Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2171

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
13/06289
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3422, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/06289

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 december 2013 bevestigd het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 oktober 2012 waarbij verdachte wegens 1 "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, inklimming en/of een valse sleutel”, 3 "poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of een valse sleutel” en 4 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.1 Tevens heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het vonnis vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 14/008858 P, alsmede met de zaken tegen [betrokkene 2] (13/06283 en 13/06286 P), [betrokkene 1] (13/06219 en 13/06220), [betrokkene 5] (14/00855 P) en [betrokkene 4] (14/00860), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.2


3. Het eerste middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2013 blijkt dat de raadsman aldaar heeft verzocht de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen. Hij lichtte dit verzoek als volgt toe:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:
(…)
Ook wil ik de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] horen. Dat is relevant omdat een aantal vragen onbeantwoord is gebleven. Allereerst is onduidelijk aan welke specifieke onderscheidende persoonskenmerken mijn cliënt is herkend. Er is gebruik gemaakt van meer algemene kenmerken, zoals het gelaat, lichaamsbouw en lichaamsbewegingen. Ik wil hen vragen wat daar zo specifiek onderscheidend aan was met betrekking tot mijn cliënt. Ik wil ze ook vragen naar de frequentie waarin ze mijn cliënt eerder hebben getroffen. In het proces-verbaal wordt gerelateerd dat ze mijn cliënt eerder hebben aangesproken, gecontroleerd, geverbaliseerd danwel aangehouden. Naar mijn mening heeft ‘danwel’ hier de betekenis van ‘of’. Ik wil dan ook graag weten wanneer dat dan exact is geweest en wanneer dat voor het laatst is geweest. Het klopt dat verbalisant [verbalisant 3] over meerdere omstandigheden uitvoerig heeft verklaard, maar hij zegt ook dat specifieke vragen aan de verbalisanten zelf gesteld moeten worden. Het is van belang hoe lang de verbalisanten ook contact hebben gehad met mijn cliënt.”

4. Ter terechtzitting van 22 november 2013 heeft de raadsman zijn verzoeken gehandhaafd. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:


"Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

(…)
Voorts heeft de raadsman gepersisteerd bij het ter terechtzitting van 15 maart 2013 gedane verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en het verzoek om een gezichtsvergelijkend onderzoek te laten verrichten door het Nederlands Forensisch Instituut.

(…)

Het verzoek tot het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wordt eveneens afgewezen. Het hof sluit zich daarbij aan bij de overwegingen tot afwijzing van de verzoeken van de rechtbank en neemt deze over (het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 17 juli 2012, p. 2 onderaan en 3 bovenaan). Daarbij voegt zich, dat in opdracht van de rechtbank verbalisanten nadere processen-verbaal omtrent beeldherkenning hebben opgemaakt en de teamleider van het onderzoek, de brigadier [verbalisant 3], bij de rechter-commissaris over de wijze van beeldherkenning en de wijze van verbalisering van de beeldherkenning is ondervraagd en daarover heeft verklaard.

Het hof overweegt met betrekking tot de processen-verbaal van beeldherkenning, dat deze op ambtseed zijn opgemaakt en dat de processen-verbaal op zich geen reden tot twijfel omtrent de juistheid van hetgeen daarin is weergegeven wekken. Het gegeven dat de processen-verbaal betreffende de beeldherkenningen tekstueel in belangrijke mate overeenkomen, hoeft aan de betrouwbaarheid ervan niet in de weg te staan. In het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, acht het hof het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet noodzakelijk.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 juli 2012, waarnaar het hof verwijst, houdt ten aanzien van het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het volgende in:

"Beeldherkenning
Door de raadsman van verdachte [betrokkene 4], mr. Roelse, de raadsman van verdachte [betrokkene 1], mr. Takens, de raadsman van verdachte [verdachte], mr. Boumanjal, de raadsman van verdachte [betrokkene 5], mr. Lamers, en de raadsman van verdachte [betrokkene 3], mr. Denz, is de herkenning van hun cliënt in het beeldmateriaal dat zich in het dossier bevindt, betwist. De raadslieden wensen om die reden de herkenning, gedaan door verbalisanten, te toetsen op betrouwbaarheid. Dit mondt uit in de onderzoekswens de volgende verbalisanten te horen:

[verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 8], [verbalisant 9], [verbalisant 10], [verbalisant 11], [verbalisant 12], [verbalisant 3], [verbalisant 13], [verbalisant 14], [verbalisant 15], [verbalisant 16], [verbalisant 17] [verbalisant 18].

De rechtbank overweegt het volgende. De bedoelde herkenningen betreffen (gezichts)herkenningen van een voor de desbetreffende getuige (in casu: telkens een verbalisant) bekend gezicht. De desbetreffende verbalisanten hebben bij de gedane herkenningen steeds aangegeven dat ze de desbetreffende verdachte uit hoofde van hun werk bij de politie al kenden vóórdat ze de foto's/bewegende beelden zagen. In het algemeen is herkennen makkelijker dan herinneren. Dat neemt niet weg dat ook bij herkennen fouten gemaakt kunnen worden. Bij de beoordeling van de vraag of de verbalisanten als getuigen over hun herkenning gehoord dienen te worden is het volgende van belang.

In het onderhavige onderzoek worden de verdachten (veelal) door verschillende verbalisanten herkend, zodat deze herkenningen elkaar ondersteunen. Ook weegt de rechtbank mee dat de herkenningen plaatsvinden door politiemensen. Immers worden de waarneming en opslag van informatie in het geheugen beïnvloed door de taak van de waarnemer en datgene wat voor hem/haar interessant is. In casu zijn de waarnemingen waardoor de getuigen de verdachten kennen gedaan door politiemensen die met de opsporing zijn belast. In het licht van bovenstaande bezien, overweegt de rechtbank dat de verdediging onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom deze afzonderlijke verbalisanten elk over hun individuele herkenningen moeten worden gehoord.”

6. Het gaat in deze zaak om een min of meer vaste groep jeugdige verdachten die wordt verweten in wisselende samenstelling en via een min of meer vaste werkwijze diefstallen door middel van braak/insluiping/verbreking in supermarkten te hebben gepleegd. De modus operandi kenmerkte zich door een voorverkenning, de insluiting van een mededader die het alarm uitschakelt en de verdere uitvoering van de inbraak. De verdachten zijn door verschillende verbalisanten herkend aan de hand van camerabeelden die zijn gemaakt op de plaats delict. In eerste aanleg en in hoger beroep is de betrouwbaarheid van die herkenningen door de verdediging betwist. Daarbij werd door de verdediging onder meer gewezen op de wijze van verslaglegging. Over de wijze waarop de herkenningen zijn georganiseerd is de desbetreffende teamleider van de politie gehoord. Het verzoek tot het horen van de afzonderlijke verbalisanten, onder wie [verbalisant 1] en [verbalisant 2], is afgewezen op de hiervoor geciteerde gronden.

7. Bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van de afzonderlijke verbalisanten is door de rechtbank – en in navolging daarvan door het hof - voorop gesteld dat het in dezen (telkens) gaat om een herkenning van een voor de verbalisant bekend gezicht. Voorts is vastgesteld dat er door meerdere verbalisanten herkenningen zijn verricht, zodat deze herkenningen elkaar ondersteunen. Daarnaast is van belang geacht dat de herkenningen zijn gedaan door politiemensen met, zo begrijp ik de gedachtegang, de daarbij behorende relevante opleiding en ervaring. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat in opdracht van de rechtbank verbalisanten nadere processen-verbaal omtrent de beeldherkenning hebben opgemaakt en de teamleider van het onderzoek is gehoord over de procedure ten aanzien van de herkenning en de wijze van verslaglegging daarvan. Tevens heeft het hof van belang geacht dat de processen-verbaal van beeldherkenning op ambtseed zijn opgemaakt en dat deze op zichzelf geen reden geven tot twijfel omtrent de juistheid van hetgeen daarin is weergegeven. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, acht het hof het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet noodzakelijk.

8. Het in het middel bedoelde verzoek is een verzoek op de voet van artt. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv en art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.3 Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek dan ook de juiste maatstaf gehanteerd, hetgeen door de steller van het middel ook niet wordt bestreden. In cassatie resteert de vraag of het oordeel van het hof dat het horen van de door de raadsman genoemde getuigen niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

9. Het oordeel van het hof dat de noodzaak van het horen van de verbalisanten niet is gebleken, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging de verbalisanten kennelijk mede wilde horen over de procedure van herkenning. Daarover is teamleider [verbalisant 3] uitvoerig bij de rechter-commissaris gehoord. Deze heeft verklaard over de wijze waarop de herkenningen zijn georganiseerd, hoe deze hebben plaatsgevonden en hoe verslaglegging daarvan in het algemeen plaatsvindt. De raadsman is ook in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. Tevens hebben de verbalisanten aanvullend gerelateerd over hun specifieke situatie, hoe de herkenning heeft plaatsgevonden, op grond waarvan zij tot herkenning zijn gekomen en hoe zij de verdachte(n) reeds eerder kenden. De verrichte nadere onderzoekshandelingen hebben daarmee mede informatie opgeleverd over de door de verdediging verlangde context-informatie en hoe de verbalisanten de verdachten kenden en waarvan. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof is vooruitgelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft niets overwogen dat erop duidt dat het is vooruitgelopen op enige getuigenverklaring. In de overweging van het hof ligt besloten dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en dat hem dus de noodzaak van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.4

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het doen verrichten van een gezichtsvergelijkend onderzoek.

12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2013 blijkt dat de raadsman aldaar het volgende heeft verzocht:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik heb dan een nader verzoek. Zojuist heb ik kort met cliënt gesproken. De beelden of in ieder geval de foto’s zitten in het dossier. Mijn cliënt ontkent dat hij op de beelden te zien is. Hij ontkent het feit. Er is kennelijk sprake van een vergissing met een andere persoon. Nu doet zich de mogelijkheid voor om gezichtsvergelijkend onderzoek te doen laten plaatsvinden. Dat maakt het NFI mogelijk. Hoe dat in details gaat moet ik u schuldig blijven, maar het is mogelijk om aan de hand van de oor- en neusstand gezichten te vergelijken. Ter ontlasting wil mijn cliënt een gezichtsvergelijkend onderzoek door het NFI.
Dat verzoek kan eventueel achterwege blijven als het hof dadelijk de foto’s zal bekijken en ter terechtzitting haar eigen waarneming kenbaar maakt, bijvoorbeeld dat op de foto’s geen gezicht te zien is of dat de foto’s voldoende duidelijk zijn. De vraag blijft echter of het gezicht of gelaat van mijn cliënt te zien is op de foto’s en ook de karakteristieken en/of kenmerken van zijn gezicht.
(…)
Ik vergeet nog iets. Ik heb hier een rapportage van Van Koppen. Daarin gaat Van Koppen in op de mogelijkheid van elektronische gezichtsherkenning als remedie.”

13. Het verzoek is ter terechtzitting van 22 november 2013 gehandhaafd. In het bestreden arrest heeft het hof, in aansluiting op hetgeen onder 5 is weergegeven, als volgt op het desbetreffende verzoek beslist:


“Met betrekking tot het verzoek om een gezichtsvergelijkend onderzoek overweegt het hof als volgt. De opgemaakte processen-verbaal betreffende de beeldherkenning geven geen reden tot twijfel. Het hof acht het verrichten van een gezichtsvergelijkend onderzoek niet noodzakelijk en wijst het verzoek daartoe dan ook af.”

14. Het in het middel bedoelde verzoek is een verzoek op de voet van artt. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv en art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.5 Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek dan ook de juiste maatstaf gehanteerd, hetgeen door de steller van het middel ook niet wordt bestreden. In cassatie resteert de vraag of het oordeel van het hof dat het horen van de door de raadsman genoemde getuigen niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Daarbij stel ik voorop dat de begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

15. In de overweging van het hof ligt besloten dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en dat hem dus de noodzaak van het gevraagde verhoor niet is gebleken. De beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van een getuige-deskundige op het gebied van stemvergelijking acht ik, in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, niet onbegrijpelijk, terwijl het hof niet tot een nadere motivering was gehouden. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat uit de jurisprudentie blijkt dat bij stemherkenning geen speciale kennis of kunde vereist is en stemherkenningen door bijvoorbeeld verbalisanten mededelingen betreffen aangaande eigen waarneming en ondervinding. De (jurisprudentiële) eisen die worden gesteld voor gevallen waarin de betrouwbaarheid van een methode van deskundigenbewijs wordt aangevallen gelden bij stemherkenningen niet.6 Daaraan voeg ik nog toe dat, zoals bij de bespreking van het eerste middel is toegelicht, reeds nader onderzoek was gedaan naar de wijze waarop de herkenningen hadden plaatsgevonden.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel keert zich tegen de motivering van de bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie.

18. Het hof heeft de hierna volgende overwegingen van de rechtbank tot de zijne gemaakt7:

“Feit 4: Criminele organisatie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 4 heeft begaan en heeft hierbij gelet op het volgende.

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, welke tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Samenwerkingsverband en structuur
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de misdrijven die binnen het onderzoek[…] zijn onderzocht, gepleegd door een groep van kennelijk goed op elkaar ingespeelde personen die in wisselende samenstellingen deelnemen aan het plegen van die misdrijven. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een samenwerkingsverband. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar hetgeen hierboven onder het kopje "modus operandi" is opgemerkt. Uit de modus operandi blijkt immers dat de inbraken en de pogingen daartoe telkens in nauwe samenwerking tussen de verschillende daarbij betrokken deelnemers worden voorbereid en uitgevoerd. Enkele van deze deelnemers zijn betrokken bij een groot aantal van de door het samenwerkingsverband gepleegde misdrijven en vormen aldus de harde kern. Daarnaast zijn er deelnemers die bij één of enkele misdrijven, gepleegd door dit samenwerkingsverband, betrokken zijn. Gezien het feit dat bij meerdere van deze misdrijven een of meer dezelfde deelnemers betrokken zijn, kan gesteld worden dat het samenwerkingsverband een zekere structuur heeft. Uit het onderzoek blijkt ook dat indien deelnemers aan de uitvoering van een (poging) inbraak zijn verhinderd ([…]), er een beroep op anderen gedaan kan worden die de taken dan overnemen.

Zekere duurzaamheid
Blijkens de respectieve zaaksdossiers dateert het eerste in bedoelde samenwerkingsverband gepleegde feit van medio augustus 2011, en het laatste van begin februari 2012. Het samenwerkingsverband is derhalve ongeveer een half jaar actief geweest, waarmee naar het oordeel van de rechtbank eveneens is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een zekere duurzaamheid.

Oogmerk
Dat het oogmerk van het samenwerkingsverband het plegen van diefstallen door middel van braak/verbreking/insluiping is behoeft geen betoog, nu aan dat oogmerk blijkens de respectieve zaaksdossiers veelvuldig uitvoering is gegeven. Voor wat betreft het verwijt dat er tevens sprake was van het oogmerk tot het plegen van het misdrijf van witwassen, merkt de rechtbank het volgende op. Bij meerdere voltooide inbraken is (een aanzienlijke) buit gemaakt. Bij geen van de in het onderzoek […] betrokken verdachten is echter enige traceerbare buit aangetroffen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan dan dat de door (de leden van) het samenwerkingsverband gemaakte buit door (een of meerderen van) hen is witgewassen.

Deelname
Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel in de criminele activiteiten daarvan heeft, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het doel van het samenwerkingsverband. Vereist is bovendien dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet dat het samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het feit dat een persoon aantoonbaar betrokken is bij één of meerdere door de organisatie gepleegde misdrijven -die zich kenmerken door een hoge mate van coördinatie en samenwerking bij de uitvoering- voort, dat deze persoon als deelnemer aan de organisatie kan worden aangemerkt. Hij heeft dan immers actief aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie bijgedragen. Uit die actieve bijdrage vloeit eveneens voort dat hij op de hoogte is van het oogmerk van de organisatie, temeer nu ten aanzien van elk van de verdachten die deelneming aan de criminele organisatie wordt verweten de betrokkenheid bij méérdere gepleegde feiten bewezen is verklaard.

Voor verdachte geldt dat de rechtbank ten aanzien van hem wettig en overtuigend bewezen acht: dat hij heeft deelgenomen aan twee binnen het criminele samenwerkingsverband gepleegde misdrijven. Derhalve heeft hij samen met anderen deelgenomen aan een criminele organisatie. Gelet op voornoemde data waarbinnen het samenwerkingsverband actief is geweest, komt de rechtbank ten aanzien van verdachte tot een bewezenverklaring van de hem ten laste gelegde periode. In de verfeitelijking van de ten laste gelegde deelname aan de criminele organisatie staan de namen genoemd van andere deelnemers aan die organisatie. De rechtbank zal die namen in de bewezenverklaring overnemen voor zover de rechtbank thans ten aanzien van die andere deelnemer(s) één of meerdere binnen het verband van de organisatie gepleegde misdrijven bewezen acht. Daartoe verwijst de rechtbank tevens naar het in de zaken van deze verdachte(n) heden gewezen vonnis.”

19. De steller van het middel voert aan dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof zou erop neerkomen dat van deelname aan een criminele organisatie reeds sprake is op het moment dat een verdachte één of meer misdrijven heeft gepleegd dan wel gepoogd heeft te plegen welke vielen onder het oogmerk van de organisatie. Die conclusie deel ik niet. Weliswaar is overwogen dat uit het feit dat een persoon aantoonbaar betrokken is bij één of meer door de organisatie gepleegde misdrijven voortvloeit dat de persoon als deelnemer kan worden aangemerkt, maar de steller van het middel laat achterwege te vermelden dat daarbij tevens is betrokken dat het gaat om misdrijven die zich kenmerken door een hoge mate van coördinatie en samenwerking bij de uitvoering. Voorts is overwogen dat de misdrijven zijn gepleegd door kennelijk goed op elkaar ingespeelde personen, waarbij sprake was van een samenwerkingsverband. Het oordeel van het hof getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting.

20. Gelet op de door het hof vastgestelde betrokkenheid van de verdachte aan twee van de binnen dit samenwerkingsverband gepleegde misdrijven, is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte tot dit samenwerkingsverband behoorde en een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk van de organisatie niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Het middel is daarmee tevergeefs voorgesteld.

21. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

2 Ik verwijs voorts naar de samenhangende zaken met de nummers 13/01880, 13/02441P, 13/02439, 13/02509, 13/0295P en 13/03305P, waarin mijn ambtgenoot Hofstee concludeerde.

3 Vgl. o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.

4 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.

5 Vgl. o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.

6 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:1339 (ECLI:NL:PHR:2013:928), alsmede de conclusie voor HR 24 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1518 (ECLI:NL:PHR:2004:AP1518) en de daar genoemde jurisprudentie. In beide zaken deed de Hoge Raad de betreffende middelen af met de aan art. 81 RO ontleende overweging.

7 De voetnoten zijn weggelaten.