Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2129

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
14/00339
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3377, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Aanwezigheidsrecht. 2. “toebehorende aan”, art. 321 Sr. Ad 1. o.m. o.g.v. een “ID-staat SKDB” in het dossier moet worden aangenomen dat in het p-v ttz. a.g.v. een kennelijke misslag is opgenomen dat verdachte was gedetineerd. Ad 2. Zonder miskenning van de uitdrukking “toebehorende aan” heeft het Hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte zich het in de bewezenverklaring genoemde (totale) geldbedrag heeft toegeëigend terwijl dat geld aan X toebehoorde. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat verdachte dit geldbedrag slechts ontving teneinde daarmee de door hem bestelde goederen te betalen en dat, nu hij die betaling niet heeft verricht, sprake is gebleven van een onlosmakelijke samenhang tussen het in dit bedrag begrepen, niet gespecificeerde provisiedeel en de rest van dit bedrag. Een en ander brengt mee dat het totale geldbedrag in de bewezenverklaring kon worden betrokken,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/00339

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 november 2013 de verdachte bij verstek wegens 1. subsidiair “verduistering”, 2. “oplichting” en 3. “diefstal, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts is aan de verdachte twee maal een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Deze zaak hangt samen met de op de verdachte betrekking hebbende ontnemingszaak met nummer 14/00333 P, waarin ik vandaag ook concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof na de verlening van verstek tegen de verdachte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, hoewel uit zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 als uit het arrest blijkt dat de verdachte ten tijde van bedoelde terechtzitting uit anderen hoofde was gedetineerd.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats],

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Flevoland, Unit 3 Lelystad te Lelystad,

is niet verschenen.

(…)

De voorzitter deelt mee de ontvangst van een mailbericht van mr. M.J. van Essen. Uit dat mailbericht volgt dat de raadsman niet ter zitting zal verschijnen aangezien hij zich niet gemachtigd acht de verdediging namens verdachte te voeren. Voorts blijkt dat de oproeping voor de behandeling van vandaag tijdig in persoon aan verdachte is betekend.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”1

6. In de onderhavige zaak is de oproeping van de verdachte om op de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 te verschijnen op 24 september 2013 aan de verdachte in persoon uitgereikt op diens detentieadres.2 Een verklaring van de verdachte dat hij uitdrukkelijk afstand doet van zijn aanwezigheidsrecht bevindt zich niet bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Bij brief van 17 maart 2014 heeft het hof laten weten niet te beschikken over een door de verdachte ondertekende akte van afstand of over enig ander stuk waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn op de zitting in hoger beroep op 5 november 2013 en dat niet (meer) valt na te gaan of een dergelijk stuk ooit heeft bestaan.

7. Indien de dagvaarding of oproeping van de verdachte rechtsgeldig is betekend en noch de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Indien sprake is van bedoelde duidelijke aanwijzingen behoort het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben in geval op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd.3

8. In het proces-verbaal is opgenomen dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 uit anderen hoofde was gedetineerd. Daarbij komt dat een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring dan wel enig ander stuk waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 aanwezig te zijn ontbreekt. Daarvan uitgaande, zou het hof het onderzoek hebben moeten schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken.

9. Uit het door de griffie van de Hoge Raad opgevraagde detentieoverzicht betreffende de verdachte blijkt echter, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 op vrije voeten was. De vermelding in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 (en in het arrest) dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde verblijvende was in de P.I. Lelystad, berust dan ook op een kennelijke vergissing. Nu de oproeping voor de zitting van 5 november 2013 aan de verdachte in persoon is betekend en er geen duidelijke aanwijzingen bestaan voor het tegendeel, mocht worden uitgegaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht bij bedoelde terechtzitting aanwezig te zijn. Het hof was dan ook niet gehouden het onderzoek ter terechtzitting te schorsen. Tot een nadere motivering was het hof evenmin gehouden.

10. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof – in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM – de verklaringen die de verdachte op 10 oktober 2003 tegenover de politie heeft afgelegd bij de bewijsvoering heeft betrokken, terwijl uit de stukken het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat de verdachte niet daaraan voorafgaand de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en hij evenmin afstand heeft gedaan van het recht een advocaat te raadplegen.

12. Het middel faalt, omdat volgens de Hoge Raad ook in geval van een berechting bij verstek een zogenaamd Salduz-verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.4 Hetgeen in de toelichting op het middel wordt gesteld, doet daaraan niet af.

13. Het derde middel komt op tegen het onder 1 bewezen verklaarde (verduistering).

14. Ten laste van de verdachte is onder 1. subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 september 2003 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk enige goederen, te weten geldbedragen (in totaal 4.133,59 euro), toebehorende aan [betrokkene 1], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van aan hem, verdachte, verstrekte gelden (ten behoeve van de aankoop van goederen), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

15. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte, pagina’s 18 tot en met 21, zakelijk weergegeven inhoudende:

Als verklaring van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats]:

Hierbij doe ik aangifte tegen [verdachte], wonende te [woonplaats]. [verdachte] is werkzaam bij [A]. Hij kon ons op een voordelige wijze badkameraccessoires leveren. [verdachte] heeft op 19 juni 2003 een offerte gemaakt. Op de offerte staan de te leveren goederen vermeld. Tevens hebben wij een buis besteld die niet op de offerte vermeld staat. In totaal hebben wij 4.917,47 euro betaald aan [verdachte], inclusief provisie. Het geld hebben we in gedeelten betaald. We hebben een aanbetaling gedaan. Dat bedrag moest [verdachte] aan [A] betalen zodat de door ons bij [verdachte] bestelde goederen bij [A] besteld konden worden. Op 29 augustus 2003 werd door [verdachte] aan ons een aantal bestelde goederen geleverd. De totale waarde van deze goederen is 783,88 euro. Op 1 september 2003 zouden de overige goederen bij ons thuis worden afgeleverd. Mijn vader is met [verdachte] naar de dependance van [A] in Dachten gegaan, waar onze spullen zouden staan. De spullen waren niet binnengekomen. Op maandag 8 september 2003 ben ik bij de dependance van de [A] geweest. Toen bleek dat de door ons bestelde goederen wel door [verdachte] waren besteld, maar dat [verdachte] geen aanbetaling aan het bedrijf had gedaan. In totaal zijn we voor een bedrag van 4133,59 euro door [verdachte] benadeeld.

2. Een proces-verbaal van verhoor, pagina’s 22 tot en met 24, zakelijk weergegeven inhoudende:

Als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik bij [betrokkene 1] en haar man [betrokkene 2] een badkamer zou leveren. Deze afspraak maakte ik in juni 2003. Ze bestelden via mij bij de [A] een badcombinatie, een douchecombinatie en een wastafelcombinatie. Het kan wel kloppen dat het een totaalbedrag was van rond de 4000 euro. Hierbij zat provisie. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben gelijk een aanbetaling gedaan. Verder is de betaling in gedeelten gedaan. Zodra het bestelde materiaal bij de [A] binnen was, zou ik het aan hen doorgeven. [A] had geld van mijn loon ingehouden voor de bestelde goederen. Van het geld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heb ik 1800 euro aan mijn vriendin gegeven. De rest van dit geld heb ik besteed voor kleding, de kroeg en voor drugs. Ik schat dat ik rond de 1200 euro op deze wijze heb uitgegeven. Buiten het bedrag dat van mijn loon is ingehouden heb ik [A] niets betaald. [A] heeft niet geleverd omdat er niet door mij was betaald, althans te weinig. Op 18 september 2003 ben ik ontslagen bij de [A].”

16. De steller van het middel voert aan dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het aan de verdachte betaalde geldbedrag aan [betrokkene 1] is blijven toebehoren. Aan het middel ligt de gedachte ten grondslag dat op het moment van de betaling aan de verdachte de eigendom van het geldbedrag – in civielrechtelijke zin – op de verdachte is overgegaan. Aldus is het geldbedrag, volgens de steller van het middel, op dat moment aan de verdachte gaan toebehoren, zodat van verduistering in de zin van art. 321 Sr geen sprake kan zijn.

17. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor de uitleg van de term ‘toebehoren’, zoals bedoeld in art. 321 Sr, het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet altijd doorslaggevend is. Ik wijs in dit verband op de volgende zaken.5

In HR 16 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5043, NJ 1976/186, m.nt. Van Veen was aan de verdachte een bedrag van fl 3.000,- ter hand gesteld om een in zijn bezit zijnde auto te doen repareren en om die auto na de reparatie aan degene van wie hij de fl 3.000,- had gehad ter beschikking te stellen. De verdachte had, alvorens die auto te doen repareren, besloten deze na de reparatie niet ter beschikking van het slachtoffer te stellen en vervolgens aan dit besluit uitvoering gegeven. De veroordeling ter zake van verduistering bleef in cassatie in stand. De verdachte had als heer en meester beschikt over het geldbedrag in strijd met het recht krachtens hetwelk hij het onder zich had en aldus zich dat geldbedrag toegeëigend. In een andere zaak oordeelde de Hoge Raad dat giraal geld dat abusievelijk door een ander op iemands bankrekening is overgemaakt kan worden aangemerkt als ‘goed’ dat als ‘toebehorende’ aan die ander vatbaar is voor ‘toe-eigening’ in de zin van art. 321 Sr door de rekeninghouder.6

Ook in meer recente rechtspraak komt naar voren dat de civielrechtelijke eigendom en het strafrechtelijke toebehoren niet altijd samenvallen. In HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1370, NJ 1999/740, m.nt. ’t Hart had de Belastingdienst bij vergissing in een beschikking tot teruggave ruim fl. 3 miljoen teveel toegekend en overgemaakt op de bankrekening van de verdachte. Volgens de Hoge Raad gaf het aldus begrepen oordeel van het hof dat het geldbedrag “in strafrechtelijke zin” nog aan de Belastingdienst toebehoorde geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het evenmin onbegrijpelijk. In HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4044, NJ 2000/537, m.nt. Schalken ging het om een tussenhandelaar die gekochte en betaalde dollarobligaties niet overboekte naar de rekening van de opdrachtgever, maar deze in pand gaf aan zijn eigen bank ter aanzuivering van een dekkingstekort bij die bank. In het arrest van het hof lag als zijn oordeel besloten dat de dollarobligaties op het moment van inpandgeving door de verdachte aan de opdrachtgever toebehoorden in de zin van art. 321 Sr. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Voorts overwoog de Hoge Raad dat de opvatting dat in dit geval slechts tot verduistering gekomen had kunnen worden indien het hof had vastgesteld dat de opdrachtgever ten tijde van de inpandgeving door de verdachte de eigendom – in civielrechtelijke zin – van die obligaties had verworven onjuist is. In HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638 vervolgens ging het om een verdachte die een gedeelte van een geldbedrag dat zij had ontvangen ter bekostiging van plastisch chirurgische ingrepen voor andere doeleinden had aangewend. De Hoge Raad oordeelde dat, gelet op de door het hof vastgestelde overeengekomen “doelbinding” en de omstandigheid dat het geld slechts aan de verdachte werd geschonken “voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding”, het oordeel dat de verdachte het geldbedrag zich wederrechtelijk had toegeëigend in de zin van art. 321 Sr niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620 ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat van het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikken over een goed dat aan een ander toebehoort - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - onder meer sprake kan zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.7

18. Ook in de literatuur wordt aangenomen dat voor de uitleg van ‘toebehoren’ in art. 321 Sr het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet altijd doorslaggevend is. H.A. Demeersseman benadrukt in dit verband de autonomie van het materiële strafrecht. Het is volgens deze auteur ‘bij verduistering wél mogelijk (…) dat het civielrechtelijke eigenaarschap en het strafrechtelijke toebehoorderschap zich niet in één hand bevinden.8 Sackers spreekt van een ruimer (functioneel) toebehorensvereiste in het kader van art. 321 Sr dan in het kader van art. 310 Sr. De disharmonie tussen het civielrechtelijke eigendomsbegrip en strafrechtelijk toebehoren komt, aldus Sackers, duidelijk tot uiting bij vervangbare (niet individueel bepaalde) goederen, zoals geld.9 Ook Machielse merkt op dat het ‘aan een ander toebehoren’, althans als het om geld gaat, niet moet worden opgevat als ‘eigendom zijn van een ander’, al mag het begrip ‘aan een ander toebehoren’ volgens hem niet geheel los van het civiele recht worden uitgelegd.10 Van Dorst nam in zijn conclusie voor HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1370, NJ 1999/740 het standpunt in ‘dat aan in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen die tevens behoren tot het begrippenapparaat van een ander rechtsgebied, niet steeds de betekenis moet worden toegekend die zij in dat andere rechtsgebied hebben. Aan dergelijk begrippen kan en moet juist veelal een autonome betekenis worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.”

19. In het licht van het voorafgaande vraagt het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8280, NJ 2013/14, m.nt. Borgers, de aandacht. Daarin stond centraal de koop van goederen die via Marktplaats.nl waren aangeboden. De goederen waren reeds betaald, maar werden niet geleverd. De Hoge Raad oordeelde, in afwijking van de conclusie van de Advocaat-Generaal, dat in de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden te vinden is om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren.

20. De vraag rijst hoe het laatstgenoemde arrest zich verhoudt tot de hiervoor, onder 17 besproken lijn in de jurisprudentie. Ik wijs op twee aspecten. In de eerste plaats is de kernoverweging van de Hoge Raad in dit arrest in sterkere mate dan in eerdere uitspraken geënt op het burgerlijk recht. Daarin wordt niet gerefereerd aan het strafrechtelijke toebehorensbegrip, maar wordt slechts gerept van de civielrechtelijk gekleurde begrippen koopsom, tegenprestatie en vermogen. Wordt daarmee de ‘autonomie van het materiële strafrecht’ gerelativeerd? Of was die positie van het materiële strafrecht in dit opzicht wellicht niet zo autonoom als wel uit eerdere arresten is afgeleid? Ik volsta in dit verband met het volgende. De vraag naar het toebehoren ziet, eenvoudig gezegd, in de kern op het verschil tussen ‘het mijn en het dijn’. Het ligt naar mijn mening in de rede dat bij de invulling van het toebehorensbegrip de civielrechtelijke verhoudingen een zeer belangrijke rol spelen. Dat uitgangspunt laat onverlet dat de invulling van een begrip als ‘toebehoren’ in een strafrechtelijke context en in het licht van de strekking van de bepaling accentverschillen kan vertonen met de civielrechtelijke benadering van een verwant begrip.11 Van ‘autonomie’ lijkt in een dergelijke benadering echter niet te kunnen worden gesproken.

21. Dat brengt mij bij het tweede aspect. De Hoge Raad spreekt van ‘de enkele omstandigheid’, die nog geen reden oplevert om af te wijken van regels van burgerlijk recht, in het bijzonder het vermogensrecht. Daarin klinkt naar mijn mening door hetgeen hiervoor is benadrukt, te weten dat het begrip toebehoren niet geheel autonoom, los van regels van burgerlijk recht, wordt uitgelegd, maar dat in dit verband accentverschillen tussen beide rechtsgebieden kunnen bestaan daar waar zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat de strekking van de strafrechtelijke regeling tot afwijking noopt. In dit licht bezien zou de enkele niet-naleving van verplichtingen uit een koopovereenkomst geen bijzondere omstandigheid opleveren en de situaties in de onder 17 genoemde arresten wel.

22. Daarmee rijst de vraag waarin de omstandigheden in de Marktplaats-zaak zich onderscheiden van de eerdergenoemde jurisprudentie. Borgers benadrukt in dit verband dat het in de Marktplaats-zaak gaat om een koopovereenkomst waaruit voor de verkoper een leveringsplicht voortvloeit, terwijl de verkoper niet wordt verplicht de koopsom op een bepaalde wijze te besteden. Dat is in eerdere zaken anders geweest, zoals in de hiervoor genoemde zaken waarin bedragen ten behoeve van plastische chirurgie en de reparatie van een auto aan de orde waren.12 In de Marktplaats-zaak is sprake van een (wederkerige) overeenkomst, waarbij de verkoper het geld heeft ontvangen en het gekochte goed niet heeft geleverd en aldus wanprestatie heeft gepleegd. Die enkele omstandigheid levert nog geen verduistering op. In de andere zaken is de context anders. Zo was de verdachte in de zaak waarin dollarobligaties werden geleverd een tussenpersoon, terwijl in het geval van het ten onrechte door de Belastingdienst gestorte bedrag sprake was van een onmiskenbare vergissing.

23. De grens die in het Marktplaats-arrest is getrokken spreekt mij aan. In het andere geval zou het (toerekenbaar) tekortkomen in de nakoming van een overeenkomst (te) eenvoudig kunnen worden gekwalificeerd als het misdrijf verduistering.13 Voor uitwassen biedt de strafbaarstelling van oplichting uitkomst.14

24. In de voorliggende zaak rijst de vraag met welke van de genoemde gevallen deze de meeste verwantschap vertoont, de Marktplaats-zaak of met andere zaken waarin het begrip toebehoren een eigen, strafrechtelijk accent heeft gekregen. Op het eerste gezicht is, evenals in de Marktplaats-zaak, sprake van een geldbedrag dat is verstrekt ten behoeve van de aankoop van goederen. Bewezen is verklaard dat de verdachte opzettelijk enige goederen (geldbedragen) toebehorende aan [betrokkene 1], “welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van aan hem, verdachte, verstrekte gelden (ten behoeve van de aankoop van goederen), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.” Uit het arrest en de aanvulling bewijsmiddelen wordt evenwel duidelijk dat de verdachte de geldbedragen niet namens de sanitairgroothandel als koopsom in ontvangst heeft genomen, maar dat [betrokkene 1] de geldbedragen aan de verdachte in zijn hoedanigheid van kennelijke tussenpersoon heeft verstrekt teneinde namens [betrokkene 1] sanitair bij de groothandel te kopen.15 De verdachte had deze accessoires niet zelf in zijn bezit, maar zou die vervolgens namens [betrokkene 1] bij de groothandel bestellen. Daarin verschilt de zaak van de Marktplaats-zaak en vertoont deze verwantschap met HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4044, NJ 2000/537, m.nt. Schalken (dollarobligaties). Gelet op de onder bewijsmiddel 1 opgenomen verklaring van [betrokkene 1], inhoudende “We hebben een aanbetaling gedaan. Dat bedrag moest [verdachte] aan [A] betalen zodat de door ons bij [verdachte] bestelde goederen bij [A] besteld konden worden” is er tevens sprake van de verstrekking van geld voor een specifiek aangegeven doel. Weliswaar was de verdachte niet verplicht precies hetzelfde geld als dat aan hem betaald was aan de groothandel te betalen, het geldbedrag was wel aan hem betaald met als doel dat hij een bedrag van dezelfde grootte zou voldoen, zodat de door hem bestelde goederen ook geleverd zouden kunnen worden. In zoverre vertoont de onderhavige zaak ook overeenkomsten met HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638 (plastische chirurgie), al was er geen sprake van een schenking, alsmede met HR 16 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5043, NJ 1976/186, m.nt. Van Veen (geld voor reparatie auto) en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620 (geld voor beleggingen).

25. Gelet op het feit dat de verdachte optrad als tussenpersoon en aan hem het geldbedrag ter beschikking is gesteld uitsluitend met als doel de bij de groothandel bestelde goederen te betalen, heeft het hof naar mijn mening kunnen oordelen dat het geldbedrag in strafrechtelijke zin aan [betrokkene 1] is blijven toebehoren. Uit de bewijsmiddelen 1 en 2 volgt dat het bedrag tevens een – niet gespecificeerd - bedrag aan provisie omvatte. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat sprake is van een onlosmakelijke samenhang met het overige geldbedrag en dat derhalve het totale bedrag in de bewezenverklaring kan worden betrokken. Het hof heeft het bewezen verklaarde aldus uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

26. Het derde middel faalt.

27. De middelen falen. Het tweede middel kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook het arrest vermeldt dat de verdachte uit anderen hoofde verblijvende is in de P.I. Flevoland te Lelystad.

2 De handtekening van de persoon die deze aan de verdachte heeft uitgereikt ontbreekt op de akte. De verdachte heeft wel getekend voor ontvangst. Over de rechtsgeldigheid van de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 wordt niet geklaagd.

3 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Scholten, rov. 3.33 en 3.34. Voor de behandeling in hoger beroep, zie rov. 3.35 t/m 3.40. Voorts HR 20 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8508, NJ 1990/798, m.nt. Van Veen.

4 Vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1773 en de daaraan voorafgaande conclusie. Zie in algemene zin HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH3084, NJ 2009/351, m.nt. Schalken.

5 Voor oudere jurisprudentie, waarin de termen eigendom en toebehoren in sterkere mate met elkaar lijken te worden verbonden, kan worden gewezen op HR 20 april 1891, W. 6030, HR 25 mei 1926, NJ 1926, p. 708, W. 11545, HR 13 februari 1933, NJ 1933/580 en HR 12 februari 1952, NJ 1952/700.

6 HR 11 mei 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC1987, NJ 1982/583 m.nt. ’t Hart.

7 Vgl. voor de situatie in het kader van een ‘lening’ HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, NJ 2014/187, m.nt. Keijzer.

8 H.A. Demeersseman, De autonomie van het strafrecht, diss. (VU), Arnhem: Gouda Quint, 1985, p. 179-180.

9 H.J.B. Sackers, ‘Verduistering’, in: Fraudedelicten, Studiepockets strafrecht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, 2000, p. 45 e.v.

10 Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink, aant. 4 op art. 321 Sr.

11 Ook De Hullu spreekt in dit verband van “een eigen accent”. Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 33.

12 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan dit arrest, die in dit verband de term ‘doelbinding’ gebruikt.

13 Zie ook Borgers in zijn noot onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8280, NJ 2013/14.

14 Zie ook Keijzer in zijn noot onder HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, NJ 2014/187.

15 Zie de overwegingen betreffende de strafoplegging in het arrest. Zie voorts de als bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring van de verdachte, inhoudende: “Ze bestelden via mij bij de [A] een badcombinatie, een douchecombinatie en een wastafelcombinatie.” Uit de bewijsmiddelen 1 en 2 volgt voorts dat de verdachte voor zijn bemiddelende rol een bedrag aan provisie ontving.