Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2189

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
13/00228
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3797, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen hennepteelt. De uit de bewijsmiddelen volgende feiten waarvan het Hof bij de bewijsvoering is uitgegaan bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat, zoals is bewezenverklaard, sprake is van "tezamen en in vereniging met een ander" opzettelijk telen van hennepplanten. CAG anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/00228

Mr. Machielse

Zitting 8 juli 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 28 december 2012 voor: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en tot een taakstraf van 240 uur.

2. Mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, heeft cassatie ingesteld. Mr. H.M.W. Daamen en mr. B.A.M. Hendrix, advocaten te Maastricht, hebben een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het tweede middel komt op tegen de veroordeling voor medeplegen. In hoger beroep is als verweer gevoerd dat niet kan worden gesproken van medeplegen omdat tussen verdachte en zijn echtgenote de nauwe en bewuste samenwerking ontbrak. De echtgenote van verdachte heeft geen enkele actieve bijdrage geleverd aan de inrichting en exploitatie, zij kwam niet eens in de kwekerij. Wel wist zij ervan.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte

"in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 19 mei 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [a-straat 1]) een hoeveelheid van ongeveer 717 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van verdachte aangevoerd dat geen sprake was van medeplegen. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting houdt dienaangaande het volgende in:

"De raadsman voert het woord als volgt.

De verdediging stelt voorop dat de strafeis van de advocaat-generaal aansluit bij hetgeen ik namens cliënt zou willen voorstellen.

De verdediging kan zich echter niet vinden in het standpunt van de advocaat-generaal dat cliënt de hennepkwekerij 'samen en in vereniging met zijn echtgenote' heeft geëxploiteerd. De verdediging meent namelijk dat niet gezegd kan worden dat er tussen cliënt en zijn echtgenote sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De echtgenote van cliënt heeft geen enkele actieve bijdrage geleverd aan de inrichting en exploitatie van de kwekerij. Zij kwam ook niet in de ruimten waar de planten stonden. Zij had daar alleen weet van. Feitelijk heeft zij het bestaan van de hennepkwekerij slechts gedoogd. Ik wijs het hof op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2011, LJN: BP0068. In die uitspraak heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk overwogen dat het enkele gegeven dat de verdachte in die zaak fysiek aanwezig was in een pand waar, op de door hem aan een derde verhuurde benedenverdieping, zich onmiskenbaar een hennepkwekerij bevond en dat hij beschikte over een sleutel van de deur van die benedenverdieping, onvoldoende was om te kunnen spreken van een zo nauwe en bewuste samenwerking dat sprake was van medeplegen.

Een vergelijkbare situatie doet zich ook hier voor. De echtgenote van cliënt had geen enkele feitelijke bemoeienis met de door cliënt geëxploiteerde hennepkwekerij. Het gegeven dat de echtgenote van cliënt van de opbrengst van de kwekerij heeft geprofiteerd doordat daarmee de gezamenlijke schuldenlast werd verminderd, kan niet leiden tot een bewezenverklaring van 'medeplegen'. Wat de echtgenote van cliënt heeft gedaan valt onder een andere strafbepaling. Bewezen kan slechts worden dat cliënt de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd."

In zijn arrest is het hof uitdrukkelijk ingegaan op het gevoerde verweer:

"Door de raadsman is betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Hiertoe is - kort gezegd - aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn echtgenote, [betrokkene 1], dat kan worden gezegd dat hij het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met die [betrokkene 1] heeft gepleegd. Daartoe is voorts betoogd dat [betrokkene 1] geen enkele bijdrage aan het telen van de hennep heeft geleverd, dat zij nimmer in de kweekruimtes aanwezig is geweest en dat zij slechts op de hoogte was van de aanwezigheid van de kwekerij.

Het hof overweegt als volgt.

Het in vereniging plegen van een delict veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte, voordat hij de kwekerij begon, met zijn echtgenote [betrokkene 1] heeft gesproken over zijn voornemen hun financiële problemen op te lossen door het telen van hennepplanten. [betrokkene 1] heeft op geen enkele wijze getracht te voorkomen dat verdachte dit voornemen zou uitvoeren. Nu met de opbrengst van de hennepteelt een gedeelte van hun gezamenlijke schulden ook daadwerkelijk is afgelost, heeft die [betrokkene 1] eveneens geprofiteerd van de baten van de kwekerij.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat er sprake is van het tezamen en in vereniging telen van hennepplanten ook al heeft [betrokkene 1] zelf geen telingshandelingen verricht en kwam zij niet in de ruimten waarin werd geteeld.

Het hof verwerpt het verweer."

Voorts zijn de volgende twee bewijsmiddelen relevant voor de beantwoording van de in cassatie voorgelegde vraag:

" 2.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:

Het is juist (...) dat ik in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 19 mei 2010 hennepplanten heb geteeld in het pand aan de [a-straat 1] te Kaatsheuvel. (...) lk ben met de hennepkwekerij begonnen vanwege financiële problemen. Mijn vrouw en ik konden de huur van het pand in Kaatsheuvel niet meer voldoen. (...) Ik heb vervolgens besloten om in het pand een hennepplantage te gaan inrichten. Ik heb dat (...) aan mijn vrouw medegedeeld (...). Mijn vrouw en ik runden samen de winkel die in het pand in Kaatsheuvel gevestigd was. (...) Met de opbrengst van de kwekerij zouden de achterstallige huurtermijnen betaald worden. Mijn vrouw en ik waren beiden verantwoordelijk voor de betaling van de huur van het pand. (...) Het is juist (...) dat mijn vrouw van de opbrengst van de hennepkwekerij zou profiteren doordat de huurschuld, waarvoor zij medeaansprakelijk was, zou verminderen. Mijn vrouw en ik waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Het is juist dat zij op de hoogte was van de hennepkwekerij in het pand. Ik ben in oktober 2009 begonnen met het inrichten van de kwekerij.

3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de regiopolitie Midden- en West-Brabant, met proces-verbaalnummer PL203A 2010064275-3, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 mei 2010 ondertekend door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende, als de tegenover verbalisante afgelegde en hierna zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1]:

lk woon samen met mijn man, genaamd [verdachte], aan de [a-straat 1] te Kaatsheuvel. Dit betreft een woning met winkel. Wij huren dit pand. Mijn man en ik betalen de huur. Vanwege de hoge huurlasten hebben wij het erover gehad om hennepplanten te gaan kweken, om zo onze lasten te betalen. [verdachte] zou dat gaan regelen.

Ik weet dat er een ruimte is ingericht in de schuur en ik weet dat hij later boven bezig is geweest. Ik weet dat hij vanaf oktober 2009 bezig is. Daardoor konden wij onze lasten betalen."

3.3. De steller van het middel betoogt dat niet blijkt dat de echtgenote van verdachte hem heeft aangemoedigd, hem heeft gerustgesteld, of zich anderszins heeft bemoeid met de hennepkwekerij. Als de echtgenote van verdachte niet bij de uitvoering van het misdrijf betrokken is geweest, zullen toch zware eisen moeten worden gesteld aan de mate van samenwerking met haar echtgenoot. En die samenwerking ontbreekt totaal. Niet blijkt dat de echtgenote van verdachte mede heeft georganiseerd, dat zij een gelijkwaardige rol heeft gespeeld als verdachte. Het hof heeft dus aan de woorden "tezamen en in vereniging met een ander", welke woorden duiden op medeplegen, een onjuiste uitleg gegeven.

3.4. Van medeplegen kan men spreken als sprake is van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking, door de steller aangeduid als de subjectieve voorwaarde, en/of van een gezamenlijke uitvoering, aangeduid als de objectieve voorwaarde. Er kan zelfs medeplegen worden aangenomen als verdachte niet eens bij de uitvoering van het delict aanwezig is.2 In zijn dissertatie schrijft Postma m.i. terecht dat de ontwikkeling in het medeplegen is gegaan van een causale benadering met de nadruk op de bijdrage aan de daadwerkelijke uitvoering naar een benadering die de verantwoordelijkheid voor het plaatsvinden van het delict centraal stelt.3Degene die alleen maar aanwezig is, niet heeft deelgenomen aan de uitvoering van het delict en evenmin nauw betrokken is bij planning of organisatie daarvan, kan niet als medepleger verantwoordelijk worden gehouden voor dat delict.4

3.5. Ik geef een voorbeeld van een geval dat een zekere gelijkenis heeft met de onderhavige zaak en waarin de verantwoordelijkheid voor het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen wel voldoende grond bood voor het aannemen van medeplegen. Het betreft twee broers die samen eigenaar zijn van een schildersbedrijf dat is gevestigd in een perceel waarin een hennepkwekerij is aangetroffen. De hennepkwekerij is opgezet door een van de broers. De andere broer heeft verklaard dat hij wist dat er een hennepkwekerij boven de zaak was gevestigd. Het pand was eigendom van beide broers. In het arrest van de Hoge Raad is het volgende te lezen:

"2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat verdachte bij het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit, te weten het voorhanden hebben van een hoeveelheid hennepplanten, moet worden aangemerkt als medepleger, nu verdachte willens en wetens heeft samengewerkt met zijn broer en mededader bij het voorhanden hebben van de hennepplanten. De hennepkwekerij bevond zich in het bedrijfspand van verdachte en zijn broer. Verdachte wist dat zijn broer de hennepkwekerij in hun bedrijfspand exploiteerde. Hij heeft zich daarvan niet gedistantieerd. Aldus heeft verdachte de hennepkwekerij tezamen en in vereniging met in ieder geval zijn broer aanwezig gehad."

2.4. Het oordeel van het Hof dat de verdachte de hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander of anderen aanwezig heeft gehad, is gelet op hetgeen het Hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld, toereikend gemotiveerd.

2.5. Het middel faalt." 5

3.6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn vrouw samen verantwoordelijk waren voor de woning waarin de hennepkwekerij is geïnstalleerd. In bewijsmiddel 3 verklaart de echtgenote van verdachte dat zij het er met verdachte over heeft gehad om hennepplanten te gaan kweken om zo de lasten te betalen, hetgeen ook werkelijk is geschied. De hennepkwekerij is met instemming van de echtgenote van verdachte geïnstalleerd in hun beider woning. De opbrengsten van de hennepkwekerij is aan hen beiden ten goede gekomen. Het oordeel van het hof dat er sprake is van medeplegen geeft naar mijn oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

4.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verlopen.

4.2. Het cassatieberoep is ingesteld op 28 december 2012 en het dossier is eerst op 11 december 2013 bij de Hoge Raad ontvangen. Aldus is inderdaad de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met drie maanden en dertien dagen overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal gevolgen moeten hebben voor de straftoemeting.

5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is terecht voorgesteld, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 13/00230 ([betrokkene 1]), 13/00324 P ([betrokkene 1]) en13/00229 P ([verdachte]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.

2 HR 17 november 1981, NJ 1983, 84; HR 17 december 1985, NJ 1986, 427; HR 15 april 1986, NJ 1986, 740; HR 12 februari 2002, NJ 2002, 351; Anne Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen, diss RUG 2014, p. 14.

3 Opzet en toerekening bij medeplegen, p. 21.

4 HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 50 m.nt. ThWvV; HR 15 april 1997, DD 97.213; HR 22 december 2009, NJ 2010, 193 m.nt. Mevis.

5 HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4260.