Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2209

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-10-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
13/05796
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3472, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 342.2 Sv, falende unus testis-klacht. 2. Middelen benadeelde partijen, HR: art. 81.1 RO. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05796

Zitting: 7 oktober 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 12 november 2013 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1B en 3B telkens “mishandeling, meermalen gepleegd” en 1C “mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarden van een contact- en omgevingsverbod, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het arrest omschreven, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

  2. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld. Mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 1] één middel van cassatie voorgesteld. Mr. Madern heeft tevens namens de benadeelde partij [benadeelde 2] één middel van cassatie voorgesteld. Mr. R.J. Baumgardt heeft een verweerschrift ingediend tegen de namens de benadeelde partij [benadeelde 1] ingediende cassatieschriftuur.

  3. Het namens de verdachte voorgestelde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3B tenlastegelegde in strijd met art. 342, tweede lid, Sv uitsluitend berust op de verklaring van het slachtoffer. Het middel klaagt voorts dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dienaangaande.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 3B bewezenverklaard dat:

“hij op 22 oktober 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandeld [benadeelde 2] met een honkbalknuppel en een pan meermalen (met kracht) heeft geslagen tegen haar lichaam, waardoor voornoemde [benadeelde 2] pijn heeft ondervonden.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2008273050-16 van 4 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [dossierpagina 214].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 december 2008 tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 2]:

Vanaf eind juni 2007 ging [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte [verdachte]) fysiek geweld tegen mij gebruiken. Hij heeft mij eens geslagen met een honkbalknuppel en een steelpan.

6. Een verslag, gedateerd 29 juni 2009, betreffende [benadeelde 2] [dossierpagina 264].

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[benadeelde 2] [geboortedatum]

Algemeen Journaal.

26-10-2007: Huiselijk geweld, wordt mishandeld, heeft contact met hulpverlening.

Drukpijn naast wervelkolom.

7. Een aanvullend proces-verbaal van aangifte met nummer 2008273050 van 10 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3]

[dossierpagina 221 en 222].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 december 2008 tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] afgelegde verklaring van aangeefster [benadeelde 2]:

Ik heb contact gehad met Hera Apeldoorn. De dag van mijn laatste bezoek, 22 oktober 2007, kon ik haast niet meer zitten van de pijn in mijn rug en mijn bekken. Dit was het gevolg van een mishandeling door [verdachte]. Hij heeft mij geslagen met een honkbalknuppel. Hij begon met tikjes op mijn hoofd te geven. Daarna sloeg hij mij op mijn hele lichaam. Ik kon niet eens meer gewoon lopen. Ik liep mank.

Op 26 oktober 2007 ben ik naar de dokter geweest. Als gevolg van de klappen die [verdachte] mij had gegeven met die honkbalknuppel, bleef ik veel pijn houden en ik was bang voor blijvend letsel. Ik heb bij de dokter gezegd dat ik het slachtoffer was van huiselijk geweld.

8. Een verslaggesprek ambulant, dossier [benadeelde 2] [dossierpagina 267].

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

22 oktober 2007

Client komt strompelend binnen. Ze geeft aan dat ze diezelfde ochtend met honkbalknuppel is bewerkt en ook met een sauspan op haar hoofd is geslagen, om één verkeerd woord.”

6. De unus-testis regel, waarop in het middel een beroep wordt gedaan, is gebaseerd op het tweede lid van art. 342 Sv op grond waarvan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend mag worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling, die betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan, strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden die door één getuige worden opgegeven op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad geeft in zijn jurisprudentie daarom geen algemene regels over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, is wel van belang of de feitenrechter zijn oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan, nader heeft gemotiveerd.1

7. Het bovenstaande betekent dat een bewezenverklaring in de kern niet mag worden gebaseerd op één bron. Uit de jurisprudentie kan verder worden afgeleid dat het vereiste steunbewijs niet gevonden kan worden in de auditu-verklaringen van getuigen over wat de bron aan de betreffende getuige heeft verteld. Het bewijsmateriaal blijft dan immers slechts afkomstig van één bron. Ook bewijsmiddelen waarin wordt verklaard over de emotionele toestand waarin een bron (meestal het slachtoffer) zich kort na het tenlastegelegde bevond, of over de emotie die de bron toonde bij het verklaren over het tenlastegelegde dan wel bij de confrontatie met de verdachte, bieden over het algemeen onvoldoende steunbewijs.2

8. De rechter hoeft zijn oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan, in beginsel niet te motiveren, ook niet in het geval er op dit punt verweer is gevoerd. De weerlegging van dat verweer kan immers gevonden worden in de bewijsvoering. Als er sprake is van een grensgeval waarbij er dus twijfel is of aan het bewijsminimum wordt voldaan, is het wel noodzakelijk dat de rechter aangeeft welke bewijsmiddelen het vereiste steunbewijs opleveren en waarom. In dat geval is een motivering vereist, ongeacht de vraag of er door de verdediging een beroep is gedaan op art. 342, tweede lid, Sv.3

9. In het onderhavige geval heeft het hof het oordeel dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan niet nader gemotiveerd. In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het hof besloten dat de verklaring van de aangeefster voldoende steunt vindt in ander bewijsmateriaal, te weten in de als bewijsmiddel 6 en 8 opgenomen verslagen. Dat oordeel is naar mijn mening niet zonder meer begrijpelijk. Het als bewijsmiddel 6 gebezigde verslag betreft kennelijk het verslag van een arts en biedt in zoverre steun aan de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van de aangeefster dat zij op 26 oktober 2007 een arts heeft bezocht. Het zegt dus wel iets over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster,4 maar is verder zo summier dat daaruit niet zonder meer valt af te leiden of het een de auditu-verslag betreft, of dat de arts zelfstandig heeft waargenomen of onderzocht dat de verdachte drukpijn had naast de wervelkolom (als gevolg van het handelen van de verdachte). Het als bewijsmiddel 8 gebezigde verslag houdt onder andere in dat de aangeefster op de dag van het tenlastegelegde strompelend binnenkwam. Dit is wel een waarneming van degene die het verslag heeft opgemaakt anders dan een weergave van een emotie. Deze waarneming, waarbij het onduidelijk blijft wie deze heeft gedaan en wie of wat met ‘ambulant’ wordt bedoeld, is echter niet vermeld in een door de politie op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor van een getuige. Het gaat hier om een niet nader geduid verslag.5

10. Onderhavige zaak valt mijns inziens in de hiervoor gemelde categorie grensgevallen waarin het hof diens oordeel dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, nader moet motiveren. Daarom acht ik het impliciete oordeel van het hof dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan niet zonder meer begrijpelijk.

11. Het middel is terecht voorgesteld.

12. Het namens de benadeelde partij [benadeelde 1] voorgestelde middel komt op tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding.

13. Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.193,59, bestaande uit € 193,59 aan materiele schadevergoeding en € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding. Het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en bepaald dat zij in zoverre haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.942,73. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.193,59. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de gevorderde materiele schade betreffende de kosten voor het overboeken van het ticket, de nieuwe sloten van de woning en de paniekknop rechtstreeks het gevolg zijn van het onder 1B subsidiair en 1C bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de gevorderde materiele schade tot een bedrag van € 193,59 zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft € 2.000 gevorderd wegens immateriële schade die zij als gevolg van de mishandelingen heeft geleden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt onder meer dat zij als het gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte een promotieplek op haar werk heeft gemist, vertraging heeft opgelopen in haar opleiding tot arts en zij is gediagnosticeerd met PTSS waarvoor ze tot voor kort werd behandeld. Zelfs thans, jaren later, ervaart zij nog psychische klachten en is zij bang voor de verdachte. Gelet op de onderbouwing van de vordering begroot het hof de immateriële schade op € 1.000. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van deze gevorderde immateriële schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De overige gevorderde materiele en immateriële schadevergoeding heeft betrekking op de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en welke feiten in hoger beroep niet langer aan de orde zijn. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dat gedeelte van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De toegewezen schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2008 tot de dag der algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

14. Voor zover het middel opkomt tegen de hoogte van de toegewezen materiële schadevergoeding miskent het enerzijds dat het hof de vordering voor wat betreft de materiële schade die is voortgevloeid uit het onder 1B en 1C bewezenverklaarde geheel heeft toegewezen. Anderzijds miskent het middel dat gelet op het bepaalde in art. 361 Sv de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering kan worden ontvangen, nu deze betrekking heeft op feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en die in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. Het oordeel van het hof met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

15. Voor zover het middel opkomt tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de vordering tot immateriële schadevergoeding, geldt het volgende.

16. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling ingevolgde art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft dan ook de juiste maatstaf gehanteerd.

17. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.6 De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.7 In de onderhavige zaak blijkt, volgens de vaststellingen van het hof, uit de schriftelijke slachtofferverklaring dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een promotieplek op haar werk heeft gemist, vertraging heeft opgelopen in haar opleiding tot arts en zij is gediagnosticeerd met PTSS waarvoor ze tot voor kort werd behandeld, alsmede dat zij jaren later nog altijd psychische klachten ervaart en bang is voor de verdachte. Op basis daarvan heeft het hof de immateriële schade begroot op € 1.000,- en geoordeeld dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel komt mij, ook zonder nadere motivering, geenszins onbegrijpelijk voor, mede gelet op het feit dat in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding niet nader is onderbouwd.

18. Voor zover het middel daarover klaagt, doet de omstandigheid dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat in plaats van een bedrag van € 5.500,- slechts een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding is gevorderd, mijns inziens niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, te meer niet nu in de schriftuur ook niet wordt aangegeven waarom dit daaraan af zou doen.

19. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

20. Het namens de benadeelde partij [benadeelde 2] voorgestelde middel komt op tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding.

21. Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en bepaald dat zij in zoverre haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.693,13. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep

toegewezen tot een bedrag van € 1.000. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3B subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte wist dat de benadeelde extra kwetsbaar was doordat zij in een eerdere relatie het slachtoffer was geworden van een loverboy. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat zij als gevolg van het handelen van de verdachte opnieuw haar toevlucht heeft moeten nemen tot een Blijf-van-mijn-lijfhuis. Zij heeft diverse therapieën moeten ondergaan om de gebeurtenissen tijdens haar relatie met de verdachte een plek te kunnen geven. Zelfs thans, jaren later, ervaart zij nog psychische klachten en is zij bang voor de verdachte. Het voorgaande in aanmerking nemende begroot het hof de immateriële schade op

€ 1.000. De behandeling van de overige gevorderde immateriële schade, die ook deels betrekking heeft op de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, levert naar het hof van oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dat gedeelte van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij zal tevens niet worden ontvangen in de vordering voor zover deze de materiele schade betreft, nu deze betrekking heeft op de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en welke feiten in hoger beroep niet langer aan de orde zijn. Ook dit gedeelte van haar vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De toegewezen schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2007 tot de dag der algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

22. Voor zover het middel opkomt tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding wat het materiële gedeelte daarvan betreft, miskent het dat de verdachte daarin gelet op het bepaalde in art. 362 Sv niet kan worden ontvangen, nu dit betrekking heeft op feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en die in hoger beroep niet meer aan de orde zijn.

23. Aangaande de klacht over de beslissingen van het hof met betrekking tot de vordering tot immateriële schadevergoeding, geldt het volgende.

24. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv welke bepaling ingevolgde art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft bij diens oordeel dan ook de juiste maatstaf gehanteerd.

25. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.8 De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.9 In de onderhavige zaak blijkt, volgens de vaststellingen van het hof, uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het handelen van de verdachte opnieuw haar toevlucht heeft moeten nemen in een Blijf-van-mijn-lijfhuis, zij diverse therapieën heeft moeten ondergaan om de gebeurtenissen tijdens haar relatie met de verdachte een plek te kunnen geven, alsmede dat zij jaren later nog altijd psychische klachten ervaart en bang is voor de verdachte. Op basis daarvan heeft het hof de immateriële schade begroot op € 1.000,- en geoordeeld dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel komt mij, ook zonder nadere motivering, geenszins onbegrijpelijk voor, mede gelet op het feit dat in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding niet nader is onderbouwd.

26. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

27. Het namens de verdachte voorgestelde middel slaagt. De namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3B tenlastegelegde, de beslissingen ter zake van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515, m.nt. M.J. Borgers.

2 Zie b.v. HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5721, HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7413 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279, m.nt. J.M. Reijntjes.

3 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890 (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1890, onder 6.6). Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:135 (ECLI:NL:PHR:2014:502, onder 3.6).

4 De vraag of een verklaring betrouwbaar is, is echter een andere dan de vraag of aan het bewijsminimum van art. 324, tweede lid, Sv is voldaan. Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. M.J. Borgers en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279, m.nt. J.M. Reijntjes.

5 Daarin zit m.i. een verschil met HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957.

6 Naar analogie van HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1137. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751.

7 Zie HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520, m.nt. B.F. Keulen. In beide zaken luidde de conclusie dat het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren ontoereikend gemotiveerd was, terwijl de Hoge Raad in beide zaken het oordeel van het hof in stand liet.

8 Naar analogie van HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1137. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751.

9 Zie HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520, m.nt. B.F. Keulen. In beide zaken luidde de conclusie dat het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren ontoereikend gemotiveerd, terwijl de Hoge Raad het oordeel zulks het geval was in stand liet.