Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2195

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-11-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
14/04906
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3683, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Alimentatie. Behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/04906

Mr. P. Vlas

Zitting, 21 november 2014

Conclusie inzake art. 80a RO:

[de man]

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

1. Het huwelijk tussen partijen is op 24 juli 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 22 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Op 9 april 2013 heeft de man bij de rechtbank Gelderland een verzoekschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud van € 822,- per maand. Bij beschikking van 7 oktober 2013 heeft de rechtbank Gelderland het verzoek toegewezen. In het door de vrouw ingestelde hoger beroep heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 1 juli 2014 de beschikking van de rechtbank Gelderland vernietigd en het verzoek van de man alsnog afgewezen.

2. Het hof heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de behoefte van de man € 1.365,- netto per maand bedraagt. Volgens het hof mag van de man worden verwacht dat dat hij zich inspant om zodanige inkomsten uit werkzaamheden te genereren dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en dat hij gelet op zijn opleidingsniveau en arbeidsverleden geacht moet worden ten minste het voor hem geldende minimumloon in 2013 van € 1.596,- bruto/ € 1.368,- netto per maand te kunnen verdienen. Het hof heeft voorts overwogen dat de man onvoldoende met stukken heeft onderbouwd dat zijn depressieve klachten en rugklachten hem zodanig beletten bij het verrichten van werkzaamheden dat hij dat minimumloon niet zou kunnen genereren (rov. 5.4).

3. Tegen de beschikking van het hof heeft de man tijdig beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van twee cassatiemiddelen, die zijn gericht tegen rov. 5.4 van de bestreden beschikking. In het eerste middel betoogt de man dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof een definitief einde heeft gemaakt aan de aanspraak op partneralimentatie en dat derhalve alle relevante feiten en omstandigheden hadden moeten worden vastgesteld en gewogen. In het tweede middel betoogt de man dat het hof heeft miskend dat de overweging dat de man een bijstandsuitkering ontvangt en een financiële behoefte van € 1.365,- netto per maand heeft, tegenstrijdig is met de beslissing dat de man in zijn eigen financiële behoefte kan voorzien. Volgens het middel had het hof moeten motiveren waarom de man, gelet op zijn opleidingsniveau en arbeidsverleden, het voor hem geldende minimumloon kan verdienen.

4. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De eerste klacht miskent dat bij wijziging van de omstandigheden een rechterlijke beslissing betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken (art. 1:401 BW). In rov. 5.2 heeft het hof het standpunt van de man weergegeven en in rov. 5.3 het standpunt van de vrouw. Uit rov. 5.4 blijkt dat het hof van oordeel is dat van de man een inspanning mag worden verwacht om in zijn eigen levensonderhoud en behoefte te kunnen voorzien. Door te overwegen dat de man onvoldoende met stukken heeft onderbouwd dat zijn gezondheid het hem zou beletten eigen inkomsten te verwerven, heeft het hof gerespondeerd op de door de man aangedragen omstandigheden. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk omdat uit de door de man in het geding gebrachte stukken, te weten een verwijsbrief van de huisarts voor de psycholoog, een specificatie van de door de man gebruikte medicijnen en medische brieven uit 1985, niet genoegzaam blijkt dat de depressieve klachten en rugklachten van de man hem zodanig beletten bij het verrichten van werkzaamheden dat hij voldoende inkomsten uit werk zou kunnen genereren.

5. De tweede klacht faalt, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft in rov. 3.3 vastgesteld dat de man een bijstandsuitkering heeft en in rov. 5.1 dat de behoefte van de man van € 1.365,- netto per maand bedraagt. In rov. 5.4 is het hof tot de conclusie gekomen dat de man verdiencapaciteit heeft op de aldaar genoemde en deels door het eerste middel tevergeefs bestreden gronden.

6. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

AG