Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2227

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-10-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
12/05660
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3491, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Voor de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene is voldoende dat de daaraan ten grondslag liggende f&o, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ttz. zijn gebleken (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202). Gelet op de verklaring van betrokkene t.tz. is het oordeel van het hof dat het aandeel van de ander kleiner is in vergelijking met het aandeel van betrokkene, ook in het licht van hetgeen door en namens de betrokkene t.tz. in h.b. is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05660 P

Zitting: 28 oktober 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene] 1

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 3 december 2012 – onder bevestiging van de beslissing van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 april 2010 - het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 32.127,66 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.127,66.

2. Namens betrokkene heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. De als eerste middel gepresenteerde klacht is geen middel van cassatie in de zin der wet.2

4. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd.

5. Het Hof heeft de beslissing van de Rechtbank in zijn geheel bevestigd. Anders dan de steller van het middel betoogt, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden, nu hetgeen in hoger beroep is aangevoerd zijn weerlegging vindt in de overwegingen van de Rechtbank, die niet onbegrijpelijk zijn. Dat ligt enkel anders wat betreft de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en medeverdachte [betrokkene 1]. In de overwegingen van de Rechtbank wordt slechts opgemerkt dat in het “PV wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een fifty-fifty verdeling”, maar dat de Rechtbank deze verdeling niet zal volgen “nu zij van oordeel is dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van [betrokkene]”. Op geen enkele manier wordt echter duidelijk gemaakt op basis waarvan zij heeft geoordeeld dat het aandeel van [betrokkene 1] kleiner is in vergelijking met het aandeel van de betrokkene en hoe zij is gekomen tot een toerekening van 2/3 van het voordeel aan de betrokkene. De bewijsmiddelen in het vonnis in de hoofdzaak bieden daarvoor evenmin steun. Het Hof had, in het licht van hetgeen door de verdediging op de terechtzitting van 19 november 2012 ter zake naar voren is gebracht, de beslissing van de Rechtbank op dit punt dan ook niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden. Het middel klaagt daarover terecht.

6. Het lijkt mij evenwel dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen door het aan de betrokkene toe te rekenen bedrag over periode 1 vast te stellen op 50%.

7. Ook de als derde middel voorgestelde klacht is geen middel van cassatie in de zin der wet. Dat wordt in de toelichting al met zoveel woorden erkend: “Dit cassatiemiddel volgt uit voorgaande cassatiemiddelen en mist zelfstandige betekenis.”

8. Het eerste en het derde middel zijn geen middelen van cassatie in de zin der wet. Het tweede middel is deels terecht voorgesteld en kan voor het overige worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene. De Hoge Raad kan die toerekening zelf verbeteren. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 12/05664 waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Vgl. HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8683.