Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13/05731
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3413, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak vanwege deelname raadsman van verdachte aan landelijke staking van strafrechtadvocaten. HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt. Het Hof heeft kennelijk alleen een afweging gemaakt tussen het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, terwijl het niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze. Daarom is ’s Hofs afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05731

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 november 2013 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2013, waarbij de verdachte wegens “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod, meermalen gepleegd” op tegenspraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft de politierechter de proeftijd met een jaar verlengd en naast de reeds geldende voorwaarden bijzondere voorwaarden gesteld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof het aanhoudingsverzoek van de niet gemachtigde raadsman van de verdachte (mr. Van Gijssel), waarin is aangevoerd dat de verdachte wenst te worden bijgestaan door zijn eigen raadsman (mr. Nillesen) die in verband met een advocatenstaking is verhinderd ter terechtzitting te verschijnen, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. De achtergrond van de zaak is de volgende. Op 11 november 2013 vond een staking plaats van (onder meer) strafrechtadvocaten. De aanleiding van de staking was gelegen in de voorgenomen (bezuinings)maatregelen van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op het terrein van de gefinancierde rechtsbijstand. De staking werd gesteund door de Orde van Advocaten, de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten en de Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten. Tevoren is door “de strafrechtadvocatuur” aan de rechtbanken en hoven te kennen gegeven dat deze ten gevolge van de staking aanhoudingsverzoeken te verwerken krijgen die betrekking hebben op de zittingen die voor 11 november 2013 staan gepland. Tevens is aan de gerechtsbesturen verzocht erop aan te dringen de aanhoudingsverzoeken in te willigen en te ondersteunen. De Orde van Advocaten heeft tevoren aangegeven dat de rechtzoekenden niet de dupe van de staking mogen worden en dat de advocaten hierin een eigen verantwoordelijkheid hebben.1 In antwoord op de berichtgeving over de voorgenomen staking, is op 7 november 2011 een bericht op rechtspraak.nl gepubliceerd, waarin wordt aangegeven dat rechters eventuele verzoeken om aanhouding op de gebruikelijke manier zullen behandelen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van “de Rechtspraak” bij het bewaken van de voortgang van strafprocessen, zal de rechter de in het geding zijnde belangen moeten afwegen. In het bericht wordt erop gewezen dat het kan voorkomen dat de rechter een verzoek om aanhouding afwijst en dat het niet mogelijk is in algemene zin aan te geven of zaken wel of niet doorgaan, omdat de belangen en afwegingen bij elke zaak anders zijn.2

5. In een bericht op rechtspraak.nl van 11 november 2013 wordt geïnventariseerd welke gevolgen de staking heeft gehad voor de voortgang van de strafzaken waarvan de behandeling op die dag was bepaald. Daarin wordt geconcludeerd dat tientallen aanhoudingsverzoeken zijn ingediend die “voor een flink deel” zijn toegewezen. Andere zaken gingen door, omdat de rechter in die gevallen de belangen bij het doorgaan van de berechting zwaarder vond wegen dan de vertegenwoordiging van de verdachte door een advocaat. Uit de inventarisatie kan worden afgeleid dat een grote meerderheid van de aanhoudingsverzoeken is toegewezen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde zich van de onderzochte gerechten in dit opzicht het meest terughoudend: van de zes op dat moment bekende verzoeken om aanhouding bleek er één te zijn toegewezen, terwijl de behandeling in de overige vijf gevallen doorgang vond.3

6. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De verdachte is op de terechtzitting in eerste aanleg van 13 juni 2013 samen met zijn raadsman (mr. A.S. van der Biezen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch) verschenen. De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte op diezelfde datum veroordeeld wegens - kort gezegd - overtreding van een door de burgemeester opgelegd huisverbod.

(ii) Op 26 juni 2013 heeft mr. Van der Biezen namens de verdachte hoger beroep doen instellen tegen het vonnis van de politierechter.

(iii) Bij faxberichten van 18 juli 2013 en 5 augustus 2013, gericht aan de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zich gesteld als raadsman van de verdachte.

(iv) Bij faxbericht van 6 november 2013, gericht aan de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft mr. Nillesen verzocht de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte aan te houden, aangezien de raadsman de aangekondigde staking van de strafrechtadvocatuur op 11 november 2013 ondersteunt en ook zelf staakt. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit aanhoudingsverzoek het volgende aangevoerd. De staking is een reactie op de aangekondigde bezuinigingsvoorstellen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Door de advocatuur wordt gebruik gemaakt van het stakingsrecht zoals dat is neergelegd in art. 6, vierde lid, Europees Sociaal Handvest (ESH), welk recht slechts mag worden beperkt wanneer de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het voortzetten van de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte zou het stakingsrecht van zijn raadsman beperken en daarmee in strijd zijn met het ESH. Bovendien vloeit uit art. 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM, waarin onder meer het recht van de verdachte op bijstand van een raadsman naar eigen keuze is neergelegd, de verplichting voort het aanhoudingsverzoek te honoreren, nu de verdachte heeft aangegeven ter zitting bijstand te willen van mr. Nillesen.

(v) Bij brief van 7 november 2013, gericht aan de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft mr. Nillesen in aanvulling op het aanhoudingsverzoek een brief van de Nederlandse Vereniging van Jonge Strafrechtadvocaten betreffende de noodzaak van de staking ingezonden.

(vi) Een medewerker van de strafgriffie van het hof heeft bij e-mailbericht van 7 november 2013, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, bericht dat het aanhoudingsverzoek ter zitting zal worden behandeld “in verband met het oordeel van de voorzitter dat het belang van de verdachten, benadeelde partijen en slachtoffers voor gaat t.o.v. de situatie rondom de staking” en dat de voorzitter van het hof heeft aangegeven dat de zaak om deze reden gewoon door moet gaan.

(vii) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2013, is de verdachte zelf niet verschenen maar is ter terechtzitting wel aanwezig mr. K. van Gijssel, advocaat te ’s-Hertogenbosch (een kantoorgenoot van mr. Nillesen), die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

(viii) Het proces-verbaal houdt ten aanzien van het door de niet gemachtigde raadsman4 gehandhaafde aanhoudingsverzoek het volgende in:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

lk blijf bij het eerder gedane verzoek tot aanhouding. Ik heb cliënt zojuist gesproken, hij wenst bijgestaan te worden door mr Nillesen. Cliënt staat op dit moment op station Ede-Wageningen, hij had vertraging met de trein. Hij wilde wel komen om toe te lichten waarom hij mr Nillesen wil. Ik ben ook niet gemachtigd om namens cliënt het woord te voeren. Ik ben alleen gemachtigd om een verzoek tot aanhouding te doen. In vele zaken zijn de aanhoudingsverzoeken wel gehonoreerd, ook in Arnhem. Op het moment dat we hier staan kunnen we niet staken. Ook advocaten hebben het recht om te kunnen staken. Cliënt wilde wel aanwezig zijn, ik ben benieuwd of hij nog steeds op het station staat. Ik heb hem telefonisch gesproken. Hij wil zelf ook toelichten waarom hij het eens is met de staking.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

In dit geval zijn er naast het belang van de staking ook andere belangen. Tot enige tijd geleden waren er ernstige storingen in het treinverkeer. Ik moet de raadsman op zijn woord geloven als hij zegt dat de verdachte op het station staat en naar de zitting wil komen. Nu verdachte duidelijk aangeeft dat hij er bij wil zijn, zijn er naar mijn mening redenen die buiten de verdachte liggen die maken dat hij er niet kan zijn. Ik kan mij dus vinden in een aanhouding van de zaak.

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Cliënt heeft een vrije advocatenkeuze, het is van belang dat hij wordt vertegenwoordigd door een advocaat met wie hij een vertrouwensband heeft opgebouwd.”

(ix) Het hof heeft het aanhoudingsverzoek op die terechtzitting afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede dat er meerdere belangen zijn die tegen elkaar moeten worden afgewogen, waaronder het belang van de raadsman om te staken en het belang van een voortvarende berechting van de zaak. In dit geval prevaleert het belang van een voortvarende afdoening. De verdachte heeft gevraagd om te worden bijgestaan door zijn eigen raadsman. De keuze van mr Nillesen om te staken wordt gerespecteerd, maar dit mag niet ten nadele gaan van de voortgang van de berechting van deze zaak. Nu de raadsman heeft medegedeeld, dat verdachte onderweg is naar het hof om te verschijnen, schorst het hof de behandeling van de zaak tot 12.00 uur. Het hof gaat er vanuit dat verdachte alsdan voldoende tijd heeft gehad om te alsnog ter zitting aanwezig te zijn.

(x) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting, heeft het hof de behandeling van de zaak vervolgens om 12:00 uur hervat en verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, nadat de bode heeft medegedeeld dat de verdachte en mr. Van Gijssel niet zijn verschenen. Daarna heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden en is het onderzoek gesloten. Het hof heeft op 11 november 2013 uitspraak gedaan, waarbij de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, dat de verdachte evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en dat het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

(xi) Bij faxbericht van 13 november 2013 (om 17:14 uur), gericht aan de voorzitter van het hof, heeft mr. Van Gijssel het hof verzocht de afwijzing van het aanhoudingsverzoek te heroverwegen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Kort vóór de terechtzitting (die niet om 10:00 uur maar pas rond 11:00 uur zou hebben plaatsgevonden) heeft mr. Van Gijssel van de verdachte vernomen dat hij onderweg was om zijn zitting bij te wonen maar dat hij nog op het station Ede-Wageningen stond, aangezien de treinen niet reden. Na controle door de advocaat-generaal is gebleken dat er inderdaad ongeregeldheden in het treinverkeer waren. Nadat het hof had besloten de zaak tot 12:00 uur aan te houden, heeft mr. Van Gijssel geprobeerd dit door te geven aan de verdachte maar hij heeft hem niet kunnen bereiken. Voorts had mr. Van Gijssel aansluitend op de zitting van de verdachte een andere zitting, zodat hij niet aanwezig kon zijn op de terechtzitting van 12:00 uur, zelfs als de verdachte hem alsnog zou hebben gemachtigd om voor hem ter zitting op te treden.

7. Het bij faxbericht van 6 november 2013 gedane, bij brief van 7 november 2013 aangevulde en op de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2013 gehandhaafde verzoek van mr. Nillesen en mr. Van Gijssel tot aanhouding van de zaak, is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

8. In de hiervoor onder 6 sub ix weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen, omdat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. Aldus heeft het hof in zoverre de juiste maatstaf toegepast.5

9. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.6

10. Voorts heeft een ieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit ingevolge art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM het recht zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Het recht op vrije keuze van een raadsman is echter niet absoluut, aangezien dit recht moet concurreren met het belang van een behoorlijke rechtspleging die gebaat is bij een zekere voortvarendheid.7

11. In het middel wordt het stakingsrecht van de raadsman voorop gesteld. Door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek zou de raadsman ongerechtvaardigd in de uitoefening van zijn stakingsrecht zijn beperkt. Uit de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek volgt dat het hof het belang van de raadsman om te staken heeft afgezet tegen het belang van een voortvarende berechting / afdoening van de zaak. Het accent dat in de motivering van de afwijzing van het verzoek en in de schriftuur wordt gelegd op het aspect van de advocatenstaking roept de vraag op naar de betekenis van een mogelijk stakingsrecht van de raadsman voor de beslechting van het onderhavige geschil.

12. In geval het stakingsrecht centraal wordt gesteld, rijzen op zichzelf interessante vragen. Ingevolge art. 6, vierde lid, van deel II van het Europees Sociaal Handvest (Trb. 1962, 3 en Trb. 2004, 13 (herzien); ESH) hebben werknemers en werkgevers het recht op collectief optreden in geval van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Ook zelfstandigen kunnen zich in voorkomende gevallen op dit artikel beroepen.8 Op grond van art. G, eerste lid, van deel V van het ESH kan dit recht (buiten de in deel II vermelde gevallen) geen beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de krachtens het ESH geoorloofde beperkingen op de daarin vermelde rechten en verplichtingen uitsluitend kunnen worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.9 Het recht op een collectieve actie, waaronder het recht om te staken, is een erkend recht waarop werknemers (en werkgevers) zich zonder meer kunnen beroepen en maakt derhalve deel uit van het positieve recht.10 Ook in geval een staking zich in materiële zin niet richt tegen een werkgever, maar tegen de overheid teneinde invloed uit te oefenen op het overheidsbeleid, kan art. 6, vierde lid, ESH onder omstandigheden van toepassing zijn, al geldt de bescherming van deze bepaling niet voor acties van louter politieke aard.11 Toegespitst op de onderhavige zaak, kan de vraag worden gesteld of de staking van de advocaten tegen beleidsvoornemens van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie onder de bescherming van art. 6, vierde lid, ESH valt. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, rijzen de vervolgvragen of de raadsman door de beslissing van het hof in de uitoefening van dit recht is beperkt en, zo ja, of de beperking daarvan voldoet aan de voorwaarden van art. G, eerste lid, van deel V van het ESH.

13. Naar mijn mening hoeft Uw Raad in de voorliggende zaak aan de beantwoording van de in de vorige alinea gestelde vragen echter niet toe te komen. Het hof heeft het belang van een voortvarende berechting / afdoening van de zaak afgewogen tegen het belang van de raadsman om te staken. Het hof overweegt weliswaar het recht van de raadsman te staken te respecteren, maar voegt daaraan toe dat dit niet “ten nadele mag gaan van de voortgang van de berechting van deze zaak”. Het hof heeft aldus miskend dat niet het belang van de raadsman bij aanhouding centraal staat, maar de belangen van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht en ter terechtzitting in hoger beroep rechtsbijstand te krijgen van de raadsman van zijn keuze. Het gaat om een verzoek dat de raadsman deed namens en ten behoeve van zijn cliënt.12 In het aanhoudingsverzoek is expliciet opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting rechtsbijstand van zijn raadsman wilde, terwijl die wens ter zitting is bevestigd. Van een (ondubbelzinnige) afstand van rechtsbijstand is geen sprake.13 Volgens de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman had de verdachte juist ter zitting willen toelichten waarom hij rechtsbijstand van mr. Nillesen wilde en waarom hij de staking steunt, maar was hij door (door de advocaat-generaal bevestigde) treinstoringen niet zo ver gekomen. Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek dat in sterke mate samenhangt met het recht zich ter terechtzitting door de raadsman van de verdachte te laten bijstaan, zal het verdedigingsrecht in de afweging moeten worden betrokken.14 Nu het aanhoudingsverzoek tijdig is gedaan, vergt het nadere motivering waarom de verdachte volgens het hof kennelijk afstand moest doen van zijn recht zich te laten bijstaan door de raadsman van zijn keuze (art. 6, derde lid, onder c, EVRM). Van een situatie waarin het aan de verdachte zelf te wijten is dat hij niet van rechtsbijstand is voorzien, is niet gebleken.15 Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het hof zich van (deze aspecten van) het verdedigingsrecht rekenschap heeft gegeven.

14. Daarbij komt dat het hof slechts in algemene zin heeft verwezen naar het belang van een voortvarende berechting / afdoening van de zaak. Ook in dit opzicht schiet de motivering naar mijn mening tekort. Het hof preciseert niet op welk achterliggend belang wordt gedoeld, terwijl niet zonder meer begrijpelijk is waarom het algemeen geformuleerde belang van een voortvarende berechting / afdoening van de zaak in de onderhavige zaak dient te prevaleren. Daarbij neem ik in aanmerking dat in dezen sprake was van een berechting in hoger beroep ter zake van een feit dat nog geen acht maanden eerder zou zijn gepleegd.

15. Het oordeel van het hof is aldus ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aldus www.advocatenblad.nl/site/magazine/archief/nieuws/detail/20091869.html.

2 Zie www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Rechter-maakt-eigen-afweging-bij-staking-advocaten.aspx.

3 Zie www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/Rustig-en-ordelijk-verloop-staking-advocaten.aspx.

4 De raadsman, die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is volgens vaste rechtspraak (HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, NJ 2002/77 m.nt. Reijntjes, rov. 4.8) op de terechtzitting bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en tot het verzoeken van aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld.

5 Vgl. HR 4 januari 2011, nr. 09/00785 (niet gepubliceerd, art. 81 RO, middel 1), HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4179, rov. 2, HR 2 december 2003, nr. 00541/03 P (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448, rov. 4.3.

6 Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, rov. 2.6.2, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74, rov. 2.3, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641, rov. 2.5, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2.3, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6482, rov. 2.3, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.3, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken, rov. 2.3, HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1758, NJ 2005/416, rov. 3.3, HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 3.3, HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3, HR 26 januari 1999, NJ 1999/294, rov. 3.3, HR 16 januari 1990, NJ 1990/419, rov. 5.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 636-637.

7 Vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9125 (art. 81 RO, middel 2), HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, rov. 4 en HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3.

8 Zie nader: L. Tilstra, Grenzen aan het stakingsrecht, Deventer 1994, p. 184-185.

9 Vgl. voor de verhouding tussen het recht op collectief optreden en huisvredebreuk: HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352, NJ 2013/576 m.nt. Mevis.

10 Vgl. HR 28 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4618, NJ 2000/292 m.nt. Koopmans, rov. 3.3 (civiele kamer) en HR 30 mei 1986, NJ 1986/688 m.nt. Stein, rov. 3.2 (civiele kamer).

11 Vgl. HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688, m.nt. Stein. Zie ook Tilstra, a.w., p. 189-191 en L. de Meyer, Proportioneel stakingsrecht?, Antwerpen-Cambridge 2012, p. 33-35.

12 Zie ook HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011: BO4453), onder 11.

13 Vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4453, NJ 2011/142 m.nt. Schalken en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011: BO4453), onder 14.

14 Vgl. HR 8 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1172, NJ 1999/26, alsook Wöretshofer in T&C Sv, tiende druk, aant. 2 onder a bij art. 281 Sv.

15 Zoals het geval was in HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1366, NJ 1999/330 en HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177.