Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2130

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13/05817
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3378, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in h.b. Termijnoverschrijding verontschuldigbaar? HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN8587. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door verdachte en de raadsvrouwe een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van deze overweging. Mede gelet op de inhoud van de dagvaarding (als verdachte verschijnen en niet als slachtoffer) getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05817

Mr. Harteveld

Zitting 23 september 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 11 november 2013 niet in het namens haar ingestelde hoger beroep ontvangen. In eerste aanleg is zij op 5 november 2012 wegens bedreiging met zware mishandeling bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van de inverzekeringstelling zodat 58 uur taakstraf resteert.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt over 's Hofs beslissing dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

3.2. Aan de onderhavige zaak ligt een uit de hand gelopen ruzie tussen broer en zus ten grondslag, zo kan uit de stukken van het geding en het daarin op last van het Hof gevoegde strafdossier van verdachtes broer worden afgeleid. Beiden hadden letsel; verdachte een gebroken neus en haar broer tweedegraads brandwonden op zijn been. Beiden werden voor hun gedrag jegens de ander gedagvaard, op dezelfde dag voor dezelfde politierechter, met een kwartier verschil in moment van aanvang. Verdachte is bij verstek tot een taakstraf veroordeeld en haar broer is ter zake van mishandeling bij onherroepelijk vonnis van 5 november 2012 ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2013 houdt in:

"De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen op 20 augustus 2012 in persoon aan de verdachte is betekend. In de dagvaarding staat duidelijk vermeld dat zij wordt verdacht van een strafbaar feit en om die reden wordt opgeroepen voor de rechter te verschijnen op 5 november 2012 te 13:45 uur. De verdachte heeft bijna 2 maanden later twee brieven d.d. 11 oktober 2012 van het arrondissementsparket Rotterdam ontvangen; een brief van slachtofferzorg en een brief namens de officier van justitie. In één daarvan wordt haar medegedeeld dat haar broer is gedagvaard en op 5 november 2012 te 13:30 uur voor de rechter moet verschijnen, en dat zij - als zij dat wil - bij de betreffende zitting aanwezig mag zijn. In de andere wordt zij gewezen op haar rechten als slachtoffer in de strafzaak van haar broer. In die brief staat ook dat zij, als zij wil, bij de behandeling ter zitting aanwezig mag zijn. Het tijdstip om als verdachte te verschijnen (13.30 uur) verschilt van het tijdstip om als slachtoffer te verschijnen (13.45 uur).1

De raadsvrouw deelt mede dat in een brief aan cliënt staat vermeld dat zij aangifte heeft gedaan maar cliënt heeft nimmer aangifte gedaan.

De advocaat-generaal deelt mede dat geen sprake kan zijn van een misverstand. De verdachte is verhoord als verdachte. Daarna is de dagvaarding in persoon aan haar betekend. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep.

De raadsvrouw stelt dat de dagvaarding niet aan cliënt is betekend op het politiebureau maar thuis na haar bezoek aan het ziekenhuis. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het de verdachte niet te verwijten valt dat het appèl tardief is ingesteld. Gelet op de brieven die zij in haar hoedanigheid van slachtoffer in de strafzaak waarin haar broer verdachte was - welke strafzaak samenhing met de onderhavige strafzaak waarin zijzelf als verdachte was gedagvaard - is cliënte ervan uitgegaan dat zij slachtoffer was in de onderhavige strafzaak in plaats van verdachte. Vanuit deze misvatting heeft de verdachte naar Slachtofferhulp gebeld en gevraagd of het noodzakelijk was om ter terechtzitting te verschijnen. Zij kreeg te horen dat dit niet noodzakelijk was en is om die reden niet verschenen bij de behandeling van haar zaak in eerste aanleg. Toen verdachte hoorde dat ze - bij verstek - was veroordeeld, is direct namens haar hoger beroep ingesteld. De verwarrende correspondentie, de informatie van slachtofferhulp, de toetakeling door haar broer, zijn bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat het verdachte niet kan worden verweten dat zij te laat hoger beroep heeft ingesteld.

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Toen ik de dagvaarding ontving was ik in de war. Bovendien was ik net mishandeld door mijn broer en kwam ik net van het ziekenhuis toen ik de dagvaarding ontving. Ik zat er zo mee dat alles aan mij voorbij is gegaan. Ik voelde mij slachtoffer. Het was voor mij een familiedilemma. Achteraf heb ik pas het hele verhaal gehoord. Ik kon destijds helemaal niet weten dat ik verdachte was. Dat is in elk geval niet in mij opgekomen. Als ik had geweten dat ik als verdachte was gedagvaard, was ik wel verschenen. Ik was er op dat moment niet bij met mijn hoofd.”

3.4. Enkele maanden eerder kwam de ontvankelijkheid van verdachtes appèl al ter terechtzitting bij het Hof aan de orde, op 19 juli 2013. De zaak is toen voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde nader te onderzoeken of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Daartoe werd het procesdossier van verdachtes broer in het dossier gevoegd, opdat het Hof kennis kon nemen van de in die zaak aan verdachte toegezonden brieven. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2013 houdt als mededeling van de raadsvrouw kort gezegd in dat verdachte ervanuit ging dat zij slachtoffer in deze zaak was en dat zij Slachtofferhulp heeft gebeld met de vraag of het noodzakelijk was ter terechtzitting te verschijnen. Zij kreeg te horen van niet en is derhalve niet verschenen. Voorts houdt het proces-verbaal van die zitting als verklaring van verdachte op vragen in:

“Ik wist niet ik veroordeeld was. Ik moest ineens DNA afstaan. Ik heb de dagvaarding wel gelezen. Ik kwam toen echter net uit het ziekenhuis. Ik had een gebroken neus. Ik was daar dus meer mee bezig. Toen ik de brief las, dacht ik dat ik als getuige was opgeroepen.”

3.5. De bestreden uitspraak luidt als volgt:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte niet te verwijten valt dat het appèl tardief is ingesteld. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte, gelet op brieven die zij in haar hoedanigheid van slachtoffer in de strafzaak waarin haar broer verdachte was - welke strafzaak samenhing met de onderhavige strafzaak waarin zij zelf als verdachte was gedagvaard - ervan uit is gegaan dat zij slachtoffer was in de onderhavige strafzaak in plaats van verdachte. Vanuit deze misvatting heeft de verdachte naar Slachtofferhulp gebeld en gevraagd of het noodzakelijk was om ter terechtzitting te verschijnen. Zij kreeg te horen dat dit niet noodzakelijk was en is om die reden niet verschenen bij de behandeling van haar zaak in eerste aanleg. Toen verdachte hoorde dat ze - bij verstek - was veroordeeld, is direct namens haar hoger beroep ingesteld.

Het hof verwerpt het betoog van de verdediging en overweegt als volgt.

De dagvaarding is op 20 augustus 2012 in persoon aan de verdachte betekend. In de dagvaarding staat duidelijk vermeld dat zij wordt verdacht van een strafbaar feit en om die reden wordt opgeroepen voor de rechter te verschijnen op 5 november 2012 te 13:45 uur. De verdachte heeft bijna 2 maanden later twee brieven d.d. 11 oktober 2012 van de officier van justitie ontvangen. In één daarvan wordt haar medegedeeld dat haar broer is gedagvaard en op 5 november 2012 te 13:30 uur voor de rechter moet verschijnen, en dat zij - als zij dat wil - bij de betreffende zitting aanwezig mag zijn. In de andere wordt zij gewezen op haar rechten als aangeefster in de strafzaak van haar broer. In die brief staat ook dat zij, als zij wil, bij de behandeling ter zitting aanwezig mag zijn.

Het hof is van oordeel dat, gelet op

- de inhoud van de dagvaarding enerzijds en de genoemde brieven anderzijds,

- de tijd gelegen tussen het in persoon betekenen van de dagvaarding en het versturen van de beide brieven, en

- het gegeven dat er verschillende tijdstippen staan vermeld voor aanvang van de beide zittingen,

het voor de verdachte voldoende duidelijk moet zijn geweest dat zij èn als verdachte was gedagvaard èn als slachtoffer mocht verschijnen bij de behandeling van de strafzaak van haar broer. Daar komt bij dat zij als verdachte is gehoord door de politie in de onderhavige zaak. Dat zij op het moment dat de dagvaarding aan haar in persoon werd betekend in de war was, zoals zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af en levert ook geen verschoonbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep op. Zij had immers in een later stadium de dagvaarding opnieuw kunnen lezen en desgewenst advies kunnen inwinnen.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 5 november 2012 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 7 januari 2013 hoger beroep ingesteld, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

3.6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ingevuld grievenformulier van verdachte, op 14 januari 2013 bij de rechtbank Rotterdam ingekomen, houdende de redenen van het namens haar op 7 januari 2013 ingestelde hoger beroep. Daarin staat onder meer het volgende:

”Ik ben niet bij de zitting geweest, omdat:

ik niet wist dat ik als verdachte op een zitting moest verschijnen. Ik wist wel dat ik slachtoffer was in een strafzaak en had ook contact met Slachtofferhulp. Zij gaven aan dat ik niet hoefde te verschijnen op de zitting (waarin mijn broer verdachte was). Later bleken er 2 parketnr’s te zijn; één als verdachte en één als slachtoffer.

Ik had het volgende naar voren willen brengen:

Juist ik ben slachtoffer. Mijn broer heeft mij mishandeld. Ik heb zelf geen mishandeling gepleegd. Vanwege de familierelatie heb ik het heel erg moeilijk gehad met deze zaak.

Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:

aangezien ik mij niet schuldig acht. Ik ben serieus met opleiding en (toekomstig) werk bezig; ik heb geen strafblad en wens dit ook zeker niet. Ik voel mij “dubbel” benadeeld; mijn broer heeft mij mishandeld en zou ik een straf hebben. Dit voelt erg onrechtvaardig.”

3.7. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Het Hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding om op 5 november 2012 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen aan verdachte in persoon is uitgereikt en dus dat de dag van de terechtzitting van de politierechter de verdachte tevoren bekend was. Dat bracht mee dat ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 20 november 2012 was verstreken en volgens het Hof is het hoger beroep dat op 7 januari 2013 is ingesteld dus te laat ingesteld.

3.8. Overschrijding van de beroepstermijn heeft in het algemeen tot gevolg dat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. Dit gevolg kan hieraan uitsluitend niet worden verbonden indien er sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.2

3.9. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsvrouw een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin, met als resultaat de – thans bestreden – niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Een eerste opmerking hierbij is dat de door het Hof gekozen benadering, als we de fijne techniek erbij halen, wellicht niet helemaal strookt met de opbouw van de termijnenregeling voor het hoger beroep. De eigenlijke vraag is dunkt mij of, met inachtneming van de strekking van die regeling, de termijn voor het instellen van het hoger beroep inderdaad veertien dagen na de dag van de terechtzitting eindigde, of dat, gelet op de omstandigheden waaronder die betekening plaatsvond aangeknoopt had moeten worden bij een ander ‘beginmoment’ voor de beroepstermijn, te weten dat van art. 408 lid 2 Sv - derhalve een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan de verdachte bekend was. Dus: wás de termijn voor het hoger beroep al gaan lopen voordat de verdachte - achteraf - van het vonnis van de Politierechter op de hoogte raakte? Zo nee, dan heeft verdachte ‘gewoon’ tijdig hoger beroep ingesteld en is de kwestie van de al dan niet verschoonbare termijnoverschrijding niet aan de orde. Dan lijkt de onderhavige zaak meer op de gevallen, waarin bijvoorbeeld ten onrechte is aangenomen dat sprake was van een dagvaarding in persoon, zoals in HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912, NJ 2008/18. Daar had de verdachte geweigerd het stuk in ontvangst te nemen, maar het Hof stelde dat toch gelijk met een dagvaarding in persoon, omdat tenminste gepoogd was de dagvaarding uit te reiken. Dat klopt niet, aldus samengevat de Hoge Raad. In zulke gevallen laat zich de problematiek oplossen aan de hand van de technicité van de betekeningsregeling. Een iets andere vergelijking is die met gevallen waarin een oproeping voor de terechtzitting is uitgereikt aan een persoon die moeite heeft met de Nederlandse taal. In HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1607 was sprake van een Turks sprekende verdachte, maar het Hof had vastgesteld – althans zo verstond de Hoge Raad – dat de betrokkene de Nederlandse taal voldoende beheerste om te begrijpen dat hij werd gedagvaard voor de terechtzitting van een bepaalde datum. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte – nu sprake was van dagvaarding in persoon – binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep had moeten instellen getuigde vervolgens niet van een onjuiste rechtsopvatting. De onderliggende vraag was ook hier, als ik het goed zie, welke termijn gold voor het aanwenden van het rechtsmiddel.

3.10. De naar aanleiding van het voorgaande zich opdringende vraag is of dit fijnmazige onderscheid verschil maakt voor het beoordelingskader. Dat is als ik het goed zie niet het geval. In het in de vorige paragraaf als laatste genoemde arrest van de Hoge Raad stelde de Hoge Raad omtrent dit kader inleidend vast dat overschrijding van de beroepstermijn (slechts) onder voorwaarden kan worden gepardonneerd. Ook in een ouder arrest liep dat al zo. In HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9757, NJ 1998/577 was bij het Hof aangevoerd dat de verdachte (in persoon) de dagvaarding kreeg uitgereikt op een moment dat hij door zijn psychische gesteldheid niet begreep waarvoor hij gedagvaard werd. Uit een psychiatrisch onderzoek zou dit nader kunnen blijken. Het Hof schoof dat verweer terzijde omdat de psychische gesteldheid van de verdachte voor de duur van de beroepstermijn geen gevolgen kon hebben. De Hoge Raad overwoog echter – daarmee de weg naar verschoonbare termijnoverschrijding openend – als volgt:

“4.4 Het Hof heeft de juistheid van hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot de psychische toestand van de verdachte ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding in het midden gelaten. Daarmee is de mogelijkheid open gebleven dat de betekenis van de uitgereikte inleidende dagvaarding niet tot de verdachte is doorgedrongen ten gevolge van een hem niet toe te rekenen geestesgesteldheid. Tevens is daarmee de mogelijkheid open gebleven dat dientengevolge het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Het Hof had in het aangevoerde aanleiding moeten vinden daarnaar een onderzoek in te stellen alvorens een beslissing te nemen omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep.“

Waar het dus om gaat is of het niet tijdig instellen van het rechtsmiddel aan de verdachte kan worden toegerekend of niet. Zo nee, dan dient niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep achterwege te blijven.

3.11. Nu de onderhavige zaak. In cassatie lost de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep zich op in de vraag of ’s Hofs overwegingen dienaangaande onbegrijpelijk zijn. Het Hof is ingegaan op verdachtes stelling dat zij is afgegaan op de mededelingen van Slachtofferzorg naar aanleiding van de toegezonden brieven aan haar in de hoedanigheid van slachtoffer en is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Het Hof laat daarbij echter de juistheid van de stelling van verdachte dat zij in de war was toen zij de dagvaarding ontving, in het midden. Dat lijkt mij niet correct. Dit in de war zijn van de verdachte – zo is uit de stukken gevoeglijk af te leiden –bestond daarin dat zij er zozeer vanuit ging het slachtoffer in de zaak te zijn dat zij zich niet heeft gerealiseerd dat justitie daarin (deels) een andere visie had en haar tevens als verdachte aanschreef. Het Hof is van oordeel, zo resumeer ik, dat enerzijds het voor haar duidelijk moet zijn geweest dat zij als verdachte werd gedagvaard maar anderzijds dat die verwarring ook geen verschoonbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep oplevert: “Zij had immers in een later stadium de dagvaarding opnieuw kunnen lezen en desgewenst advies kunnen inwinnen.”

Met de toevoeging van dat tweede gedeelte gaat de overweging van het Hof mijns inziens mank. Kennelijk houdt het Hof het toch – ondanks de eerder genoemde omstandigheden - voor mogelijk dat het de verdachte ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding níet duidelijk was dat zij het was die als verdachte diende te verschijnen. Als dat zo is, dan dwaalde zij dus. Maar dan is het daaropvolgende ‘verwijt’ dat zij op een later moment de dagvaarding opnieuw had kunnen lezen en daaromtrent advies had kunnen inwinnen niet erg ‘to the point’, aangezien het verweer mede inhield dat zij wel degelijk advies heeft ingewonnen omtrent hetgeen zij meende te hebben ontvangen, welk advies als gevolg had dat zij in dwaling omtrent de aard van de oproeping bleef verkeren. Juist de, door het Hof kennelijk niet onaannemelijk geachte, verwarring omtrent de dagvaarding is de primaire reden die tot het misverstand en vervolgens tot het ‘missen’ van de zitting van de Politierechter alsmede het tardief ingestelde appèl hebben geleid. Het uiteindelijke oordeel van het Hof dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, optelsom van omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn, acht ik niet zonder meer begrijpelijk.3

3.12. Het middel slaagt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze tijdstippen zullen andersom bedoeld zijn: 13.30 als slachtoffer en 13.45 als verdachte.

2 Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462; HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108.

3 Vgl. HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, NJ 2010/488.