz. 2 van de Verzameling teksten inzake douanewaarde.

52 Versie van januari 2007, TAXUD/800/2002-NL update, blz. 17-18.

53 Dit geldt niet alleen voor importeurs van auto’s, maar ook voor andersoortige producten.

54 MvH: In punt 21 van de conclusie van A-G Mazák is het volgende vermeld: “In casu leiden verborgen gebreken van de ingevoerde voertuigen ertoe dat hun werkelijke economische waarde lager is dan de transactiewaarde die is opgegeven op het tijdstip waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht.”.

55 Uit de door belanghebbende aangehaalde garantierichtlijn leid ik niet de verplichting voor de verkoper af om een defect goed tot drie jaar na aankoop te repareren of te vervangen (zie artikel 5, lid 1, van de garantierichtlijn).

56 Deze tweede alinea luidt: “Deze termijn [MvH: van drie jaar] wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolg van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen.”