Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2208

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13/01404
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3473
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1326
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening ‘showbizzmoord’, tussenarrest. De aanvragen berusten onder meer op de stelling dat, kort gezegd, zodanig ernstige twijfel is gerezen omtrent de betrouwbaarheid van de bekentenissen die de betrokkene destijds heeft afgelegd, dat het Hof - ware het daarmee bekend geweest - die (nadien ingetrokken) bekentenissen niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en de betrokkene zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De HR acht nader onderzoek noodzakelijk alvorens een beslissing kan worden genomen. I.h.b. wenst de HR beantwoording van vragen m.b.t. (1) de geestesgesteldheid van de betrokkene t.t.v. of omstreeks het plegen van het misdrijf dan wel t.t.v. het opsporingsonderzoek en/of t.t.v. de behandeling van de zaak door de Rb resp. het Hof en (2) of de evt. ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van invloed was op de gedragskeuzes en gedragingen van de betrokkene t.t.v. het misdrijf en/of gedurende de behandeling van zijn strafzaak, en wel zodanig dat zulks mede daaruit verklaard kan worden en zo ja, op welke manier en in welke mate dit is geschied. Het onderzoek wordt opgedragen aan raadsheer mr. N. Jörg, daartoe tot Rh-C benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01404 H

Zitting: 16 september 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Op 7 juli 2014 hebben mrs. G.G.J. Knoops en L. Vosman, beiden advocaat te Amsterdam, namens hun cliënt, [betrokkene], bij Uw Raad herziening aangevraagd van de onherroepelijke veroordeling die is uitgesproken bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 augustus 1984, te weten de veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met bevel tot terbeschikkingstelling van de regering teneinde van harentwege te worden verpleegd (TBR). Bij vordering van 8 juli 2014 heb ik eveneens de herziening aangevraagd van deze veroordeling. De strekking van het namens [betrokkene] ingediende verzoek is gelijk aan die van de door mij ingediende vordering. Het verzoek en de vordering verwijzen grotendeels naar dezelfde onderliggende stukken, en naar hetgeen in die stukken als onderzoeksresultaten is neergelegd.

2. Om die reden meen ik in deze conclusie naar aanleiding van het verzoek van mrs. Knoops en Vosman te kunnen volstaan met een verwijzing naar mijn vordering van 8 juli 2014. Uiteraard sta ik daartoe paraat indien Uw Raad van oordeel is dat op bepaalde punten nadere voorlichting van mijn kant geboden is.

3. Op één kwestie wil ik nog wel nader ingaan, en dat is het verzoek van mrs. Knoops en Vosman aan Uw Raad om, ingeval de herzieningsaanvraag gegrond is, terstond ten gronde uitspraak te doen en [betrokkene] alsnog vrij te spreken van de moord op Bart van de Laar zonder een verwijzing van de zaak naar een gerechtshof op de voet van artikel 472, tweede lid, Sv.

4. Ofschoon de wet hiervoor geen enkele grondslag biedt, is er in Uw jurisprudentie inderdaad een uitzonderlijk geval bekend waarin de Hoge Raad uit overwegingen van doelmatigheid ten principale heeft beslist. Dit betrof echter een zaak waarin een herzieningsaanvraag op grond van een novum was toegewezen en de wettelijk voorgeschreven verwijzing naar een gerechtshof dat van de zaak nog geen kennis heeft genomen volstrekt overbodig was. De uitkomst van de procedure in herziening stond namelijk bij voorbaat vast.1 Wat was er aan de hand? De man die door het gerechtshof onherroepelijk was veroordeeld, was hangende het hoger beroep reeds overleden. Van dat overlijden was het gerechtshof echter onbekend gebleven. Indien het gerechtshof daarmee tijdig bekend zou zijn geworden, was de strafzaak ongetwijfeld geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Nu dat overlijden alsnog bekend werd, deed de Hoge Raad in die zaak zelf wat een gerechtshof na verwijzing zonder enige twijfel zou hebben gedaan: het onherroepelijk geworden arrest vernietigen en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de tegen de (overleden) verdachte lopende vervolging. Deze zaak is echter niet vergelijkbaar met de thans voorliggende kwestie. Zoals gezegd stemt de strekking van mijn vordering tot herziening overeen met die van het verzoek tot herziening. Dat betekent echter niet dat in de voorliggende zaak geen weging van het novum meer hoeft plaats te vinden. Integendeel, het feitelijke karakter van de zaak dwingt daartoe.

5. Kortom, hoewel in de voorliggende zaak de broze gezondheid van [betrokkene] – inderdaad – noopt tot een meer dan voortvarende behandeling van het herzieningsverzoek, zie ik geen juridische mogelijkheid om gevolg te geven aan zijn verzoek om reeds nu ten principale te beslissen.2

6. Ik concludeer tot gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening van het onherroepelijke arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 augustus 1984, houdende de veroordeling van [betrokkene], met verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid Sv.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

n.d.

1 HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8325, NJ 1987/865, m.nt. Corstens.

2 Vgl. HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX3619, waarin ik tot gegrondverklaring van het verzoek tot herziening concludeerde, en waarin ik vanwege het gewicht van de aanwijzingen dat in deze zaak een zogeheten ‘persoonsverwisseling’ had plaatsgevonden Uw Raad in overweging gaf ten gronde uitspraak te doen. De Hoge Raad zag hiervoor klaarblijkelijk geen ruimte en verwees de zaak naar een gerechtshof.