Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2193

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
14/05033
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3661, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging (art. 2 Wet Bopz). Afwijzing verzoek tot aanhouding. Gevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/05033

Mr. F.F. Langemeijer

7 november 2014

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Brabant

In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend terwijl betrokkene was gedetineerd. Mocht de rechtbank een verzoek tot aanhouding van de behandeling naast zich neerleggen? Is het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, toereikend gemotiveerd?

1 De feiten en het procesverloop

1.1.

Op 2 juli 2014 heeft de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 24 juni 2014 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater].

1.2.

Op 8 juli 2014 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in (het penitentiair psychiatrisch centrum van) de penitentiaire inrichting te Vught, waar betrokkene op dat moment verbleef. De rechtbank heeft betrokkene en zijn advocaat, de behandelend psychiater en een zorg en behandel-inrichtingswerker gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend, ingaande op 8 juli 2014 en eindigende op 8 januari 2015, onder de “opschortende voorwaarde dat betrokkenes detentie onherroepelijk zal zijn beëindigd”.

1.3.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie heeft het Openbaar Ministerie geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel I klaagt dat rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is dat de rechtbank niet is ingegaan op het verzoek namens betrokkene om de behandeling van de zaak in eerste aanleg aan te houden in afwachting van wat er mogelijk is in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling. Bedoeld is kennelijk: dat de behandeling van het verzoek om een voorlopige machtiging zou worden aangehouden totdat het Openbaar Ministerie een beslissing heeft genomen over het eventueel verbinden van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15a, lid 3 en lid 5, Wetboek van Strafrecht).

2.2.

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat betrokkene op 8 juli 2014 (datum bestreden beschikking) gedetineerd was op grond van een veroordeling door de strafrechter. De in cassatie overgelegde stukken verschaffen geen nadere informatie over het vonnis dat tot die detentie heeft geleid.

2.3.

Over een eventuele samenloop van vrijheidsbeneming op grond van de Wet Bopz en vrijheidsbeneming op grond van een strafrechtelijke verblijfstitel valt het volgende op te merken1. De strafrechter kan op grond van art. 37 lid 1 Sr gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar. In dat geval geldt hetgeen in art. 51 Wet Bopz is bepaald voor patiënten voor wie de minister van Veiligheid en Justitie medeverantwoordelijkheid draagt2. Verder bestaan mogelijkheden voor een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Penitentiaire beginselenwet (zie art. 15 Pbw en art. 53 Wet Bopz). In een beschikking van 18 april 20033 ging het om de vraag of een lopende terbeschikkingstelling, althans een lopende terbeschikkingstelling met voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege waarvan nog verlenging mogelijk is op grond van art. 38j Sr., in de weg staat aan het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. De Hoge Raad was toen van oordeel dat, met het oog op een voor de praktijk hanteerbare oplossing, tot uitgangspunt dient te worden genomen dat voorrang wordt gegeven aan de in het kader van de terbeschikkingstelling genomen beslissing (rov. 3.3) en voegde hieraan toe:

“Voor de in 3.3 bedoelde doorkruising behoeft niet te worden gevreesd indien in het zicht van de onvoorwaardelijke beëindiging van een terbeschikkingstelling (met of zonder bevel tot verpleging van overheidswege) de strafrechter te kennen geeft dat behoefte bestaat aan een direct aansluitende voorlopige machtiging ingevolge de Wet Bopz. In een dergelijk geval zal, indien naar het oordeel van de burgerlijke rechter aan de vereisten daar voor is voldaan, een machtiging op grond van de Wet Bopz kunnen worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk wordt beëindigd. Door het verlenen van een aansluitende voorwaardelijke machtiging4 kan worden voorkomen dat ten aanzien van dezelfde persoon zowel een strafrechtelijke als een civielrechtelijke maatregel tegelijkertijd van toepassing is.” (rov. 3.4)

Dit brengt mee dat kort vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende t.b.s. alvast een voorlopige machtiging kan worden verleend op grond van de Wet Bopz. De officier van justitie kan deze machtiging ten uitvoer leggen terstond nadat de t.b.s. is geëindigd5.

2.4.

In het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg is genoteerd dat betrokkene heeft gezegd dat 9 augustus 2014 de “einddatum” zou zijn. Betrokkene heeft de vraag aan de orde gesteld: “Waarom is een RM nodig als ik nog een VI heb?”6. De behandelend psychiater antwoordde dat volgens hem 8 augustus de einddatum zou zijn; over voorwaardelijke invrijheidstelling van betrokkene zei de psychiater nog niets te hebben vernomen. Betrokkene heeft zich ter zitting bereid verklaard om zich aan afspraken te houden en depotmedicatie op te halen of in te nemen als het nodig is. De advocaat van betrokkene heeft betoogd:

“Aan de VI kunnen ook voorwaarden verbonden worden. Betrokkene is kennelijk bereid om zich aan voorwaarden te houden. Betrokkene geeft aan zelf hulp te zoeken bij de GGZ. Ik verzoek u primair om de zaak aan te houden in afwachting van wat er mogelijk is in het kader van de V.I.”

Aan het slot van de behandeling heeft betrokkene nog gezegd dat hem een voorwaardelijke machtiging is beloofd. Daarna heeft de rechter de behandeling gesloten.

2.5.

In de thans bestreden beschikking heeft de rechtbank − zonder te overwegen dat uitzicht bestond op een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke beëindiging van de vrijheidsstraf die op dat moment ten uitvoer werd gelegd − in het dictum bepaald dat de voorlopige machtiging wordt verleend onder de opschortende voorwaarde “dat betrokkenes detentie onherroepelijk zal zijn beëindigd”. Eerlijk gezegd is mij niet helemaal duidelijk geworden wat de rechtbank met deze formulering precies bedoelt: het tijdstip waarop de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, het tijdstip waarop de proeftijd eindigt of het tijdstip waarop een rechterlijke beslissing omtrent een eventuele vordering tot alsnog tenuitvoerlegging van het strafrestant (wegens overtreding van een bij de voorwaardelijke invrijheidstelling gestelde voorwaarde, zie art. 15d lid 4 Sr) onherroepelijk zal zijn geworden. Art. 15a Sr. houdt in dat een voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de in lid 1 genoemde algemene voorwaarden. Het tweede lid van art. 15a Sr voegt daaraan toe dat daarnaast bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld betreffende het gedrag van de veroordeelde. Deze bijzondere voorwaarden zijn opgesomd in het derde lid van art. 15a Sr en kunnen, onder meer, inhouden: opneming van de veroordeelde in een zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd. De proeftijd is geregeld in art. 15c. Zij loopt niet zolang de veroordeelde rechtens de vrijheid is ontnomen. Hoe dan ook, het cassatiemiddel vraagt over deze kwestie geen uitspraak van de cassatierechter7.

2.6.

Blijkens haar beschikking heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding niet ingewilligd. De beslissing om de behandeling van de zaak niet aan te houden voor een onderzoek naar de mogelijkheden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling leent zich niet voor cassatie. De wet verplichtte de rechtbank niet tot aanhouding van de behandeling: noch om nadere inlichtingen in te winnen − dat is een discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter −, noch om de beslissing van het Openbaar Ministerie omtrent het wel of niet verbinden van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke invrijheidstelling af te wachten8. De beslissing om meteen een eindbeslissing te nemen is ook niet onbegrijpelijk: de officier van justitie heeft op 2 juli 2014 het inleidende verzoek ingediend tot het verlenen van een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging. Dat duidde erop dat het Openbaar Ministerie, om het te duchten gevaar te keren, aan een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz de voorkeur gaf boven het stellen van bijzondere voorwaarden in het kader van art. 15a lid 3 Sr. De slotsom is dat onderdeel I faalt.

2.7.

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van de mededeling van betrokkene ter zitting dat hij zich aan afspraken wil houden en depotmedicatie bij de dokter wil halen.

2.8.

De rechtbank heeft vastgesteld, in zoverre in cassatie onbestreden, dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken. Het te duchten gevaar heeft de rechtbank omschreven als volgt:

“dat betrokkene recent een terugval heeft gehad op de forensisch psychiatrische afdeling, alwaar bleek dat hij cocaïne en andere stimulerende middelen gebruikt had. Bovendien geeft betrokkene aan geen behoefte te hebben aan passende nazorg of ander toezicht en is hij voornemens om zijn medicatie af te bouwen. Het sterke vermoeden bestaat dat de paranoïde belevingen van betrokkene zullen opleven. Betrokkene vormt met name een gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Voorts bestaat het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder zal gaan”.9

Het middel bestrijdt deze constateringen en dit vermoeden op zich niet. Wel is ter toelichting op de klacht aangevoerd dat niet duidelijk is van wanneer deze informatie in de geneeskundige verklaring dateert. De klacht houdt in dat bij verzoeker “voortschrijdend inzicht in de problematiek bestaat”. De rechtbank zou onvoldoende zijn ingegaan op de (blijkens zijn verklaring ter zitting) gewijzigde opstelling van betrokkene.

2.9.

De enkele omstandigheid dat de rechtbank aan de hand van de door betrokkene ter zitting afgelegde verklaring ook een andere gevolgtrekking had kunnen maken dan zij heeft gedaan, is niet voldoende om grond voor cassatie te zijn: de waardering van de feiten en van de afgelegde verklaringen is voorbehouden aan de feitenrechter. Ook in het licht van de ter zitting door betrokkene afgelegde verklaring beschouwd, is de beslissing van de rechtbank niet onbegrijpelijk. Uit de gegeven motivering volgt dat de rechtbank, ondanks de ter zitting door betrokkene alsnog uitgesproken bereidverklaring, niet voldoende vertrouwen heeft gehad dat het te duchten gevaar wordt gekeerd zonder opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.10.

Naar vaste rechtspraak is een standaardmotivering in dit soort zaken toelaatbaar, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan10. Mijns inziens is aan deze maatstaf voldaan. In antwoord op de vraag waarom het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend vermeldt de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst:

“Betrokkene is gemakkelijk te verleiden tot misbruik van stimulerende middelen en heeft onvoldoende ziekteinzicht wat betreft zijn aandoening en is bagatelliserend hierin met als gevolg zeer waarschijnlijk een snelle destabilisatie zodra de huidige structuur/zorg weg valt. Dus ondanks redelijk stabiel functioneren op de afdeling, zo is de inschatting toch dat dit redelijk stabiel functioneren alleen overeind blijft in een zeer gestructureerde setting. Mocht die structuur weg vallen, dan zijn de deuren open voor drugsgebruik en het niet meer innemen van beschermende medicatie het waarschijnlijke scenario met als risico snel afglijden in paranoide psychose met uiteindelijk onvoorspelbaar gedrag en zeer groot risico op terugval in delictgedrag en of ook onvoorspelbaar of instrumentaal agressief gedrag. (…)”11

Naar aanleiding van de vraag welke afwendingsmogelijkheden zijn overwogen of geprobeerd heeft de psychiater in de geneeskundige verklaring aangekruist: ambulante psychiatrische behandeling en vrijwillige klinisch psychiatrische behandeling. De verklaring van de behandelend psychiater ter zitting is hiermee geenszins in tegenspraak:

“Betrokkene heeft een paranoïde waanstoornis, ADHD en een zwakke begaafdheid. Betrokkene zegt geen hulp nodig te hebben. Hij heeft naar zijn idee vrienden bij wie hij onderdak kan krijgen. Wij denken gelet op het middelengebruik (speed) dat meneer zal decompenseren. Wij zijn bang dat meneer weer snel gedetineerd zal worden.”

2.11.

In het middelonderdeel is kennelijk bedoeld dat het gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, te weten door aan het gedrag van betrokkene bijzondere voorwaarden te stellen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15 e.v. Sr) of, eventueel, in het kader van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz.

2.12.

Van de sanctie bij het niet naleven van een of meer (bijzondere) voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling − het geheel of gedeeltelijk ten uitvoer leggen van het resterende deel van de vrijheidsstraf −, gaat inderdaad een prikkel uit om de gestelde voorwaarden na te leven. Deze prikkel is niet altijd voldoende om het gevaar af te wenden. De Bopz-rechter, die in een geval als dit voor de vraag wordt gesteld of een (onvoorwaardelijke) machtiging tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is, zal de mogelijkheid van het stellen van gedragsbeïnvloedende voorwaarden in zijn afweging betrekken. Bij het afwegen van risico’s is niet slechts van belang hoe groot de kans is dat het te duchten onheil zich openbaart, maar ook hoe ernstig de gevolgen zijn indien het gevreesde onheil zich openbaart. Nu de rechtbank aangeeft dat zij in de eerste plaats vreest voor de algemene veiligheid van personen en goederen, is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank de mogelijkheid van een voorwaardelijke invrijheidstelling onvoldoende heeft geacht om het gevaar af te wenden en een machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk achtte. In het licht van hetgeen de rechtbank op blz. 1 heeft overwogen omtrent het gevaar, waaronder de informatie over een recente terugval, behoefde dit oordeel geen verdergaande motivering dan de rechtbank heeft gegeven. De slotsom is dat onderdeel II faalt.

2.13.

Onderdeel III voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de tijdens de mondelinge behandeling door betrokkene gemaakte opmerking dat hem een voorwaardelijke machtiging is beloofd. Volgens de toelichting op deze klacht had het in de rede gelegen dat de rechtbank aan de officier van justitie de vraag had voorgelegd of juist is dat aan betrokkene een voorwaardelijke machtiging is beloofd en, gelet op art. 8a Wet Bopz, de vraag of een andere machtiging dan de verzochte (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging niet op haar plaats zou zijn. Mede gelet op art. 5 lid 1 (onder e) EVRM, is volgens betrokkene onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder meer voorbijgaat aan de vraag of een voorwaardelijke machtiging in dit geval passender zou zijn geweest.

2.14.

Art. 8a Wet Bopz houdt in dat indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar kan maken; zij is daartoe niet verplicht. De rechtbank was niet gebonden aan enigerlei belofte. Art. 8a krijgt eerst dan betekenis indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat slechts een voorwaardelijke machtiging in aanmerking komt en zij, gelet op het petitum van het door de officier van justitie ingediende verzoekschrift, geen ruimte zou hebben om een voorwaardelijke machtiging te verlenen. De in artikel 8a bedoelde situatie doet zich in deze zaak niet voor: de rechtbank heeft immers een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging noodzakelijk geacht.

2.15.

Betrokkene heeft niet gezegd wanneer en door wie de belofte zou zijn gedaan. De rechtbank heeft deze uitlating van betrokkene aan het slot van de mondelinge behandeling klaarblijkelijk opgevat als niet meer dan een onderstreping van het door de advocaat namens hem ingenomen standpunt dat het door de stoornis teweeggebrachte gevaar kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis door het stellen van voorwaarden. De rechtbank heeft dat standpunt niet genegeerd, maar verworpen. Door of namens betrokkene is in eerste aanleg niet aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel door het Openbaar Ministerie zou zijn geschonden, noch dat hij procedureel in enig opzicht zou zijn benadeeld door een toezegging of gewekte verwachting. Per saldo meen ik dat onderdeel III faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie uitgebreid over dit onderwerp: SDU Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, losbl., aant. C.4.4.6 en aant. C.6 op art. 2 (W. Dijkers) en aant. C.6 op art. 51 (T.P. Widdershoven).

2 Zie voor de situatie waarin voor de betrokken persoon reeds een verblijfstitel op grond van de Wet Bopz is afgegeven: HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233, BJ 2005/2 m.nt. T.P. Widdershoven.

3 ECLI:NL:HR:2003:AF5555, BJ 2003/21, NJ 2003/628 m.nt. J. de Boer. Zie ook: HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1500, BJ 2008/46.

4 De Hoge Raad doelt hier niet op de (pas later ingevoerde) voorwaardelijke machtiging van art. 14a Wet Bopz, maar op het verbinden van een opschortende voorwaarde aan een voorlopige machtiging (noot A-G).

5 Zij het onder aantekening dat op grond van art. 10 lid 1 Wet Bopz een voorlopige machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. Vgl. de conclusie voor HR 18 april 2003, punt 3.10. Anders: de noot van J. de Boer onder dezelfde beschikking in de NJ, punt 4; vgl. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, losbl., aant. C.6 op art. 2 (W. Dijkers).

6 De afkortingen staan kennelijk voor: rechterlijke machtiging (op grond van de Wet Bopz), onderscheidenlijk voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15 Sr).

7 Vgl. art. 419 lid 1 in verbinding met art. 429 lid 2 Rv.

8 Er zou een probleem van samenloop van executie kunnen rijzen indien de officier van justitie alsnog bijzondere voorwaarden zou stellen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling en later tenuitvoerlegging van het strafrestant zou vorderen wegens niet nakoming daarvan. Er wat te zeggen voor de oplossing dat de strafrechtelijke detentie prevaleert boven de executie van de machtiging op grond van de Wet Bopz: een machtiging is geen bevel aan het O.M. tot opneming; vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1038, NJ 2014/356 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2014/3 m.nt. T.P. Widdershoven, over samenloop van preventieve hechtenis en de tenuitvoerlegging van een Bopz-machtiging. Anderzijds lijkt het hier te gaan om een academisch probleem: de proeftijd loopt niet zolang aan de betrokkene rechtens de vrijheid is ontnomen (art. 15c Sr).

9 Vgl. rubrieken 4 en 5 van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst.

10 Zie onder meer: HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7233, NJ 1998/221 m.nt. JdB.

11 Geneeskundige verklaring onder 6a (met herstel van twee kennelijke type- of schrijffouten).