Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2170

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
13/06220
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3420, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/06220

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 3 december 2013 de verdachte wegens - kort weergegeven - een tweetal gekwalificeerde diefstallen en een viertal pogingen daartoe, alsmede wegens deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring van een aantal in beslag genomen voorwerpen bevolen en is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

2. Deze zaak hangt samen met de eveneens op de verdachte betrekking hebbende zaak met nummer 13/06219 P, alsmede met de zaken tegen [betrokkene 2] (13/06283 en 13/06286 P), [betrokkene 3] (13/06289 en 14/00850 P), [betrokkene 5] (14/00855 P) en [betrokkene 4] (14/00860), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van een getuige-deskundige.

5. De tijdig ingekomen appelschriftuur als bedoeld in art. 410 Sv houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Grieven

2. Cliënt kan zich niet verenigen met de afwijzing van de ter terechtzittingen door de verdediging gedane verzoeken, zoals verwoord bij brief van de raadsman van 9 juli 2012, kortweg strekkende tot getuigenverhoor van verbalisanten die gerelateerd hebben over (vermeende) herkenningen van cliënt op camerabeelden en (vermeende) herkenningen van de stem van cliënt in telefoontaps, het verzoek tot verhoor van KMar verbalisanten, alsmede het verzoek strekkende tot verhoor een getuigendeskundige, zoals dhr. Broeders van TMFI.

(…)

Onderzoekswensen

(…)

14. Verzocht wordt om verhoor van deskundige op het gebied van stemvergelijking (bijvoorbeeld dhr. Broeders van TMFI te Maastricht) die, naar aanleiding van verhoor van de verbalisanten, zich kan inlezen in het dossier, althans kennis zal nemen van die processen-verbaal waarin gesteld wordt dat tot stemherkenning van de stemmen van de verdachten (waaronder cliënt) wordt gekomen in de aan cliënt verweten zaaksdossiers, alsmede de processen-verbaal van verhoor van verbalisanten - indien u mijn daartoe strekkende verzoeken zou honoreren) en zich tijdens verhoor zal uitlaten over de door de verbalisanten toe te passen methode van stemvergelijking, welke werkwijze toepassing van die methode met zich meebrengt, of die methode in casu op correcte wijze is toegepast en, zo nee, wat de validiteit en betrouwbaarheid is van de door verbalisanten gehanteerde methode is (en of de validiteit en bewijswaarde van de gehanteerde methode überhaupt kan worden vastgesteld).

Tevens kan de deskundige zich uitlaten over voor stemvergelijking relevant vergelijkingsmateriaal en onder welke omstandigheden dat materiaal dient te zijn verkregen (stelling van de verdediging is dat die omstandigheden gelijk dienen te zijn). In dit verband kan de getuige-deskundige zich uitlaten over de bewijswaarde van het vergelijken van geluidsmateriaal (tapgesprek) met de herinnering aan een stem wegens contact met een persoon in het verleden en of dit een betrouwbare vergelijkingsmethode is, waarvan de validiteit is vastgesteld.

Er bestaat verdedigingsbelang bij verhoor van deze getuige(-deskundige) doordat de gestelde stemherkenningen door het Hof als bewijs tegen cliënt gebruikt kunnen worden, ook in die zin dat de gestelde stemherkenningen nader bewijs tegen cliënt kunnen vormen, doordat een bepaald 06-nummer aan cliënt wordt toegedicht en de daarmee samenhangende paallocaties als bewijs tegen cliënt kunnen worden gebruikt. Bovendien meen ik dat niet blijkt dat verbalisanten de voor stemvergelijking geëigende methode hebben toegepast op een correcte wijze, niet blijkt dat verbalisanten deskundig zijn in toepassing van de geëigende methode van stemvergelijking, er geen sprake is geweest van blind onderzoek en het vergelijkingsmateriaal niet geschikt is voor stemvergelijking. Er bestaat verdedigingsbelang om de deskundige hierover te laten verhoren.”

6. Bij brief van 28 januari 2013 heeft de advocaat-generaal bij het hof zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging in de appelschriftuur kenbaar gemaakte onderzoekswensen moeten worden afgewezen.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

(…)

Met betrekking tot de overige verzoeken uit mijn appelschriftuur persisteer ik wel. Ik herhaal het verzoek om een deskundige te benoemen die zal rapporteren over de wijze waarop de stemherkenningen tot stand zijn gekomen en of dat proces is verricht aan de hand van een valide methode die tot een betrouwbaar resultaat kan leiden. Mijn voorkeur gaat daarbij uit naar deskundige Broeders, maar iemand van het NFI kan daarvoor ook aangewezen zijn. Ik verzoek het hof daarom de behandeling van de zaak te schorsen.

(…)

Met betrekking tot het doen van onderzoek door een deskundige naar de wijze waarop de stemherkenningen tot stand zijn gekomen overweegt het hof als volgt. Van een “methode” tot stemvergelijking is geen sprake. Dezelfde verbalisanten beluisteren telkens dezelfde taplijnen en horen dat deze lijn telkens door dezelfde persoon wordt gebruikt. De daarover opgemaakte processen-verbaal geven geen reden tot twijfel. Het hof acht het doen van onderzoek door een deskundige niet noodzakelijk.”

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2013 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“39. (…) alsmede herhaal ik het verzoek tot verhoor van getuige-deskundige Broeders, van TMFI, teneinde hem te kunnen horen over de in casu, zoals uit de stukken blijkt en zoals uit het verhoor bij de RC van verbalisant [verbalisant] blijkt, gehanteerde methode om tot stemherkenning te komen. In dat verband wordt bij deze betwist dat sprake is geweest van een betrouwbare en valide werkwijze en methode. Verhoor van Broeders als getuige-deskundige zal bijdragen aan het verkrijgen van duidelijkheid over de betrouwbaarheid (en daarmee bewijswaarde) van de gestelde stemherkenningen.”

9. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ook het verzoek tot het horen van deskundige Broeders wordt afgewezen. Van een ‘methode’ tot stemvergelijking is geen sprake. Dezelfde verbalisanten beluisteren telkens dezelfde taplijnen en horen dat deze lijn telkens door dezelfde persoon wordt gebruikt. Uit de inhoud van het dossier blijkt voorts dat vervolgens na onderzoek de stem van die persoon wordt gekoppeld aan de door die persoon gebruikte telefoon en zo - kort gezegd - een naam wordt gelinkt/verbonden aan de telefoon. De daarover opgemaakte processen-verbaal geven geen reden tot twijfel. Het hof acht onderzoek van de deskundige Broeders niet noodzakelijk.”

10. Het komt in deze zaak aan op de uitleg van de namens de verdediging gedane verzoeken. Die uitleg is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts in beperkte mate, op zijn begrijpelijkheid, worden getoetst.1

11. Kennelijk heeft het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 17 mei 2013 naar voren is gebracht opgevat als een herhaling en precisering van het in de appelschriftuur gedane verzoek om inschakeling van een deskundige. Tegen die uitleg kan worden aangevoerd dat in de appelschriftuur wordt verzocht de betrokken (getuige-)deskundige te horen, terwijl ter terechtzitting van 17 mei 2013 wordt verzocht “een deskundige te benoemen die zal rapporteren”. Ondanks dit verschil, acht ik de kennelijke uitleg van het verzoek als een verzoek tot het benoemen van een deskundige die onderzoek zal doen naar en zal rapporteren over de wijze waarop de stemherkenningen tot stand zijn gekomen niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 17 mei 2013 ten aanzien van de overige verzoeken uit de appelschriftuur, waaronder het hiervoor onder 5 geciteerde verzoek, opgemerkt daarbij te persisteren. In dat verband heeft hij voorts het verzoek herhaald “een deskundige te benoemen die zal rapporteren”. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat het ging om één en hetzelfde verzoek dat in de kern ertoe strekt dat een deskundigenonderzoek wordt geëntameerd. Voor die uitleg pleit niet alleen dat de raadsman spreekt over het persisteren bij en het herhalen van het verzoek, maar ook dat wordt verzocht om dezelfde deskundige (prof. Broeders). Ook de onderzoeksopdracht correspondeert, te weten de wijze waarop de stemherkenning heeft plaatsgevonden en de validiteit van de methode en de betrouwbaarheid van de daarmee bereikte resultaten. Onder die omstandigheden is de kennelijke uitleg van het verzoek zoals dat centraal stond in de appelschriftuur en zoals dat ter zitting van 17 mei 2013 is herhaald en toegelicht door het hof niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat sprake is van een verzoek als bedoeld in de artikelen 328 en 331 Sv, in verbinding met art. 330 Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid, tweede volzin, dan wel de in art. 316 Sv (in verbinding met art. 420 Sv) omschreven bevoegdheid. De maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken.2

12. Aldus bezien, heeft het hof tevens het eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2013 gedane verzoek tot het horen van prof. Broeders als getuige-deskundige kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een nieuw verzoek. In deze uitleg gaat het om een verzoek op de voet van de artikelen 328 en 331, eerste lid, in verbinding met art. 315 Sv en art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken.3 Aldus heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd, terwijl diens oordeel dat het onderzoek niet noodzakelijk is niet onbegrijpelijk is.

13. Ten overvloede wijs ik op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 onder rechtsoverweging 2.75, 2.76 en 2.77 heeft overwogen:

“2.75. In dit verband moet worden gewezen op het in 2012 in werking getreden art. 80a RO en de betekenis van deze bepaling voor de reikwijdte van het onderzoek in cassatie ten aanzien van de hiervoor bedoelde beslissingen. In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo mag in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen. Voorts levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.

2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.”

14. Het bovenstaande brengt met zich dat zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat de raadsman van de verdachte heeft gepersisteerd bij zijn bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van een deskundige op het gebied van stemvergelijking, het middel niet tot cassatie kan leiden. Zo is door de steller daarvan in de cassatieschriftuur niet toegelicht waarom op de terechtzitting van 17 mei 2013 of op de terechtzitting van 19 november 2013 niet erover is geklaagd dat het hof (nog) niet op het verzoek tot het horen van een deskundige op het gebied van stemvergelijking had beslist, terwijl voorts niet is toegelicht welk – rechtens te respecteren – belang de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak heeft. Daarbij merk ik op dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen van een getuige-deskundige op het gebied van stemvergelijking in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen geenszins onbegrijpelijk is. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat uit de jurisprudentie blijkt dat bij stemherkenning geen speciale kennis of kunde vereist is en stemherkenningen door bijvoorbeeld verbalisanten mededelingen betreffen aangaande eigen waarneming en ondervinding. De (jurisprudentiële) eisen die worden gesteld voor gevallen waarin de betrouwbaarheid van een methode van deskundigenbewijs wordt aangevallen gelden bij stemherkenningen niet.4

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in algemene zin A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, Deventer: 2012, hoofdstuk 5.5 en ten aanzien van verweren par. 7.1.2. Zie ook HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3252, HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6731 en HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4978.

2 Zie B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 12e druk, Deventer: 2010, p. 449 en HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2966, rov. 3.3.1.

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.61.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:1339 (ECLI:NL:PHR:2013:928), alsmede de conclusie voor HR 24 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1518 (ECLI:NL:PHR:2004:AP1518) en de daar genoemde jurisprudentie. In beide zaken deed de Hoge Raad de betreffende middelen af met de aan art. 81 RO ontleende overweging.