Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:213

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
12/02580
Formele relaties
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2409
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:710, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: 81.1 RO en vermindering van de opgelegde betalingsverplichting i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/02580P

Zitting: 18 februari 2014

Mr. Hofstee

Aanvullende conclusie inzake:

[betrokkene]

1. De schriftuur in deze zaak bevat twee middelen. In mijn conclusie van 19 november 2013 heb ik hiervan enkel het eerste middel besproken. Ik kwam tot de slotsom dat het eerste middel terecht is voorgesteld en concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof. In het arrest van 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:140 heeft Uw Raad echter geoordeeld dat het eerste middel faalt. Uw Raad stelt mij in de gelegenheid mij thans uit te laten over het tweede voorgestelde middel.

2. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de betrokkene dat hij (vrijwel) geen voordeel heeft verkregen, zodat het bestreden arrest (op dit punt) ondeugdelijk is.

3. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 februari 2012, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende verklaard:

“Ik heb acquisitiebedrijven gehad. Het is voornamelijk [betrokkene 1] geweest die werkzaamheden uitvoerde voor deze bedrijven. Daarbij is een klein deel niet goed gegaan, maar het overgrote deel waren eerlijke werkzaamheden. U houdt mij de volgende bankrekeningnummers voor. [001](ING). [002](ING). [003] (Rabo). [004](Rabo). [005](ABN-Amro). [006](ABN-Amro). [007](ABN-Amro). Het klopt dat ik gerechtigd was tot deze bankrekeningen. Ik heb echter geen geld ontvangen van deze 7 bankrekeningen. Ik ben niet voor niets failliet gegaan.”

4. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv is sprake als het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De uitleg van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.1 In het onderhavige geval heeft het Hof hetgeen door de betrokkene is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarvoor de in art. 359, tweede lid, Sv bedoelde responsieplicht geldt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

6. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van Uw bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 205.