Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2202

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-10-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
12/05942
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3466, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05942

Mr. Machielse

Zitting 7 oktober 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 12 december 2012 wegens “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en anders zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat het hof de voor het bewijs gebruikte verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft gedenatureerd, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 15 juli 2011 in het arrondissement Breda, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), tegen het hoofd heeft geslagen en meermalen tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”

3.3 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“I. Het proces-verbaal van aangifte van 15 juli 2011 (…) voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Vandaag vrijdag 15 juli 2011, omstreeks 13.00 uur, reed ik op de A59 richting Raamsdonk. Op een gegeven moment gaf ik richting naar links aan en ging ik naar de linker baan. Ik zag in mijn spiegel dat een grijze Skoda station er voorbij wilde. Deze heeft mij ingehaald. De bestuurder van de grijze Soda station zat allemaal te wijzen en te gebaren dat ik er af moest. Ik heb hem vervolgens links ingehaald. Ik ben bij parkeerplaats 't Vaerland, gelegen aan de A59, gestopt omdat ik moest gaan plassen. Ik heb mijn vrachtwagen net na de oprit naar de parkeerplaats geplaatst. Ik zag dat de grijze Skoda achter mij stond. Ik ben uitgestapt en richting de grijze Skoda gelopen. Ik zag de bestuurder uitstappen. Ik vroeg of hij wel goed bij was en of hij mijn richtingaanwijzer had gezien. Ik heb gezegd dat hij een idioot was. Hij zei dat hij het niet gezien had. Ik ben vervolgens omgedraaid en naar mijn vrachtwagen gelopen. Ik weet niet wat er daarna gebeurd is. Ik kan me alleen herinneren dat er twee mannen bij me stonden die vertelden dat ze de politie gebeld hadden omdat ik mishandeld was. Ik voelde bloed over mijn wang lopen. Ik heb een snee onder mijn rechteroog en mijn wang, kaak en achter mijn oor doen zeer. Ik heb pijn en mijn wond bloedt nog steeds.

IV. Het proces-verbaal van verhoor van 26 juli 2011 (…) voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

Ik reed met een ambulance op de A59 en wilde een stop maken op de parkeerplaats 't Vaerland om alles te controleren. Ik zag toen een vrachtwagen op het eerste gedeelte van het parkeerterrein staan midden in een versmalling en op de weg zodanig dat er niks meer voorbij hem kon gaan. Ik zag achter hem een personenauto staan met kenteken [AA-00-BB]. Ik zag dat de chauffeur van de vrachtwagen uitstapte en in de richting van de personenauto liep. Ik zag dat de chauffeur van de personenauto uit stapte en in de richting van de chauffeur van de vrachtwagen liep. Ik kon aan beide mannen zien dat ze het niet met elkaar eens waren. Ik zag dus een hoop handengezwaai wat erop leek dat ze ruzie hadden. Ik reed op dat moment langs hen af en pakte de rechterparkeerplaats en parkeerde daar de ambulance. Ik kon alleen onder de vrachtwagen door kijken en zag twee paar benen. Ik zag op een moment een paar benen die vermoedelijk van de vrachtwagenchauffeur waren richting de cabine van de vrachtwagen lopen. Ik zag vervolgens nog een paar benen lopen die vermoedelijk van de chauffeur van de personenauto waren ook richting de cabine van de vrachtwagen lopen. Ik zag dat de vermoedelijke benen van de vrachtwagenchauffeur eronderuit geschopt werden en dat hij op de grond viel. Ik zag toen dat er meerdere malen op hem ingeschopt werd, door vermoedelijk de chauffeur van de personenauto. Het leek erop dat hij (het hof begrijpt: de vermoedelijke vrachtwagenchauffeur) als een voetbal gebruikt werd. Ik zag dat de vermoedelijke chauffeur van de personenauto terug liep naar zijn voertuig. Ik zag dat de chauffeur van de vrachtwagen omhoog kwam en naar zijn cabine liep. Ik zag dat de personenauto die achter de vrachtwagen stond achteruit wegreed en uit mijn zicht verdween.

V. Het proces-verbaal van verhoor van 15 juli 2011 (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Op vrijdag 15 juli 2011, rond 13:00 uur zat ik te eten op de parkeerplaats ’t Vaerland langs de Rijksweg A59. Dat is vanaf Waalwijk richting Hooipolder. Ik zag dat er een vrachtwagen en een personenauto aan kwamen rijden. Ik zag dat deze achter elkaar stopten, de vrachtwagen voorop. Ze stopten op de oprit van de parkeerplaats. Ik zag de vrachtwagenchauffeur uitstappen. [...]

Ik zag dat [een man] de vrachtwagenchauffeur liet struikelen, door pootje te haken. Ik zag dat de vrachtwagenchauffeur op de grond lag. [Een man] sloeg hem terwijl hij op de grond lag, met zijn vuist in zijn gezicht.

Ik zag dat die personenauto achteruit de oprit van de parkeerplaats, de uitvoegstrook, opreed, terug de A59 op.

VI. Het proces-verbaal van verhoor van 15 juli 2011 (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Vandaag vrijdag 15 juli 2011, omstreeks 13.10 uur, stond ik op parkeerplaats 't Vaerland, gelegen aan de A59 richting Raamsdonk. Ik zag een vrachtwagen stoppen en de chauffeur uitstappen. Achter de vrachtwagen stopte een grijze auto. De chauffeur van de vrachtwagen werd tegen de grond gedrukt. De chauffeur werd geslagen en geschopt. Zeker twee trappen waren tegen het hoofd. Vervolgens reed de grijze auto achteruit de snelweg op richting Raamsdonk.

VII. Het proces-verbaal van verhoor van 26 juli 2011 (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

Er is een incident geweest op de A59. Ik ben achter de vrachtwagen aan de snelweg af gegaan en de inrit van 't Vaerland opgereden. Op de parking zette de chauffeur zijn vrachtwagen aan de kant. Ik heb de auto daarachter geparkeerd. Ik ben uitgestapt en zag dat ook de chauffeur uitstapte. De chauffeur van de vrachtwagen kwam gelijk mijn kant op en ik hoorde dat de man kwaad was. Ik hoorde dat hij schold en schreeuwde. Ik heb toen tegen die man gezegd dat hij normaal moest doen. [...]

Ik ben achteruit weggereden. Ik ben via de oprit de parking achteruit weer afgereden en ben via de vluchtstrook terug de snelweg op gereden. U vraagt mij wat ik voor auto reed. Een zilverkleurige Skoda met het kenteken [AA-00-BB].”

3.4 Het hof heeft naar aanleiding van een verweer het volgende overwogen ten aanzien van het bewijs:

“Door de raadsman is bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het schoppen. Naar de mening van de raadsman zijn de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] - voornamelijk vanwege het beknopte karakter van die verklaringen en de omstandigheid dat zij over twee personen verklaren die de vrachtwagenchauffeur (aangever [slachtoffer], hof) zouden hebben mishandeld - niet geloofwaardig en mogen deze niet tot het bewijs worden gebruikt. Met betrekking tot getuige [getuige 3] geldt dat deze getuige slechts onder de vrachtwagen door heeft kunnen kijken en daarbij niet met volledige zekerheid verdachte en aangever heeft kunnen aanwijzen. Bovendien staat zijn verklaring op zichzelf. Onder die omstandigheden ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt:

Het hof hecht om de volgende redenen geloof aan de verklaring van getuige [getuige 3] en zal die verklaring derhalve tot het bewijs bezigen.

[getuige 3] zag op de parkeerplaats Vaarland de vrachtwagen van aangever [slachtoffer] met daarachter de personenauto van de verdachte en heeft vervolgens gezien hoe de verdachte en [slachtoffer] uit hun voertuigen stapten en naar elkaar toe liepen en het zichtbaar met elkaar oneens waren. De verdachte en [slachtoffer] bevestigen beiden deze gang van zaken (pagina's 49 en 35 van het dossier met nummer PL203M 2011142421). Nadat [getuige 3] langs hen afwas gereden en geparkeerd had, kon hij alleen onder de vrachtwagen van [slachtoffer] door kijken en zag hij "twee paar benen". Getuige [getuige 3] spreekt dan over "benen die vermoedelijk van de vrachtwagenchauffeur waren" en die richting de cabine van de vrachtwagen liepen en dat "benen die vermoedelijk van de chauffeur van de personenauto waren" ook richting de cabine van de vrachtwagen liepen. Deze waarneming is betrouwbaar gelet op de waarnemingen die [getuige 3] net daarvoor had gedaan en die hierboven zijn beschreven. Bovendien verklaart [getuige 3] vervolgens dat de benen die hij aan de vrachtwagenchauffeur toeschreef, onderuit geschopt werden, waarna die persoon op de grond viel en meermalen als een voetbal werd geschopt door "vermoedelijk de chauffeur van de personenauto". Hierna zag [getuige 3] de persoon die had geschopt, teruglopen naar voormelde personenauto en de persoon die liggend op de grond meermalen was geschopt omhoog komen en naar de cabine van voormelde vrachtauto lopen. Gelet op het totaal van de waarnemingen is het hof van oordeel dat de waarnemingen van [getuige 3] betrouwbaar zijn en dat waar hij spreekt van "vermoedelijk" als hij spreekt van de vrachtwagenchauffeur en van de chauffeur van de personenauto dit ook daadwerkelijk respectievelijk aangever [slachtoffer] en de verdachte betreffen.

Daarvoor is mede redengevend dat de verklaring van getuige [getuige 3] op essentiële onderdelen bevestiging vindt in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], in ieder geval voor wat betreft het onderuit schoppen van aangever ([getuige 2], pagina 40 van voormeld dossier) en het schoppen terwijl aangever op de grond lag ([getuige 1], pagina 36 van voormeld dossier), alsmede op het achteruit wegrijden van de personenauto over de uitvoegstrook weer de snelweg op ([getuige 2]). Daaraan doet niet af het beknopte karakter van hun verklaringen en de omstandigheid dat zij over twee personen verklaren die de vrachtwagenchauffeur zouden hebben mishandeld. In zoverre zal het hof ook deze beide verklaringen tot het bewijs bezigen.

(…)

Gelet op het vorenstaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan slaan en schoppen, zoals hierboven bewezen is verklaard. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

3.5 Ik stel voorop dat het aan de feitenrechter is voorbehouden om uit een verklaring de onderdelen te selecteren die hem betrouwbaar en bruikbaar voorkomen en dat hij een grote vrijheid heeft die onderdelen samen te vatten. Deze vrijheid vindt haar grens daar waar een verklaring door de zakelijke weergave en/of de selectie van onderdelen ervan een andere betekenis krijgt dan degene die haar heeft afgelegd daaraan heeft willen geven.1 In het verlengde daarvan ligt dat de interpretatie van afgelegde verklaringen is voorbehouden aan de feitenrechter. Die interpretatie kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.

3.7 Een blik achter de papieren muur leerde mij dat de op 15 juli 2011 ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] - letterlijk weergegeven en voor zover relevant - luiden als volgt:

[getuige 1]: “Achter de vrachtwagen stopte een grijze auto daar stapten twee mannen uit. De chauffeur van de vrachtwagen werd tegen de grond gedrukt door de twee mannen. De twee mannen sloegen en schopte de chauffeur. Zeker twee trappen waren tegen het hoofd. Vervolgens stapte de mannen in de grijze auto en reden achteruit en reden de snelweg op richting Raamsdonk. Heb geen signalement want het ging te snel.”

[getuige 2]: “Ik zag dat de vrachtwagenchauffeur uitstappen. Ook uit de personenauto kwamen twee mannen. (…) Ik zag de twee mannen uit die auto achter de chauffeur aan lopen. Ik zag dat een van die twee mannen de vrachtwagenchauffeur liet struikelen, door pootje te haken. Ik zag dat de vrachtwagenchauffeur op de grond lag. Een van die mannen sloeg hem terwijl hij op de grond lag, met zijn vuist in zijn gezicht. Ik heb maar een klap gezien. Later hoorde ik van een kameraad dat hij ook geschopt is. Ik zag dat die twee mannen terug naar hun auto liepen, weer instapten en achterruit de oprit van de parkeerplaats, de uitvoegstrook, opreden, terug de A59 op. Ik kan geen signalement geven van die mannen.”

3.8 Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zich weliswaar hebben vergist toen zij verklaarden dat er twee mannen uit de personenauto stapten, maar dat de essentie van hun verklaringen, te weten dat de vrachtwagen gevolgd door een personenauto de parkeerplaats op is komen rijden, dat vrachtwagenchauffeur [slachtoffer] vervolgens is mishandeld en dat de personenauto daarna achteruit is gereden en vervolgens de snelweg weer op, bruikbaar was voor het bewijs. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en nu deze essentie van de verklaringen niet is aangetast door de wijze waarop de verklaringen zijn weergegeven onder de gebezigde bewijsmiddelen, ben ik van oordeel dat het hof binnen de grenzen van zijn selectievrijheid is gebleven. Het hof heeft door de weglating van de niet geloofwaardig geachte onderdelen geen wezenlijk andere betekenis aan de verklaringen gegeven dan de getuigen kennelijk hebben bedoeld, zodat van denaturering geen sprake is.

3.9 De bewezenverklaring is ook overigens naar de eis der wet met redenen omkleed, waardoor het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer. Uit de toelichting op het middel destilleer ik het standpunt dat het hof op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat voor verdachte geen noodweersituatie bestond.

4.2 Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende verklaard:

“Op 15 juli 2011 reed ik over de snelweg in de richting van Breda. Ik zat alleen in mijn auto. Ik kreeg onenigheid met een vrachtwagenchauffeur. Die sommeerde mij naar de kant te gaan. Ik dacht dat hij was geschrokken. Hij parkeerde op de oprit naar een parkeerplaats en blokkeerde die zodoende. Hij kwam op me afgestormd. Er ontstond een woordenwisseling. Die vrachtwagenchauffeur viel mij aan en begon mij te slaan, waarop ik mij afweerde door één keer terug te slaan. Op enig moment liep hij naar zijn vrachtwagen om er iets uit te pakken. Ik zag dat hij iets in zijn handen had. Ik heb dat niet afgewacht, maar ben in mijn auto gestapt en achteruit gereden.”

4.3 Het hof heeft naar aanleiding van deze verklaring het volgende overwogen:

“De verklaring van verdachte dat hij werd belaagd door aangever, waarna hij slechts eenmaal uit zelfverdediging heeft geslagen en zich vervolgens uit de voeten heeft gemaakt toen hij zag dat aangever iets uit de cabine van zijn vrachtwagen pakte, acht het hof ongeloofwaardig. Daartoe overweegt het hof dat de verklaring van verdachte dat aangever naar de cabine van zijn vrachtauto liep en daaruit iets pakte, door alle overige verklaringen wordt weersproken. Voorts verdraagt de verklaring van verdachte - dat hij aangever slechts eenmaal een klap heeft gegeven uit zelfverdediging waarna die chauffeur wegliep naar de cabine van zijn vrachtwagen en daar iets ging pakken - zich niet met het ter plaatse door de GGD-arts geconstateerde letsel bij aangever, de constatering van de verbalisanten dat aangever niet meer in staat was om verder te rijden en het feit dat de aangever heeft verklaard dat hij zich heeft omgedraaid en naar zijn vrachtwagen is gelopen, maar dat hij niet weet wat daarna gebeurd is.”

4.4 Het hof heeft de verklaring van verdachte kennelijk opgevat als een beroep op noodweer, maar heeft dit beroep verworpen met de volgende motivering:

“Het hof overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie, aangezien niet aannemelijk is geworden dat de aangever de verdachte heeft geslagen. Er was dus geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de vrachtwagenchauffeur. Het hof verwerpt daarom het verweer.”

4.5 Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat vrachtwagenchauffeur [slachtoffer] zich in verbaal opzicht niet onbetuigd heeft gelaten. Het hof heeft dit gedrag van [slachtoffer] echter terecht niet aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte in de zin van art. 41 Sr.2 Bovendien is het oordeel van het hof dat de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] niet alleen heeft staan schreeuwen en schelden maar tevens (als eerste) een klap heeft uitgedeeld, ongeloofwaardig is in het licht van de gebezigde getuigenverklaringen, waarin niet wordt gesproken over fysiek geweld van [slachtoffer] richting verdachte, geenszins onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, kan het in cassatie niet verder worden getoetst.

4.6 Wat er ook zij van de onder 4.4 weergegeven motivering, het oordeel van het hof dat verdachte zich niet in een noodweersituatie bevond en dat het beroep daarop moet worden verworpen, wordt reeds voldoende gedragen door de verklaringen van de getuigen, inhoudende dat [slachtoffer] ten val is gebracht en toen is mishandeld, welke verklaringen haaks staan op de versie die verdachte van de gebeurtenissen geeft, en is daarom niet onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat het middel faalt.

5.1 Het derde middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft toegewezen. De steller van het middel voert aan dat behandeling van de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering op dat punt onvoldoende is onderbouwd.

5.2 Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen omtrent de vordering van de benadeelde partij:

“De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 930,62, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsman heeft primair betoogd de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien hij de vordering onvoldoende onderbouwd acht. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering toe te wijzen tot een bedrag van EUR 150,--.

Het hof acht, gelet op de constateringen van de GGD-arts ter plaatse omtrent het letsel van aangever en de omstandigheid dat aangever kennelijk niet meer in staat was zelf verder te rijden, op zich aannemelijk dat de benadeelde partij enkele dagen niet heeft kunnen werken als gevolg van het incident. Ter onderbouwing daarvan is een schrijven d.d. 26 september 2011 van huisarts [de huisarts] bij de vordering gevoegd. Ook het gevorderde bedrag aan immateriële schade komt het hof gelet op de aard van de gedraging en de gevolgen daarvan voor de verdachte passend voor. Anders dan de raadsman is het hof dan ook van oordeel dat de vordering, met de bijgeleverde bescheiden, voldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 930,62, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.”

5.3 Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevindt zich een voegingsformulier van [slachtoffer], waarin onder meer een bedrag van € 630,62 wordt gevorderd als vergoeding van door verdachte veroorzaakte materiële schade, te weten het verlies aan arbeidsvermogen. Op het schadeonderbouwingsformulier staat hieromtrent het volgende vermeld:

“Het loon van benadeelde bestaat uit een dagloon plus een gereden kilometer loon dat niet wordt uitbetaald door werkgever in het buitenland als dit niet gereden is. Benadeelde heeft 5 dagen lang zijn werk niet kunnen/mogen uitvoeren vanwege het letsel dat door verdachte is veroorzaakt (…).

940,59 Deense kroon X 5 dagen = 4702,95 Deense kroon netto loon

4702,95 Deense kroon netto loon staat gelijk aan € 630,62 op de tijd van het misdrijf.

Waarde Deense kroon ten opzichte van de euro op 15-07-2011 was 0,13409”.

Bij het voegingsformulier is als bijlage 2 gevoegd een brief van huisarts G. Dröge, inhoudende dat [slachtoffer] om medische redenen “niet aanwezig was” vanaf 15-07-2011 tot en met 20-07-2011. Ik ga ervan uit dat hiermee wordt bedoeld dat het slachtoffer na de op 15 juli 2011 gepleegde mishandeling gedurende vijf dagen zijn werk niet heeft kunnen verrichten.

Bijlage 3 bij het voegingsformulier betreft, als ik het goed zie, twee kennelijk in de Deense taal opgestelde loonstroken van het bedrijf [A] A/S, gevestigd te Kolding,3 ten name van [slachtoffer] en betreffende de periode 15 tot 28 augustus 2011. Op een van de loonstroken, die dezelfde periode bestrijken maar een verschillende inhoud hebben, is weliswaar een getal van 940,59 omcirkeld, maar dat dit het door het slachtoffer gemiste dagloon in Deense kronen zou zijn, kan ik zelfs met een grote mate van welwillendheid niet uit het stuk afleiden.

5.4 Wat hiervan echter ook zij, de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade hoeft niet te worden bewezen. Aannemelijkheid is voldoende, waarbij zij aangetekend dat de feitenrechter gebruik mag maken van de schattingsbevoegdheid als bedoeld in art. 6:97 Burgerlijk Wetboek. Het oordeel van de feitenrechter met betrekking tot de omvang van de schade is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.4

5.5 Het hof heeft in reactie op het zeer summiere verweer tamelijk uitgebreid en zeker niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het op zichzelf beschouwd aannemelijk is dat [slachtoffer] als gevolg van de mishandeling door verdachte enkele dagen niet heeft kunnen werken. Aangezien een bedrag van € 630,62 voor gederfde inkomsten mij niet buitensporig voorkomt, is het oordeel van het hof dat de gestelde materiële schade daadwerkelijk is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit en dus voor toewijzing in aanmerking komt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

5.6 Het middel faalt.

6.1 Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

6.2 Het cassatieberoep is op 19 december 2012 ingesteld en de stukken van het geding zijn pas op

4 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden en vijftien dagen is overschreden.

6.3 Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd.

6.4 Dit alles brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld, maar gelet op de aard en hoogte van de opgelegde straf zal de Hoge Raad deze naar mijn mening niet hoeven te verminderen maar kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding.

7. De eerste drie middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel is terecht voorgesteld maar hoeft niet tot cassatie te leiden.

8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, p. 683-684 en zie bijv. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592 en HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4211.

2 Vgl. bijv. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6372, NJ 2012, 28.

3 Een havenstad te Denemarken.

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3614 (niet gepubliceerd, HR 81RO).