Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2191

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-11-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
14/05206
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:117, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, schending informatieplicht. Feitelijke grondslag. Ontoelaatbaar feitelijk novum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/05206

Mr. L. Timmerman

Zitting 14 november 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

(hierna: [verzoeker]).

1. De rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) heeft bij vonnis van 5 september 2014 de schuldsaneringsregeling, die op 14 augustus 2012 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing was verklaard, op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. Dit vonnis werd bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) bij arrest van 9 oktober 2014. Het hof overwoog kort gezegd dat [verzoeker], hoewel hij herhaaldelijk daartoe in de gelegenheid is gesteld door de bewindvoerder, de rechter-commissaris en de rechtbank, tardieve en/of gebrekkige informatie heeft verstrekt, onder meer over de waarde van zijn auto, een door hem betaald bedrag aan de ziektekostenverzekering, gemaakte telefoonkosten en over een tweede bankrekening. [verzoeker] is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichtingen, welke tekortkomingen voldoende ernstig zijn om beëindiging van de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen, aldus het hof (rov. 3.5 t/m 3.7).

2 In het door [verzoeker] op 16 oktober 2014 – derhalve tijdig – ingediende cassatieverzoekschrift wordt betoogd dat het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk is omdat het berust op indrukken en verwachtingen in plaats van op feiten (onderdeel 1), [verzoeker] geen verwijt kan worden gemaakt, mede vanwege zijn medische problematiek (onderdeel 2), en het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan aan een grief (onderdeel 3).

3 Deze in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden omdat zij feitelijke grondslag missen. Onderdeel 1 miskent dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op concrete tekortkomingen in de nakoming van [verzoeker]’s informatieverplichtingen. Het hof heeft deze feiten in rov. 3.5 van zijn arrest vastgesteld. Onderdeel 2 gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat [verzoeker] niet is tekortgeschoten in de nakoming van enige informatieverplichting. Zo betoogt het onderdeel dat [verzoeker] niet kan worden verweten dat zijn email aan de bewindvoerder van 4 september 2014 met 86 bijlagen niet door de servers van de bewindvoerder is geaccepteerd (cassatieverzoekschrift, p. 7), waarmee over het hoofd wordt gezien dat [verzoeker] deze email na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn heeft verzonden. Voor het overige berust het onderdeel op een ontoelaatbaar novum aangezien in feitelijke instanties niet de stelling is betrokken dat de medische situatie van [verzoeker] de verwijtbaarheid van de geconstateerde tekortkomingen wegneemt. Onderdeel 3 refereert aan een grief die betrekking heeft op het nakomen van de informatieverplichtingen en de gronden voor tussentijdse beëindiging, welke onderwerpen wel degelijk door het hof zijn beoordeeld.

Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G