Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2211

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-10-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
13/05324
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3476, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BW9197. HR leest de kwalificatie als “overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.40 Wet milieubeheer” (een overtreding i.p.v. een misdrijf). Geen straf of maatregel opgelegd. HR: art. 80a RO. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05324

Zitting: 7 oktober 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Na terugwijzing door de Hoge Raad,1 is verdachte bij arrest van 15 oktober 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schuldig bevonden aan de “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”, maar is haar geen straf of maatregel opgelegd.

2. Mr. R. de Bree, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

4. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met een duwbak, [A], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading ontbrak.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 2006027972-1, gesloten en getekend op 25 mei 2007 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier, dienstdoende bij het Korps landelijke politiediensten (Groep Zutphen), zijnde het stam proces-verbaal op blad 1 e.V.), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten in het stam proces-verbaal:

Op maandag 13 november 2006 omstreeks 13.20 uur waren wij met surveillance belast met het politievaartuig P66 op de Gelderse IJssel ter hoogte van Kr. 915 (...). Wij zagen toen stroomopwaarts varen de duwboot [B], officieel nummer [001], met daarvoor gekoppeld twee geladen duwbakken, genaamd '[A]' en '[C]'. Wij zagen dat deze bakken kennelijk waren geladen met verontreinigde baggerslib. Wij zagen namelijk dat deze bakken waren voorzien van een bord, waarop vermeld stond: "verontreinigde zone" met de daarbij behorende symbolen van de Arbeidsomstandighedenwet. (...) Aan boord troffen wij een persoon die verklaarde de schipper te zijn. Op ons verzoek overhandigde hij ons een ladingdocument. Wij zagen dat dit een begeleidingsbrief was, genummerd [002], zijnde een verplicht document te gebruiken bij het transport van afvalstoffen (...). Als ontvanger was vermeld: [verdachte].

Op deze begeleidingsbrief was niet vermeld: […] de geschatte hoeveelheid (kubieke meters/gewicht) van de ladingen[.]

Vervolgens hebben wij de schipper van dit transport kort als getuige verhoord. Hij gaf op te zijn: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]. Hij verklaarde zakelijk weergegeven:

- dat de baggerspecie afkomstig was van de vijvers uit Lochem;
- (…)
- dat hij slechts één begeleidingsbrief had meegekregen;
- dat hij niet wist wat er precies ingevuld moest worden;
- (…)

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage 9 van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 2006027972-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2], afgelegd op 1 februari 2007:

Ik ben directeur van het bedrijf [verdachte], gevestigd [vestigingsplaats], gelegen binnen de gemeente Nijmegen. U vraagt mij naar een transport verontreinigde baggerspecie. Dat transport is op 14 november 2006 middels twee baggerbakken vanuit de gemeente Lochem ontvangen. Bij deze lading zat een begeleidingsbrief. U houdt mij voor dat daarop niet het aantal geschatte kubieke meters baggerspecie is vermeld. Ik zie dat. Door de ontvanger van de baggerspecie, [D], gevestigd aan de [a-straat] te [plaats], is evenwel een acceptatieformulier opgemaakt onder nummer [003]. De hoeveelheid baggerspecie bedroeg 284 kubieke meter. Deze hoeveelheid van 284 kubieke meter werd gelost uit een baggerbak, voorzien van de naam [A]. De klasse van de verontreinigde baggerspecie uit de baggerbak [A] is door bemonstering op klasse 2 bepaald.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het acceptatiebrief nummer [003] van [D] (als bijlage 11 van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, procesverbaalnummer 2006027972-1) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven :

[D]
[a-straat]
[plaats]

Volgnr: [003] Naam schip: [A]
Datum 14-11-2006 Nr. vrachtbrf: [002]

LADINGVOLUME: 284 m3

Paraaf ijkopnemer: (paraaf)

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het registratieformulier nummer [003] van [D] (als bijlage 10 van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, proces- verbaalnummer 2006027972-1) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven :

Registratieformulier [003]
[D]

ALGEMEEN
Volgnr: [003]
Vrachtbriefnr: [002]

Naam vaartuig: [A]
Datum: 14-nov-06

BEUN-OPNAME
LADING VOLUME 1 284 m3

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, procesverbaalnummer 2006027972-11, gesloten en getekend op 5 februari 2009, door [verbalisant 1], brigadier, dienstdoende bij het Korps landelijke politiediensten (Groep Zutphen), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Op 14 november 2006 heeft er geen controle plaatsgevonden bij [verdachte] om te kijken of het betreffende transport, met begeleidingsbrieven, in ontvangst is genomen door [verdachte] De wettelijk voorgeschreven begeleidingsbrieven behoren zich aan boord te bevinden van het betreffende transport. Aan boord van het betreffende transport, reeds eerder omschreven in het proces-verbaalnummer 2006027972-1 bevond zich slechts de begeleidingsbrief nummer [002]. Deze begeleidingsbrief was niet volledig ingevuld. De volgende zaken waren niet vermeld: […] De geschatte hoeveelheid (kubieke meters/gewicht) van de lading(en)”.

6. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“Voor de beoordeling van de zaak is de volgende regelgeving van belang.

Artikel 10.40 lid 2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat het een persoon als bedoeld in het eerste lid van dit artikel (dat wil zeggen: een persoon aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven) verboden is om voornoemde stoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, aanhef en onder a en b worden verstrekt.

Dit laatste artikel luidt als volgt:

Artikel 10.39

1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid. onder a tot en met e, verstrekt:

a. aan deze persoon een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen:

b. aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, een begeleidingsbrief.

2. De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.

Artikel 10.38 lid 1 luidt:

1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f registreert met betrekking tot zodanige afgifte:

a. de datum van afgifte
b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven
c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen
d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven
e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen
f . ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.

Artikel 10.41 van de Wet milieubeheer bepaalt onder meer 'bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot en met 10.40 uitvoering wordt gegeven'.

Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: het besluit) bepaalt in artikel 12, eerste lid dat voor de begeleidingsbrief gebruik wordt gemaakt van een bij regeling door de minister vastgesteld formulier.

Uit het dossier blijkt voor wat betreft het tenlastegelegde het volgende. Het proces-verbaal opgemaakt op 25 mei 2007 door [betrokkene 3] behelst dat op 13 november 2006 een controle heeft plaatsgevonden bij de duwboot [B], met daarvoor gekoppeld twee geladen duwbakken, genaamd [A] en [C]. De bakken waren geladen met verontreinigde baggerslib. De schipper overhandigde de verbalisant een ladingdocument, zijnde een begeleidingsbrief, genummerd [002]. Als ontvanger was vermeld [verdachte], [b-straat] te [vestigingsplaats]. De lading baggerslib was volgens dit document onderweg van Lochem naar [verdachte]. Op de begeleidingsbrief waren niet vermeld de in de tenlastelegging genoemde gegevens. De begeleidingsbrief die aan boord was, is als bijlage 1 opgenomen in het dossier en heeft als nummer [002]. Op welke van de twee bakken deze ladingbrief ziet is niet zonder meer duidelijk, omdat op deze brief niet is vermeld op welke van de twee duwbakken de brief ziet. De door [betrokkene 2] (directeur van [verdachte]) afgelegde verklaring biedt op dit punt meer helderheid. Uit deze verklaring volgt dat het betreffende transport op 14 november 2006 in twee baggerbakken vanuit de gemeente Lochem is ontvangen en dat zich bij deze lading een begeleidingsbrief bevond die niet volledig was ingevuld. Van de lading is een acceptatiebrief (genummerd: [003]) opgemaakt en daaruit blijkt dat de verontreinigde baggerspecie uit de bak kwam met de naam [A]. Het zou daarbij gaan om 284 kuub specie (bijlage 11). De inhoud van deze verklaring komt waar het betreft de datum, het nummer van de vrachtbrief (het hof begrijpt: begeleidingsbrief), het ladingvolume en de naam en het nummer van de duwbak overeen met het registratieformulier (met daarop eveneens vermeld nummer [003]) (bijlage 10).

In het proces-verbaal van bevindingen zoals dit op 5 februari 2009 is opgemaakt door [verbalisant 1] is (nogmaals) gerelateerd dat het transport op 13 november 2006 is gecontroleerd en dat op dat moment één begeleidingsbrief aanwezig was, die niet volledig was ingevuld. De in de tenlastelegging genoemde gegevens waren niet vermeld. De brief had het nummer [002].

Het hof is op grond van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat uit het dossier volgt dat bij de ontvangst van de twee duwbakken één, niet volledig, ingevulde begeleidingsbrief aanwezig was. Deze begeleidingsbrief zag op duwbak [A].

Voor zover het de duwbak genaamd [C] betreft zal het hof de verdachte vrijspreken.

Op de begeleidingsbrief behorende bij duwbak [A] ontbraken de in de tenlastelegging genoemde gegevens. Uit het samenstel van voornoemde regelgeving volgt echter dat op grond van de wet niet vereist was dat de datum van aanvang van het transport, de naam of het kenteken van het transportmiddel en de handtekeningen van de afzender, ontdoener en/of transporteur op de begeleidingsbrief werden vermeld. In zoverre spreekt het hof de verdachte dan ook vrij. Ingevolge artikel 10.38 lid 1 onder c van de Wet milieubeheer was echter wel vereist dat de hoeveelheid afvalstoffen op de begeleidingsbrief vermeld was, op het moment dat de verdachte de lading met die brief in ontvangst nam. Op voornoemde begeleidingsbrief is de hoeveelheid - aldaar geformuleerd als 'geschatte hoeveelheid' baggerspecie niet ingevuld. Het hof acht het tenlastegelegde in zoverre bewezen.

Het verweer voor zover inhoudende dat zich bij de ontvangst van het transport twee begeleidingsbrieven bevonden die ook in het dossier te vinden zijn, wordt verworpen. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt is het transport, volgens de daarover opgemaakte processen-verbaal, op 13 november 2006 gecontroleerd. Daarbij is geconstateerd dat slechts één begeleidingsbrief aanwezig was. Vervolgens is volgens de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 2] op 14 november 2006 het transport in ontvangst genomen door de verdachte en was daarbij maar één begeleidingsbrief aanwezig.

Eveneens verwerpt het hof de stelling van de verdediging dat niet bewezen kan worden dat op 14 november 2006 het transport in ontvangst is genomen, omdat op die dag geen controle heeft plaatsgevonden. Uit de hiervoor genoemde verklaring van [betrokkene 2] volgt immers dat op 14 november 2006 het transport in ontvangst is genomen door de verdachte, terwijl daarbij één, niet volledig ingevulde, begeleidingsbrief aanwezig was.

Het verweer ten slotte dat de verdachte materieel heeft voldaan aan de eisen die de Wet milieubeheer stelt omdat uit de combinatie van de begeleidingsbrief en de interne innamebonnen alle informatie volgt die op grond van de wet bekend behoorde te zijn, wordt eveneens verworpen. De interne innamebonnen en overige administratie die de verdachte zelf gebruikt bij de inontvangstname van ladingen zijn niet op één lijn te stellen met de begeleidingsbrief die in de wettelijke bepalingen zoals hiervoor weergegeven wordt bedoeld. Ook kunnen dergelijke bonnen een op zichzelf incomplete begeleidingsbrief niet vervangen of aanvullen. Uit het wettelijk systeem blijkt duidelijk dat het de bedoeling is dat een transport met behulp van de begeleidingsbrief door de hele vervoersketen heen gevolgd kan worden”.

7. Het middel klaagt terecht dat uit deze bewijsvoering niet zonder meer volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De opname in de bewezenverklaring van het woord “opzettelijk” kan echter worden aangemerkt als een kennelijke misslag van het hof, die door de Hoge Raad kan worden hersteld door de bewezenverklaring - en de daarop gebaseerde kwalificatie - verbeterd te lezen. Nu de bewezenverklaring van de niet-opzettelijke delictvariant van art. 10.39, eerste lid, Wet Milieubeheer, die op grond van art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten moet worden aangemerkt als een overtreding, zonder meer toereikend is gemotiveerd en zeker gelet op het feit dat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd, heeft verdachte naar mijn oordeel na een verbeterde lezing geen belang meer bij vernietiging van het bestreden arrest.2

8. Het middel is vruchteloos voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring en de kwalificatie en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9197.

2 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013, 241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.5 en bijv. HR 20 mei 2014, resp. ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014, 381 m.nt. Keulen en ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014, 382.