Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2014
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
14/00721
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:304, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Wettelijke rente over wettelijke verhoging toewijsbaar nadat bij eerdere uitspraak op de voet van art. 7:625 BW lid 1 BW de wettelijke verhoging zonder rente is toegewezen? Misbruik van procesrecht, afstand van recht, rechtsverwerking? Matigingsbevoegdheid rechter; mogelijkheid om verhoging toe te wijzen onder voorwaarde dat werknemer niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding wettelijke rente over periode tot aan beslissing over de verhoging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2015/74 met annotatie van mr. N.T. Dempsey
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/00721

Mr. P. Vlas

Zitting, 21 november 2014

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Datawell B.V.

Deze zaak betreft de vraag of het een (ex-)werknemer vrijstaat om in een latere procedure wettelijke rente te vorderen over de in een eerdere procedure gevorderde en toegekende wettelijke verhoging krachtens art. 7:625 BW, of dat een dergelijke vordering inzake de wettelijke rente, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de latere procedure, in de eerdere procedure had moeten worden ingesteld.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 [eiser] is vanaf 1 december 1973 tot 1 augustus 2004 in loondienst van Datawell geweest. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is met ingang van laatstgenoemde datum door de kantonrechter te Haarlem bij beschikking van 30 juni 2004 ontbonden op verzoek van Datawell en onder toekenning van een vergoeding van € 190.000,- bruto aan [eiser].

1.2 Bij dagvaarding van 18 januari 2005 heeft [eiser] van Datawell betaling gevorderd van achterstallig loon ten belope van € 33.495,- bruto en tot uitkering van niet-opgenomen vakantiedagen ten belope van € 9.039,24 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede met de verhoging bedoeld in art. 7:625 BW tot het in deze bepaling genoemde maximum van 50% van het verschuldigde.

1.3 Bij vonnis van 22 juni 2005 heeft de kantonrechter te Haarlem bovengenoemde vorderingen toegewezen. De hierop betrekking hebbende beslissing in het vonnis luidt:

‘De kantonrechter:

veroordeelt Datawell om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van € 33.495,- bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de diverse vervaldata, zijnde de data waarop [eiser] vanaf 1 oktober 2002 maandelijks zijn (onjuiste) salaris ontving, alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging,

(…),

veroordeelt Datawell om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van € 9.039,24 bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2004, alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging,

(…)

wijst af het meer of anders gevorderd.’

1.4 Bij arrest van 18 november 2008 heeft het hof Amsterdam – in het door Datawell ingestelde principale beroep – bovengenoemd vonnis bekrachtigd. Tegen het arrest van het hof is geen beroep in cassatie ingesteld.

1.5 De toegekende wettelijke verhoging over de door [eiser] gevorderde en door de kantonrechter toegewezen bedragen beloopt in totaal € 21.267,12. Datawell heeft dit bedrag – naast de toegewezen hoofdsommen en de wettelijke rente daarover – aan [eiser] betaald.

1.6 Bij e-mail van 4 maart 2009 heeft [eiser] aan Datawell gevraagd hem de wettelijke rente te betalen over de toegekende wettelijke verhoging. Nadat Datawell aan dit verzoek niet heeft voldaan, heeft [eiser] bij dagvaarding van 7 juni 2012 gevorderd dat Datawell wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de toegekende wettelijke verhoging.

1.7 Bij vonnis van 25 oktober 2012 heeft de kantonrechter te Haarlem de vordering van [eiser] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat uit het petitum in de dagvaarding in de eerdere rolprocedure – de procedure die door [eiser] aanhangig is gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2005 – blijkt dat destijds geen wettelijke rente over de wettelijke verhoging is gevorderd en derhalve ook niet door de kantonrechter in het vonnis van 22 juni 2005 is toegewezen.

1.8 [eiser] is van het vonnis van 25 oktober 2012 in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 8 oktober 2013 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter van 22 juni 2005 slechts vergoeding van wettelijke rente over de gevorderde hoofdsommen was gevorderd en geen wettelijke rente over de gevorderde wettelijke verhoging (rov. 3.11). Nu deze rentevordering niet was begrepen in de eerdere bij vonnis van 22 juni 2015 toegewezen vorderingen, moet deze vordering worden aangemerkt als een nieuwe vordering, maar verdraagt toewijzing daarvan zich niet met de bevoegdheid van de rechter tot matiging van de bedoelde wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW (rov. 3.12). Volgens het hof is [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat de onderhavige rentevordering niet in een afzonderlijk geding aan de orde kan worden gesteld, nadat zij eerder niet samen met de vordering tot toekenning van de wettelijke verhoging aanhangig is gemaakt (rov. 3.13).

1.9 [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Datawell heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna door [eiser] nog is gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.10-3.13 van het bestreden arrest en bestaat uit één onderdeel. Na een inleiding (onder 2 t/m 7) voert het middel (onder 8 t/m 17) tien klachten aan.

2.2

Het middel klaagt, in de kern genomen, dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans van een onvoldoende begrijpelijke motivering door te overwegen dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering ter zake van de wettelijke rente over de in een eerdere procedure gevorderde en toegekende wettelijke verhoging op grond van art. 7:625 BW, omdat hij deze vordering – in het licht van de bevoegdheid van de kantonrechter tot matiging van de wettelijke verhoging – niet tezamen heeft gevorderd met de wettelijke verhoging in die eerdere procedure.

2.3

Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat het in beginsel mogelijk is om naast de wettelijke verhoging krachtens art. 7:625 BW tevens aanspraak te maken op de wettelijke rente krachtens art. 6:119 BW. De in art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW opgenomen bevoegdheid van de rechter tot matiging van de aanspraak op wettelijke verhoging tot een zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen, biedt in die situatie de mogelijkheid om een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente die de werkgever op grond van art. 6:119 BW wegens de vertraging in de betaling in beginsel verschuldigd is, te voorkomen.

2.4

In dit verband wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1979, waarin is overwogen:

‘Onderdeel IV bevat de stelling, dat de Rb. niet naast de in art. 1638q [thans art. 7:625 BW; A-G] bedoelde wettelijke verhoging van de loonsom wegens niet-tijdige uitbetaling van het loon ook nog de in art. 1286 [thans art. 6:119 BW; A-G] bedoelde wettelijke interessen had mogen toewijzen. Hierbij wordt echter uit het oog verloren, dat de in art. 1638q geregelde ‘verhoging’, mede blijkens de wijze waarop deze moet worden berekend, niet zozeer bedoeld is als een vorm van vergoeding van door de werknemer als een gevolg van de vertraagde uitbetaling geleden schade, maar veeleer als een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. Daarbij past de sterke ‘verhoging’ over de vierde tot en met de achtste dag, de bepaling dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde bedrag zal te boven gaan en de bevoegdheid van de rechter om de verhoging te matigen. Daartegenover zijn de in art. 1286 geregelde wettelijke interessen bedoeld als een vergoeding van de schade die de schuldeiser lijdt doordat hij de geldsom waarop hij recht heeft niet tijdig ontvangt. Voor deze schadevergoeding geldt niet dat zij door de rechter gematigd kan worden, noch dat zij niet meer kan bedragen dan de helft van de vordering. Er is dan ook geen reden aan te nemen dat art. 1638q aan een toekenning van wettelijke interessen krachtens art. 1286, als in het onderhavige geval geschied, in de weg staat. De in art. 1638q aan de rechter toegekende matigingsbevoegdheid biedt voldoende mogelijkheid om een onredelijke cumulatie van de in dat artikel bedoelde verhoging met de in art. 1286 geregelde moratoire interessen te voorkomen’.2

2.5

Het hof heeft dit uitgangspunt niet miskend. In rov. 3.12 en 3.13 van het bestreden arrest ligt besloten het oordeel van het hof dat het in beginsel mogelijk is om naast de wettelijke verhoging krachtens art. 7:625 BW tevens aanspraak te maken op de wettelijke rente over die wettelijke verhoging op grond van art. 6:119 BW.

2.6

Het hof heeft in rov. 3.13 geoordeeld dat de rechter die voor de vraag staat of en zo ja, in hoeverre, hij van zijn bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verhoging gebruik zal maken, rekening moet kunnen houden – als daarbij in ogenschouw te nemen omstandigheid – met een eventuele aanspraak van de werknemer op vergoeding van wettelijke rente over die verhoging. Dit met het oog op het voorkomen van onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente.3 Dat oordeel geeft – gelet op hetgeen hierboven is opgemerkt – geen blijk van miskenning van de toe te passen regels. Daaraan doet niet af dat het in het aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 januari 1979 ging om een vordering tot betaling van wettelijke rente over het te laat betaalde loon (naast de vordering tot wettelijke verhoging) en niet om een vordering tot betaling van wettelijke rente over de wettelijke verhoging. Het komt mij voor dat de ratio van de beslissing van de Hoge Raad in het arrest van 1979 evenzeer heeft te gelden voor de vordering in de onderhavige procedure.

2.7

Vervolgens heeft het hof in rov. 3.13 geoordeeld dat toewijzing van een rentevordering in een afzonderlijk geding, nadat zij eerder niet samen met de vordering tot toekenning van de wettelijke verhoging was ingesteld, zich niet verdraagt met de door de rechter te maken afweging omtrent het gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. Daartoe heeft het hof overwogen dat de rechter in de eerdere procedure, waarin (slechts) aanspraak is gemaakt op de wettelijke verhoging, bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre hij van zijn matigingsbevoegdheid gebruik zal maken, dan immers geen rekening heeft kunnen houden met de omstandigheid dat de werknemer naast de door hem gevorderde wettelijke verhoging, tevens aanspraak maakt op vergoeding van de wettelijke rente daarover.

2.8

Dit oordeel van het hof geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Aan de ratio van de matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW wordt immers geweld gedaan wanneer een werknemer eerst in een procedure aanspraak zou kunnen maken op (slechts) de wettelijke verhoging zonder dat de rechter daarbij rekening kan houden met mogelijk onredelijke cumulatie met wettelijke rente over die verhoging, en de werknemer vervolgens in een separate procedure nog (aanvullend) aanspraak zou kunnen maken op de wettelijke rente over de reeds toegewezen wettelijke verhoging. Teneinde een dergelijke onredelijke cumulatie te voorkomen en de rechter ook effectief in de gelegenheid te stellen de wettelijke verhoging te beperken, dienen deze vorderingen naar mijn mening derhalve gelijktijdig in dezelfde procedure te worden ingesteld, op straffe van verval van het recht om in een latere procedure alsnog aanspraak te maken op de wettelijke rente over de toegewezen wettelijke verhoging.

2.9

Ook vanuit het oogpunt van proceseconomie is een concentratie van de vordering inzake de wettelijke verhoging en de vordering inzake de wettelijke rente over die verhoging wenselijk. Hierbij zijn, zeker in een arbeidsgeschil, de procespartijen gebaat. Zij verkrijgen een snelle en volledige beslechting van hun geschil. De concentratie van de genoemde vorderingen voorkomt ook tegenstrijdige uitspraken, doordat verschillende delen van het geschil aan verschillende rechters worden voorgelegd. De vorderingen met betrekking tot wettelijke verhoging en wettelijke rente over die verhoging zijn bovendien zodanig met elkaar verweven, dat deze moeilijk afzonderlijk van elkaar kunnen worden beoordeeld. Voor zover dat laatste al mogelijk zou zijn, gelet op het bepaalde omtrent het gezag van gewijsde in art. 236 Rv.

2.10

Tegen deze achtergrond meen ik dat alle klachten van het middel falen. Ten overvloede ga ik kort op de verschillende klachten van het middel in.

2.11

De klacht (onder 8) betoogt dat het hof heeft miskend dat in geval van toerekenbaar tekortschieten voor vergoeding in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met dat tekortschieten dat zij de tekortschietende partij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, kan worden toegerekend. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Noch de vraag naar toerekenbaarheid van de schade, noch die naar de omvang daarvan, vormde immers onderwerp van de onderhavige procedure.

2.12

De klacht (onder 9) betoogt dat het hof heeft miskend dat schade ter zake van de vertraging in de betaling van een geldsom is gefixeerd op de wettelijke rente. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat in rov. 3.12 en 3.13 van het bestreden arrest besloten ligt dat deze schade is gefixeerd op de wettelijke rente.

2.13

De klacht (onder 10) dat het hof zou hebben miskend dat de vordering ter zake van de wettelijke rente niet een ‘nieuwe vordering’ is, nu deze vordering reeds sinds de te late loonbetaling uit de jaren 2002 tot en met 2004 bestond, gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft met de kwalificatie ‘nieuwe vordering’ niet bedoeld dat de door [eiser] in de onderhavige procedure ingestelde vordering eerst op een later tijdstip zou zijn ontstaan (een nieuw vorderingsrecht), maar slechts dat deze niet was ingesteld in de eerder tussen partijen gevoerde procedure, en deze in zoverre in de onderhavige procedure voor het eerst als beslispunt aan de rechter is voorgelegd (een nieuwe rechtsvordering).4

2.14

De klacht (onder 11) faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat, kort weergegeven, geen verplichting bestaat om samenhangende vorderingen in één procedure in te stellen. Een oordeel van een dergelijke algemene strekking valt in de overwegingen van het hof niet te lezen. Voor zover wordt betoogd dat geen plicht bestaat om een vordering tot betaling van wettelijke rente over de wettelijke verhoging in te stellen in dezelfde procedure als die tot betaling van de wettelijke verhoging zelf, faalt de klacht op grond van hetgeen ik hierboven onder 2.6-2.9 heb uiteengezet.

2.15

Het middel (onder 11, slotzin) klaagt dat het hof heeft miskend dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid alleen dan kan volgen wanneer de gedaagde respectievelijk de rechter niet al eerder rekening kon houden met de mogelijkheid van een op een later moment in te stellen vordering tot het betalen van wettelijke rente over de wettelijke verhoging. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Op grond van het bepaalde in art. 23 en 24 Rv hebben partijen de vrijheid zelf de omvang van het geding te bepalen. Daarmee verhoudt zich niet dat de rechter zou anticiperen op een niet ingestelde, maar mogelijkerwijs op een later moment wel in te stellen vordering. De rechter zou daarmee ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden. De wederpartij behoeft zich bovendien niet te verweren tegen een vordering die niet tegen haar is ingesteld.

2.16

Voor zover het middel (onder 11, voorlaatste zin) klaagt dat het hof heeft miskend dat het in een latere procedure alsnog aanspraak maken op wettelijke rente over een in een eerdere procedure toegewezen wettelijke verhoging geen misbruik van bevoegdheid oplevert, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel niet op misbruik van bevoegdheid gebaseerd maar op de strekking van de matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW.

2.17

De klacht (onder 12) dat het hof het bepaalde in art. 236 Rv omtrent het gezag van gewijsde heeft miskend, mist eveneens feitelijke grondslag. Uit rov. 3.11-3.13 blijkt immers dat het hof zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van de eerder tussen partijen gevoerde procedure omtrent de wettelijke verhoging en heeft vastgesteld dat in die eerdere procedure juist geen beslissing is genomen omtrent wettelijke rente over die verhoging (omdat daartoe geen vordering was ingesteld).

2.18

Voor zover het middel (onder 13) klaagt dat het hof heeft miskend dat de wettelijke verhoging veeleer is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen, gaat het middel uit van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft in rov. 3.12 geoordeeld dat de in art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW bedoelde bevoegdheid de rechter de mogelijkheid geeft om de in de wet voorziene mogelijkheid tot wettelijke verhoging te beperken tot een zodanig bedrag als de rechter met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen. In dat oordeel van het hof ligt besloten dat de wettelijke verhoging is bedoeld als sanctie en niet zozeer als schadevergoeding.

2.19

De klacht (onder 14) dat het hof heeft miskend dat voor afstand van recht enkel stilzitten onvoldoende is, faalt. De klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Voor zover wordt geklaagd (onder 15) dat het hof niet ambtshalve rechtsregels heeft aangevuld, faalt het omdat het middel niet duidelijk maakt op welke rechtsregels het daarbij doelt. De klacht onder 16 betreft een voortbouwende klacht en faalt mitsdien.

2.20

De klacht (onder 17) betoogt dat het hof niet is ingegaan op de in de inleiding van de cassatiedagvaarding geciteerde (essentiële) stellingen van [eiser]. Het middel voldoet niet aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv. en volgens vaste rechtspraak5 aan een cassatiemiddel worden gesteld, nu het slechts in algemene zin verwijst naar grote delen van de processtukken in feitelijke instanties.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2 en 3.1-3.9 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3271, JAR 2014/30, Prg. 2014/60. Zie ook het vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, van 25 oktober 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY3226, onder ‘De feiten’.

2 HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7251, NJ 1979/207, m.nt. P.A. Stein. Zie ook Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/nr.110.

3 Zie ook de noot van P.A. Stein onder het in de vorige noot genoemde arrest, die erop wijst dat de wettelijke verhoging van het loon niet op de wettelijke rente in mindering kan worden gebracht, maar dat de rechter de wettelijke verhoging kan beperken om een onredelijke cumulatie van wettelijke verhoging met wettelijke rente tegen te gaan.

4 Zie omtrent het onderscheid tussen de begrippen ‘vorderingsrecht’ en ‘rechtsvordering’ o.m. H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 4.

5 Zie o.m. HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828, RvdW 2013/719, rov. 3.1; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125, rov. 3.1; HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, NJ 2013/124, rov. 3.4.1.