Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2172

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13/05615
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3421, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak vanwege deelname raadsvrouwe van verdachte aan landelijke staking van strafrechtadvocaten. HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt. Het Hof heeft kennelijk alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, terwijl het niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze. Daarom is ’s Hofs afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05615

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 november 2013 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2013, waarbij de verdachte wegens 1. “handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “diefstal waarbij de schuldige zich het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 3. “opzettelijk een elektriciteitswerk vernielen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is” bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en waarbij de vordering van de benadeelde partij is toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, één en ander zoals in het vonnis vermeld.

2. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 13/05614 P), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouwe van de verdachte niet heeft gehonoreerd en de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, aangezien daarmee inbreuk is gemaakt op het stakingsrecht van de raadsvrouwe en op het in art. 6, derde lid, onder c, EVRM verankerde recht van de verdachte op rechtsbijstand.

5. De achtergrond van de zaak is de volgende. Op 11 november 2013 vond een staking plaats van (onder meer) strafrechtadvocaten. De aanleiding van de staking was gelegen in de voorgenomen (bezuinings)maatregelen van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op het terrein van de gefinancierde rechtsbijstand. De staking werd gesteund door de Orde van Advocaten, de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten en de Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten. Tevoren is door “de strafrechtadvocatuur” aan de rechtbanken en hoven te kennen gegeven dat deze ten gevolge van de staking aanhoudingsverzoeken te verwerken krijgen die betrekking hebben op de zittingen die voor 11 november 2013 staan gepland. Tevens is aan de gerechtsbesturen verzocht erop aan te dringen de aanhoudingsverzoeken in te willigen en te ondersteunen. De Orde van Advocaten heeft tevoren aangegeven dat de rechtzoekenden niet de dupe van de staking mogen worden en dat de advocaten hierin een eigen verantwoordelijkheid hebben.1 In antwoord op de berichtgeving over de voorgenomen staking, is op 7 november 2011 een bericht op rechtspraak.nl gepubliceerd, waarin wordt aangegeven dat rechters eventuele verzoeken om aanhouding op de gebruikelijke manier zullen behandelen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van “de Rechtspraak” bij het bewaken van de voortgang van strafprocessen, zal de rechter de in het geding zijnde belangen moeten afwegen. In het bericht wordt erop gewezen dat het kan voorkomen dat de rechter een verzoek om aanhouding afwijst en dat het niet mogelijk is in algemene zin aan te geven of zaken wel of niet doorgaan, omdat de belangen en afwegingen bij elke zaak anders zijn.2

6. In een bericht op rechtspraak.nl van 11 november 2013 wordt geïnventariseerd welke gevolgen de staking heeft gehad voor de voortgang van de strafzaken waarvan de behandeling op die dag was bepaald. Daarin wordt geconcludeerd dat tientallen aanhoudingsverzoeken zijn ingediend die “voor een flink deel” zijn toegewezen. Andere zaken gingen door, omdat de rechter in die gevallen de belangen bij het doorgaan van de berechting zwaarder vond wegen dan de vertegenwoordiging van de verdachte door een advocaat. Uit de inventarisatie kan worden afgeleid dat een grote meerderheid van de aanhoudingsverzoeken is toegewezen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde zich van de onderzochte gerechten in dit opzicht het meest terughoudend: van de zes op dat moment bekende verzoeken om aanhouding bleek er één te zijn toegewezen, terwijl de behandeling in de overige vijf gevallen doorgang vond.3

7. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2013 is noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte op diezelfde datum veroordeeld wegens - kort gezegd - de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een door hem gehuurde woning en de daarmee verband houdende gekwalificeerde diefstal van elektriciteit en vernieling van een elektriciteitswerk waardoor gevaar voor goederen is veroorzaakt.

(ii) Op 1 juli 2013 heeft mr. Van der Geest namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

(iii) Bij brief van 6 augustus 2013 heeft mr. Van der Geest zich gesteld als raadsvrouwe van de verdachte in hoger beroep.

(iv) Bij faxbericht van 8 november 2013, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft mr. Van der Geest verzocht de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte aan te houden, aangezien de raadsvrouwe de aangekondigde staking van de strafrechtsadvocatuur op 11 november 2013 ondersteunt en ook zelf staakt.4 De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van dit aanhoudingsverzoek het volgende aangevoerd. De staking is een reactie op de aangekondigde bezuinigingsvoorstellen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Door de advocatuur wordt gebruik gemaakt van het stakingsrecht zoals dat is neergelegd in art. 6, vierde lid, Europees Sociaal Handvest (ESH), welk recht slechts mag worden beperkt wanneer dat in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het voortzetten van de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte zou het stakingsrecht van zijn raadsvrouwe beperken en daarmee in strijd zijn met het ESH. Bovendien vloeit uit art. 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM, waarin onder meer het recht van de verdachte op bijstand van een raadsman naar eigen keuze is neergelegd, de verplichting voort het aanhoudingsverzoek te honoreren, nu de verdachte expliciet heeft aangegeven ter zitting bijstand te willen van mr. Van der Geest. Ten slotte heeft de raadsvrouwe ter nadere onderbouwing een ”position paper” van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten betreffende de noodzaak van de staking en een brief van “de strafrechtadvocatuur” aan de gerechtsbesturen bijgevoegd.

(v) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2013, zijn de verdachte en diens raadsvrouwe niet ter terechtzitting verschenen. Nadat het hof verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden en is het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft het hof op 11 november 2013 uitspraak gedaan, waarbij de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, dat de verdachte evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en dat het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

(vi) Het hof heeft het aanhoudingsverzoek in de bestreden uitspraak afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft het hof voorafgaand aan de zitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met een staking van de strafrechtadvocatuur. Deze staking is een reactie op de aangekondigde bezuinigingsvoorstellen van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding omdat zij de aangekondigde staking steunt.

Dit verzoek is op voorhand door het hof niet toegewezen. De raadsvrouw is van deze beslissing op de hoogte gesteld en haar is medegedeeld dat het verzoek ter zitting kan worden herhaald. De raadsvrouw en de verdachte zijn niet ter zitting verschenen.

Bij de beoordeling van het verzoek tot aanhouding moet het hof alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen, waaronder de belangen van de verdachte en de samenleving bij een voortvarende berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Het hof is van oordeel dat die belangen moeten prevaleren boven het belang van een advocaat om te staken. Het hof wijst het verzoek daarom af.”

8. Het bij faxbericht5 van 8 november 2013 gedane verzoek van mr. Van der Geest tot aanhouding van de zaak, is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

9. In de hiervoor onder 7 sub vi weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen, omdat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. Aldus heeft het hof in zoverre de juiste maatstaf toegepast.6

10. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.7

11. Voorts heeft een ieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit ingevolge art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM het recht zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Het recht op vrije keuze van een raadsman is echter niet absoluut, aangezien dit recht moet concurreren met het belang van een behoorlijke rechtspleging die gebaat is bij een zekere voortvarendheid.8

12. In het middel wordt het stakingsrecht van de raadsvrouwe voorop gesteld. Door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek zou de raadsvrouwe ongerechtvaardigd in de uitoefening van haar stakingsrecht zijn beperkt. Uit de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek volgt dat het hof het belang van de raadsvrouwe om te staken heeft afgezet tegen de belangen van de verdachte en de samenleving bij een voortvarende berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Het accent dat in de motivering van de afwijzing van het verzoek en in de schriftuur wordt gelegd op het aspect van de advocatenstaking roept de vraag op naar de betekenis van een mogelijk stakingsrecht van de raadsvrouwe voor de beslechting van het onderhavige geschil.

13. In geval het stakingsrecht centraal wordt gesteld, rijzen op zichzelf interessante vragen. Ingevolge art. 6, vierde lid, van deel II van het Europees Sociaal Handvest (Trb. 1962, 3 en Trb. 2004, 13 (herzien); ESH) hebben werknemers en werkgevers het recht op collectief optreden in geval van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Ook zelfstandigen kunnen zich in voorkomende gevallen op dit artikel beroepen.9 Op grond van art. G, eerste lid, van deel V van het ESH kan dit recht (buiten de in deel II vermelde gevallen) geen beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de krachtens het ESH geoorloofde beperkingen op de daarin vermelde rechten en verplichtingen uitsluitend kunnen worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.10 Het recht op een collectieve actie, waaronder het recht om te staken, is een erkend recht waarop werknemers (en werkgevers) zich zonder meer kunnen beroepen en maakt derhalve deel uit van het positieve recht.11 Ook in geval een staking zich in materiële zin niet richt tegen een werkgever, maar tegen de overheid teneinde invloed uit te oefenen op het overheidsbeleid, kan art. 6, vierde lid, ESH onder omstandigheden van toepassing zijn, al geldt de bescherming van deze bepaling niet voor acties van louter politieke aard.12 Toegespitst op de onderhavige zaak, kan de vraag worden gesteld of de staking van de advocaten tegen beleidsvoornemens van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie onder de bescherming van art. 6, vierde lid, ESH valt. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, rijzen de vervolgvragen of de raadsvrouwe door de beslissing van het hof in de uitoefening van dit recht is beperkt en, zo ja, of de beperking daarvan voldoet aan de voorwaarden van art. G, eerste lid, van deel V van het ESH.

14. Naar mijn mening hoeft Uw Raad in de onderhavige zaak aan de beantwoording van de in de vorige alinea gestelde vragen echter niet toe te komen. Het hof heeft de belangen die volgens hem pleiten voor voortzetting van de behandeling afgewogen tegen “het belang van een advocaat om te staken”. Daarmee wordt miskend dat niet het belang van “een advocaat” bij aanhouding centraal staat, maar de belangen van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht en ter terechtzitting in hoger beroep rechtsbijstand te krijgen van de raadsvrouwe van zijn keuze. Het gaat om een verzoek dat de raadsvrouwe deed namens en ten behoeve van haar cliënt.13 In het aanhoudingsverzoek is expliciet opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting rechtsbijstand van zijn raadsvrouwe wilde. De enkele afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting houdt geen ondubbelzinnige afstand van rechtsbijstand in.14 Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek dat in sterke mate samenhangt met het recht zich ter terechtzitting door de raadsvrouwe van de verdachte te laten bijstaan, zal het verdedigingsrecht in de afweging moeten worden betrokken.15 Nu het aanhoudingsverzoek tijdig is gedaan, vergt het nadere motivering waarom de verdachte volgens het hof kennelijk afstand moest doen van zijn recht zich te laten bijstaan door de raadsvrouwe van zijn keuze (art. 6, derde lid, onder c, EVRM). In de belangenafweging valt het verdedigingsrecht van de verdachte met andere woorden tussen de wal en het schip.16 Van een situatie waarin het aan de verdachte zelf te wijten is dat hij niet van rechtsbijstand is voorzien, is in dezen geen sprake.17 Daarbij komt dat in de achtergrond van het verzoek – een staking door een groot aantal strafrechtadvocaten – besloten ligt dat de mogelijkheden van de verdachte om een andere strafadvocaat te vinden die hem op 11 november 2013 zou kunnen bijstaan aanzienlijk beperkter zullen zijn geweest dan gebruikelijk. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het hof zich van (deze aspecten van) het verdedigingsrecht rekenschap heeft gegeven. Zijn oordeel is aldus ontoereikend gemotiveerd.

15. Voor zover het middel klaagt over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, is het terecht voorgesteld. Dit brengt mee dat de tweede klacht van het middel, inhoudende dat het hof de verdachte ten onrechte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, buiten bespreking kan blijven.

16. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aldus www.advocatenblad.nl/site/magazine/archief/nieuws/detail/20091869.html.

2 Zie www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Rechter-maakt-eigen-afweging-bij-staking-advocaten.aspx.

3 Zie www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Rustig-en-ordelijk-verloop-staking-advocaten.aspx.

4 Op 8 november 2013 heeft de raadsvrouwe een kopie van dit aanhoudingsverzoek per fax verstuurd naar de advocaat-generaal bij het hof. Dit faxbericht is blijkens een daarop geplaatste stempel op diezelfde datum bij de strafgriffie van het hof ingekomen.

5 Hoewel het aanhoudingsverzoek enkel vóór de terechtzitting in hoger beroep per fax is gedaan, was het hof gehouden op dit verzoek te beslissen en kan over de afwijzing daarvan in cassatie worden geklaagd. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 183-184.

6 Vgl. HR 4 januari 2011, nr. 09/00785 (niet gepubliceerd, art. 81 RO, middel 1), HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4179, rov. 2, HR 2 december 2003, nr. 00541/03 P (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448, rov. 4.3.

7 Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, rov. 2.6.2, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74, rov. 2.3, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641, rov. 2.5, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2.3, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6482, rov. 2.3, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.3, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken, rov. 2.3, HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1758, NJ 2005/416, rov. 3.3, HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 3.3, HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3, HR 26 januari 1999, NJ 1999/294, rov. 3.3, HR 16 januari 1990, NJ 1990/419, rov. 5.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 636-637.

8 Vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9125 (art. 81 RO, middel 2), HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, rov. 4 en HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3.

9 Zie nader: L. Tilstra, Grenzen aan het stakingsrecht, Deventer 1994, p. 184-185.

10 Vgl. voor de verhouding tussen het recht op collectief optreden en huisvredebreuk: HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352, NJ 2013/576 m.nt. Mevis.

11 Vgl. HR 28 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4618, NJ 2000/292 m.nt. Koopmans, rov. 3.3 (civiele kamer) en HR 30 mei 1986, NJ 1986/688 m.nt. Stein, rov. 3.2 (civiele kamer).

12 HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688, m.nt. Stein. Zie ook Tilstra, a.w., p. 189-191 en L. de Meyer, Proportioneel stakingsrecht?, Antwerpen-Cambridge 2012, p. 33-35.

13 Zie ook HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011: BO4453), onder 11.

14 Vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011: BO4453), onder 14.

15 Vgl. HR 8 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1172, NJ 1999/26, alsook Wöretshofer in T&C Sv, tiende druk, aant. 2 onder a bij art. 281 Sv.

16 Daarbij teken ik nog aan dat het in geval van een verzoek als het onderhavige naar mijn mening niet in de rede ligt te verwijzen naar het belang dat de verdachte heeft bij een voortvarende berechting van de zaak.

17 Zoals het geval was in HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, HR 2 maart 1999,ECLI:HR:NL:1999:ZD1366, NJ 1999/330 en HR 17 december 2002,ECLI:NL:HR: 2002:AF0625, NJ 2003/177.