Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2198

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
14/00583
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:185, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Koop. Onverschuldigde (na)betaling? Uitleg aanvullende overeenkomst. Haviltex. Beroep op erkenning. Passeren bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/00583

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 21 november 2014 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

[eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

Ballast Nedam Sigma B.V.,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff,

In deze zaak wordt in cassatie geklaagd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs en bij de uitleg van een overeenkomst de Haviltex-maatstaf heeft miskend.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

a) Op 7 maart 2007 is tussen thans eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) en Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (hierna: BNO) een Koopovereenkomst gesloten, waarbij [eiser] aan BNO heeft verkocht twee percelen met cultuurgrond/terrein, gelegen aan de [a-straat] te Noordwijkerhout, kadastraal bekend gemeente Noordwijkerhout, sectie C, nrs. [001] en [002] (hierna: de “percelen”).2

b) Op 7 maart 2007 is door genoemde partijen ook een Aanvullende overeenkomst3 (hierna: de aanvullende overeenkomst) gesloten. De inhoud daarvan luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

AANVULLENDE OVEREENKOMST

De ondergetekenden:

I. […] [eiser], […] hierna […] te noemen:

Verkoper"

II. Ballast Nedam Ontwikkelingsmaatschappij B.V., [...] "Koper "

[…]

Artikel 1. Aanvullende koopprijs

1.1

Indien en zodra voor het Verkochte een gewijzigd structuurplan waarin het Verkochte geheel of gedeeltelijk is aangewezen voor woningbouwdoeleinden respectievelijk bedrijfsgebouwdoeleinden met bijbehorende binnenwijkse groen-, water- en wegvoorzieningen is vastgesteld door de gemeenteraad van Noordwijkerhout dat onherroepelijke rechtskracht heeft gekregen, zal de koopprijs van het Verkochte eenmalig worden verhoogd met een bedrag van vijftien euro per vierkante meter (€ 15,--/m2) voor dat gedeelte van het Verkochte dat alsdan krachtens dat gewijzigd structuurplan de bestemming woningbouwdoeleinden respectievelijk bedrijfsgebouwdoeleinden met bijbehorende binnenwijkse groen-, water- en wegvoorzieningen heeft gekregen en betaling zal plaatshebben binnen een termijn van twee maanden nadien.

1.2

Indien en zodra voor het Verkochte een gewijzigd bestemmingsplan waarin het Verkochte geheel of gedeeltelijk is aangewezen voor woningbouwdoeleinden respectievelijk bedrijfsgebouwdoeleinden met bijbehorende binnenwijkse groen-, water- en wegvoorzieningen is goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie dat onherroepelijke rechtskracht heeft gekregen, zal de koopprijs van het Verkochte eenmalig worden verhoogd met een bedrag van tachtig euro per vierkante meter (€ 80,--/m2) respectievelijk zeventig euro (€ 70,--/m2) voor dat gedeelte van het Verkochte dat alsdan krachtens dat gewijzigde bestemmingsplan de bestemming woningbouwdoeleinden respectievelijk bedrijfsgebouwdoeleinden met bijbehorende genoemde binnenwijkse voorzieningen heeft gekregen en betaling zal plaatshebben binnen de termijn van twee maanden nadien.

1.3

De in artikel 1.1 en 1.2 opgenomen regelingen omtrent de verhoging van de koopprijs en de nabetalingsverplichtingen zijn van rechtswege vervallen indien deze niet voor 31 december 2025 definitief verschuldigd is geworden " (....)

c) De percelen zijn op 6 juli 2007 aan BNO geleverd.

d) Op 13 maart 2008 heeft BNO de percelen verkocht en geleverd aan thans verweerster in cassatie (hierna: Ballast Nedam), waarbij Ballast Nedam in de rechten en plichten van BNO is getreden.

e) Op 17 december 2009 is door de gemeenteraden van de Duin- en Bollenstreek de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (hierna: ISG) vastgesteld4, met een tijdshorizon tot het jaar 2030. Omtrent het gebied waarin de percelen liggen – ’s-Gravendamseweg Oost – is daarin bepaald:

Naast bovengenoemde bedrijventerreinen wordt voor de periode na 2030 ruimte gereserveerd aan de ’s-Gravendamseweg Oost.”5

f) Deze bepaling vormt een wijziging ten opzichte van de versie van de ISG die oorspronkelijk ter besluitvorming voorlag. In die (niet vastgestelde, toev. A-G) versie (hierna: ISG-oud) waren de percelen aangewezen als “uitbreiding duurzaam bedrijventerrein” binnen de tijdshorizon tot 2030.6 In de uiteindelijke ISG zijn de percelen dus opgenomen als ruimtereservering bedrijventerrein voor na 2030.

g) Nadat de ISG door de gemeenteraden was vastgesteld, heeft [eiser] zich gewend tot de makelaar die indertijd door koper BNO was ingeschakeld, te weten [A].7 (hierna: de makelaar). Deze makelaar heeft Ballast Nedam in de periode voorafgaand aan 24 februari 2010 voorzien van de raadsstukken. Het is onduidelijk hoe de makelaar aan deze stukken is gekomen.

h) Op basis van deze stukken heeft Ballast Nedam, ervan uitgaande dat was voldaan aan artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst, aan [eiser] bij brief van 24 februari 20108 het volgende bericht:

“(…) Tenslotte bevestigen wij hierbij nog dat ten aanzien van de door [eiser] geleverde registergoederen een structuurvisie is vastgesteld als bedoeld in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst. Uit dien hoofde zal een bedrag van € 899.025,- aan nabetaling verschuldigd zijn. (…)”

i) Ballast Nedam heeft een bedrag van € 899.025,- aan [eiser] betaald.

j) Achteraf heeft Ballast Nedam, naar haar zeggen, ontdekt dat zij heeft betaald op basis van een verkeerde versie van de ISG, namelijk de ISG-oud.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 18 oktober 2011 heeft Ballast Nedam gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 899.025,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 september 2011.

Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd9 dat zij genoemd bedrag onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald, omdat haar achteraf is gebleken dat de percelen niet zijn aangewezen in de ISG als bedoeld in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst. De ruimtereservering voor de periode na 2030 kan niet als een zodanige aanwijzing gelden, aldus Ballast Nedam.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.3

Bij vonnis van 4 juli 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage geoordeeld – voor zover in cassatie van belang – dat met de ruimtereservering voor na 2030 de situatie als bedoeld in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst zich niet heeft voorgedaan, zodat er geen rechtsgrond was voor de betaling aan [eiser] en de vordering van Ballast Nedam op de grondslag van onverschuldigde betaling toewijsbaar is (rov. 4.1-4.4, 4.8).

Zij heeft [eiser] derhalve veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 899.025,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 september 2011.

1.4

[eiser] is van het vonnis van 4 juli 2012 in hoger beroep opgekomen bij het hof Den Haag met conclusie dat dit vonnis wordt vernietigd en de vordering van Ballast Nedam alsnog wordt afgewezen. Hij heeft daartoe betoogd, voor zover in cassatie van belang, dat met ‘de reservering van de ruimte na 2030’ de situatie als bedoeld in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst zich wel degelijk heeft voorgedaan, zodat geen sprake is van onverschuldigde betaling.10

Ballast Nedam heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.5

Bij arrest van 5 november 201311 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Niet in geschil is dat de aanvullende overeenkomst haar gelding heeft behouden na de wetswijziging per 1 juli 2008, waarbij het begrip ‘structuurplan’ is vervangen door het begrip ‘structuurvisie12 (rov. 6).

Met toepassing van de Haviltexmaatstaf zal worden onderzocht of met ‘de reservering van de ruimte voor de periode na 2030’ (naar het hof begrijpt: als bedrijventerrein) is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst (rov. 6). In dat verband wordt overwogen:

“6. (…) Artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst voorziet, zakelijk weergegeven, in een nabetaling van € 15 per m² in het geval een gewijzigd structuurplan wordt vastgesteld waarin ‘de percelen’ worden aangewezen met bestemming bedrijfsgebouwdoeleinden. Zoals Ballast Nedam met juistheid betoogt vormt ‘de reservering van ruimte als bedrijventerrein na 2030’ in de ISG van 17 december 2009 niet een dergelijke aanwijzing. Dit volgt niet alleen uit de tekst van dit artikel (een ‘reservering van ruimte als bedrijventerrein’ is nog geen ‘aanwijzing van een bestemming als bedrijventerrein’), maar sterker nog, zowel onder het oude recht (van 2007) als onder het recht daarna, vormt een ‘ruimtereservering’ zoals in de ISG opgenomen, slechts een mogelijkheid om ‘de percelen’ in de toekomst als zodanig te bestemmen. Deze mogelijkheid is een beduidend zwakkere variant van de overeengekomen ‘aanwijzing’. Weliswaar heeft men, zoals [eiser] betoogt, ook in het geval van een ‘aanwijzing’ binnen de planperiode geen zekerheid dat daadwerkelijk de bedrijfsgebouwdoeleinden worden gerealiseerd, maar zijn stelling dat er in geval van een ‘aanwijzing’ enkel sprake is van een ‘spoorboekje’ voor het geval de gemeente bestemmingsplannen maakt, doet geen recht aan de juridische systematiek. Een ‘aanwijzing’ in de structuurvisie vormt immers een afdoende ruimtelijke onderbouwing voor vergunningverlening. Dit betekent dat ‘een aanwijzing voor bedrijfsdoeleinden’ een tamelijk zekere bouwtitel geeft, die bij de onderhavige ruimtereservering ontbreekt. Dit gold zeker onder het oude recht van 2007, maar geldt nog steeds onder het nieuwe recht.

Nu partijen, gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van de aanvullende overeenkomst (met de aanzienlijk sterkere variant van aanwijzing in het bestemmingsplan en het aanzienlijk hogere ‘prijskaartje’), kennelijk hebben beoogd om een oplopend bedrag te verbinden aan het verkrijgen van steeds meer zekerheid over de mogelijkheden voor gebruik voor bedrijfsgebouwdoeleinden, is er, gelet op het voorgaande geen aanleiding om aan te nemen dat partijen redelijkerwijs (in de zin van de Haviltexmaatstaf) hebben bedoeld om het in artikel 1.1 afgesproken bedrag ook te verbinden aan de mindere variant van ‘ruimtereservering na 2030’. Dit klemt temeer, nu deze mindere variant zich bovendien niet lijkt te verdragen met het bepaalde in artikel 1.3 van de aanvullende overeenkomst, waarin de nabetalingsverplichtingen vervallen als deze niet voor 31 december 2025 definitief verschuldigd zijn geworden (…).”

De conclusie is dan ook dat met de ‘reservering van de ruimte na 2030’ niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst (rov. 6).

Het gevolg hiervan is dat Ballast Nedam gerechtigd is het betaalde bedrag van € 899.025,- als onverschuldigd terug te vorderen, ongeacht of Ballast Nedam in een eerder stadium (voorafgaand aan de betaling of kort daarna) nader onderzoek had kunnen of moeten doen. Het bewijsaanbod van [eiser] bij pleidooi betreffende de aard van de door de makelaar aan Ballast Nedam gezonden stukken wordt daarom als niet relevant verworpen. De stelling van [eiser] dat Ballast Nedam met de betaling van het bedrag ad € 899.025,- heeft erkend dat voldaan is aan het bepaalde in art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst wordt verworpen. Dat geldt ook voor de stelling dat uit de betaling een vermoeden van de juistheid van de door [eiser] voorgestane uitleg moet worden afgeleid (rov. 7).

De slotsom is dat de grieven falen, dat er sprake is van onverschuldigde betaling en dat [eiser] tot terugbetaling is gehouden (rov. 10). Daarbij wordt overwogen:

“10. (…) Voor bewijslevering is geen grond, nu geen relevante feiten te bewijzen zijn aangeboden.”

1.6

[eiser] heeft – tijdig13 – beroep in cassatie ingesteld. Ballast Nedam heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. [eiser] heeft in cassatie gerepliceerd14.

2 Beoordeling van het cassatieberoep

2.1

[eiser] voert in cassatie één middel aan, waarmee wordt opgekomen tegen de rechtsoverwegingen 6, 7, 8 en 10 alsmede het dictum van het bestreden arrest.

Volgens de hoofdklacht heeft het hof daarin ten onrechte althans onbegrijpelijk (gemotiveerd) beslist dat in het licht van de vaststaande feiten de overeenkomst moet worden uitgelegd in de door Ballast Nedam voorgestane zin.

2.2

In de cassatiedagvaarding wordt, na een inleiding (nrs. 1-11), onder het kopje ‘Klacht’ (nrs. 12-27) een zestiental klachten geformuleerd. De opgesomde klachten zijn – gelezen in onderlinge samenhang en mede gelet op de toelichting (cassatiedagvaarding nrs. 28-45; s.t nrs. 7-11) – in twee hoofdcategorieën te verdelen, namelijk van klachten die er in essentie op neerkomen dat: (a) het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd [eisers] bewijsaanbod heeft gepasseerd (nrs. 12-17 en 26-27); en (b) onjuist en/of onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is dat het hof de aanvullende overeenkomst anders heeft uitgelegd dan in de door [eiser] verdedigde zin (nrs. 18-23 en 26-27). Tenslotte is er nog (c) een restcategorie (nrs. 24, 25).

2.3

De klachten van het middel bespreek ik hieronder onderwerpsgewijs. Ik meen dat zij geen van alle kunnen slagen. Daartoe dient het volgende.

(a) Klachten 12-17 en 26-27: verwerping bewijsaanbod [eiser]

2.4

De klachten onder 12-17 en 26-27, gelezen in verband met cassatiedagvaarding nrs. 33-38 en s.t. nrs. 7-10, komen er in de kern op neer dat het hof niet (zonder meer) voorbij had mogen gaan aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod. [eiser] betoogt dat op Ballast Nedam de bewijslast rust van haar stelling dat zij onverschuldigd betaald heeft, en dat het bewijsaanbod van [eiser] dus een aanbod tot het leveren van tegenbewijs betreft. Volgens de klachten zou het hof in rov. 10 hebben miskend dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet gespecificeerd behoeft te zijn, te hoge eisen hebben gesteld aan een aanbod tot tegenbewijs en/of een ontoelaatbare prognose omtrent de levering van tegenbewijs hebben gemaakt.

2.5

Bij de beoordeling van deze klachten staat voorop dat het hof, uitgaande van enerzijds de door Ballast Nedam aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat (sprake is van onverschuldigde betaling omdat) de ISG niet voldoet aan art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (rov. 3) en anderzijds het verweer van [eiser] dat de ISG wel aan art. 1.1 voldoet (rov. 5, in cassatie onderschreven15), het geschil – in cassatie niet bestreden – heeft geplaatst in de sleutel van c.q. toegespitst op uitleg van art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (rov. 6). In dat kader diende het hof in te gaan op de door ieder van partijen ter adstructie van de door haar voorgestane uitleg aangevoerde factoren. Voor bewijslevering was plaats indien en voor zover door een partij aangevoerde relevante feiten door de andere partij zouden worden betwist. Het hof is op basis van een aantal door Ballast Nedam aangedragen factoren (tekst van art 1.1, systematiek van oud en nieuw ruimtelijke ordeningsrecht, contractuele context van art. 1.1) tot het oordeel gekomen dat art. 1.1 in de door Ballast Nedam verdedigde zin moet worden uitgelegd en heeft de andersluidende uitleg van [eiser], die eveneens was gebaseerd op de systematiek van het ruimtelijke ordeningsrecht, verworpen.

2.6

De klachten richten zich tegen het daarop volgende oordeel van het hof in rov. 10 dat voor bewijslevering “geen grond [is], nu geen relevante feiten te bewijzen zijn aangeboden”, welke verwerping op haar beurt kennelijk betrekking heeft op het algemene bewijsaanbod van [eiser] in zijn mvg nr. 916, luidend:

[eiser] biedt bewijs aan van zijn posita in het bijzonder middels getuigen. Als zodanig kunnen gehoord worden:

- makelaar [betrokkene];

- medewerkers van BNS;

- [eiser];

- ambtenaren van de Gemeente Noordwijkerhout zoals onder meer de heer Meijvogel die alles over de Structuurvisie kan aangeven;

2.7

Het hof heeft het bewijsaanbod van [eiser], zoals blijkt uit de zojuist geciteerde overweging, gepasseerd omdat het niet relevant is. Voor zover de klachten rusten op het uitgangspunt dat het hof het tegenbewijsaanbod als onvoldoende specifiek heeft gepasseerd en/of een verboden prognose heeft gemaakt, missen zij dus feitelijke grondslag. Ook heeft het hof niet te hoge eisen gesteld aan het (tegen)bewijsaanbod.17

2.8

Het oordeel van het hof dat door [eiser] geen (tegen)bewijs van relevante feiten is aangeboden, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Kennisneming van de gedingstukken leert dat de te bewijzen aangeboden ‘posita’ van [eiser] hoofdzakelijk betrekking hebben op de juridische betekenis in het algemeen van een ‘aanwijzing’ of ‘reservering’ in een structuurplan of –visie en de daarmee verband houdende mate van zekerheid dat een bepaalde bestemming in de toekomst daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Het hof heeft deze stellingen reeds gewogen en te licht bevonden. Het middel geeft niet aan op welke voor bewijs vatbare feiten het door [eiser] aangeboden (tegen)bewijs betrekking zou moeten hebben. Voor zover het middel doelt op de stellingen die zijn opgesomd in de cassatiedagvaarding onder nr. 9, faalt dit beroep nu uit die stellingen niet blijkt van voor bewijs vatbare feiten die voor de uitleg van de aanvullende overeenkomst van belang zouden kunnen zijn. Deze stellingen, voor zover correct weergegeven18, komen er immers alle op neer dat naar het oordeel van [eiser] door de onherroepelijke vaststelling van de ISG aan de met art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst overeengekomen mate van zekerheid wordt voldaan.19

(b) Klachten 18-23 en 26-27: uitleg van de aanvullende overeenkomst

2.9

De klachten onder 18-23 en 26-27 zijn in hoofdzaak gericht tegen rov. 7 voor zover luidend:

“7. (…) [eiser] heeft verder nog gesteld, dat Ballast Nedam met de betaling van het bedrag van € 899.025,-- aan [eiser], heeft erkend dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1 van de aanvullende overeenkomst. Deze stelling vindt geen grondslag in de gestelde feiten – Ballast Nedam heeft immers steeds gezegd dat ze zich heeft vergist –, nog daargelaten de vraag dat niet deugdelijk is onderbouwd wat het gevolg hiervan zou zijn voor de onderhavige vordering van Ballast Nedam. Voor zover [eiser] bij memorie van grieven (blz 11) heeft gesteld dat aan de uitbetaling een vermoeden van de juistheid van de uitleg van [eiser] had moeten worden afgeleid, wordt deze stelling verworpen, nu deze algemene stelling geen grondslag vindt in het recht.(…)”

2.10

[eiser] klaagt in cassatie in de eerste plaats, zo begrijp ik, dat het hof heeft miskend dat de uitleg van de aanvullende overeenkomst moet geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf en dat in dat kader de uitvoering van de overeenkomst – de betaling door Ballast Nedam – mede een omstandigheid kan zijn die van belang is (cassatiedagvaarding nrs. 19-21 i.v.m. 42; s.t. nr. 11).20

2.11

Voor zover de klachten berusten op de stelling dat het hof bij de beweerdelijke toepassing van de Haviltex-norm ten onrechte uitsluitend is uitgegaan van de letterlijke tekst van het uit te leggen art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (cassatiedagvaarding nr. 39), falen zij bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers (in rov. 6) tevens aandacht besteed aan het oude en het nieuwe recht en aan de contractuele context van de bepaling (artikelen 1.2 en 1.3).

2.12

Hoewel [eiser] op zichzelf terecht opmerkt dat de wijze waarop partijen een overeenkomst uitvoeren een aanwijzing kan zijn voor de uitleg die daaraan overeenkomstig de Haviltex-maatstaf moet worden gegeven21, faalt de klacht dat het hof e.e.a. zou hebben miskend wegens gemis aan feitelijke grondslag. Daarbij staat voorop dat, anders dan het middel suggereert (cassatiedagvaarding nr. 9, sub 2), [eiser] op de aangegeven plaats (mvg, p. 6) noch elders een kenbaar beroep heeft gedaan op de wijze van uitvoering van de overeenkomst (betaling) als uitlegfactor. Voorts heeft het hof niet geoordeeld dat de wijze van uitvoering van een overeenkomst niet een relevante factor kan zijn voor de uitleg van die overeenkomst, maar heeft het – naar aanleiding van de stellingname van [eiser] in zijn mvg, p. 11 – tot uitdrukking gebracht dat er geen algemene rechtsregel bestaat volgens welke uit een betaling het vermoeden moet worden afgeleid dat de overeenkomst op grond waarvan de betaling plaatsvindt aldus moet worden uitgelegd dat die betaling ook daadwerkelijk verschuldigd is. Een zodanige regel vindt inderdaad geen steun in het recht, zoals het hof met juistheid heeft beslist. Daarmee heeft het hof de in het middel genoemde rechtspraak geenszins miskend.

2.13

In de tweede plaats wordt met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen de verwerping van de stelling van [eiser] dat Ballast Nedam met de betaling heeft erkend22 dat was voldaan aan het bepaalde in art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (cassatiedagvaarding nrs. 18, 22 en 23 i.v.m. nrs. 41-44). Ook deze klachten treffen geen doel.

Het hof heeft in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht dat feitelijk geen sprake was van erkenning, nu Ballast Nedam steeds heeft gezegd dat de betaling op een vergissing berustte. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan de verwerping van de stelling van [eiser] zelfstandig dragen.

De daarop volgende overweging ten overvloede (“nog daargelaten”) houdt in dat [eiser] niet heeft onderbouwd wat de juridische betekenis is van de vermeende erkenning. De daartegen gerichte klachten falen reeds bij gebrek aan belang. Zij zijn ook overigens tevergeefs voorgesteld, nu het hof kennelijk en terecht tot uitdrukking heeft gebracht dat een buitengerechtelijke erkenning vrije bewijskracht heeft23 en [eiser] in dat kader noch anderszins heeft aangegeven welke rol die erkenning rechtens bij de beoordeling van de vordering zou moeten spelen.

(c) Klachten 24 en 25

2.14

In de cassatiedagvaarding onder 24 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] gehouden is het ontvangene als onverschuldigd ontvangen terug te geven aan Ballast Nedam.

Deze klacht heeft betrekking op een oordeel dat voortbouwt op in cassatie tevergeefs bestreden oordelen en faalt.

2.15

De resterende klacht, onder 25, dat het hof heeft miskend dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult, is niet toegelicht en voldoet aldus niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen.24

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 1 en 2 (2.1-2.4) van het arrest van het hof Den Haag van 5 november 2013 i.v.m. rov. 2.1-2.8 van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2012.

2 Hoewel partijen daaromtrent in deze procedure niets hebben gesteld en rechtbank noch hof daarover iets heeft vastgesteld, kan uit art. 2 van de koopovereenkomst worden afgeleid dat partijen een koopprijs van € 25,--/m2 zijn overeengekomen (inleidende dagvaarding, prod. 1).

3 Inleidende dagvaarding, prod. 3.

4 Zie Raadsbesluit gemeente Noordwijkerhout met bijbehorende Tabel 1 (wijzigingen t.b.v. definitieve vaststelling), overgelegd als prod. 2 bij cva.

5 Zie inleidende dagvaarding, prod. 6 (definitieve versie, vastgesteld door gemeenteraden december 2009), par. 4.7, p. 45 r.k. Zie ook p. 14 en 44 (kaart, legenda onder “Ruimtereservering bedrijventerrein na 2030 (’s-Gravendamseweg Oost)”). De kaart is ook overgelegd als prod. 3 bij brief van 30 september 2013 aan het hof.

6 Inleidende dagvaarding, prod. 5, par. 4.7, p. 45 r.k. Zie ook p. 14 en 44 (kaart, legenda onder “Uitbreiding duurzaam bedrijventerrein”). De kaart is ook overgelegd als prod. 1 en 2 bij brief van 30 september 2013 aan het hof.

7 [eiser] heeft onbetwist opgemerkt dat [betrokkene], die namens deze makelaar optrad, geen familie van hem is; vgl. cva p. 2, vijfde alinea; mvg nr. 6.

8 Inleidende dagvaarding, prod. 4.

9 Volgens weergave in rov. 3 van het arrest van 5 november 2013.

10 Volgens weergave in rov. 5 van het arrest van 5 november 2013. Zie grief I, gericht tegen rov. 4.1-4.4 van het vonnis.

11 ECLI:NL:GHDHA:2013:4012, NJF 2014/5.

12 Het hof heeft kennelijk het oog op de introductie van het begrip structuurvisie in de Wro (Stb. 2006, 566, i.w. 1 juli 2008), vgl. art. 2.1 van die wet. Partijen hebben aandacht besteed aan deze juridische context, zie o.m. mvg p. 6 en mva nrs. 24-42. Zie over dit onderwerp bijv. J.W. van Zundert, ‘De structuurvisie in de Wro. Verplicht beleidsdocument voor strategisch omgevingsbeleid.’, Bouwrecht 2008, p. 470-478; Van Buuren e.a., Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, 2014, p. 17 e.v.

13 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 2 januari 2014.

14 Waarbij kan worden aangetekend dat het processtuk is gericht aan de rechtbank Den Haag en dient als reactie op een – nimmer genomen – conclusie van dupliek aan de zijde van Ballast Nedam.

15 Zie cassatiedagvaarding nr. 31.

16 Zie cassatiedagvaarding nr. 11. De klachten zien kennelijk niet op de verwerping van het in rov. 7 bedoelde, eerst bij pleidooi gedane bewijsaanbod betreffende de aard van de door de makelaar aan Ballast Nedam gestuurde stukken.

17 Vgl. Asser Procesrecht/Asser 3 2013/220; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/211.

18 Dit geldt niet voor de in cassatiedagvaarding nr. 9, onder 2, gedane bewering dat in mvg op p. 6 een beroep zou zijn gedaan op de wijze van uitvoering van de overeenkomst. Dit beroep wordt aldaar niet aangetroffen.

19 De laatste volzin van cassatiedagvaarding, p. 5, bevat een schrijffout. Deze moet aldus worden gelezen: “Er is sprake van een structuurvisie, waarin die aanwijzing plaatsvindt, zij het op termijn.” Zie mvg, p. 9 en 11.

20 [eiser] zoekt in dat verband aansluiting bij HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1368, NJ 1994, 574 (Gasunie/Gem. Anloo). Zie cassatiedagvaarding nr. 40.

21 Vgl. HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572, NJ 2012, 589 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:AA9429, NJ 2001, 157.

22 Onduidelijk is waaraan het hof de stelling van [eiser] dat sprake is van erkenning, heeft ontleend. Een beroep op erkenning wordt in de gedingstukken uitsluitend aangetroffen in het proces-verbaal d.d. 30 september 2013, p. 3, onderaan. Aldaar wordt namens [eiser] bewijs aangeboden van de stelling dat de makelaar de goede stukken aan Ballast Nedam heeft doen toekomen en desgevraagd verklaard dat het gevolg van die bewijslevering zou zijn dat Ballast Nedam “heeft erkend wat de juiste lezing van artikel 1.1 was”.

23 Vgl. Beenders, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2014, art. 154, aant. 2.

24 HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, rov. 3.1.