Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2128

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-09-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13/05706
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3376, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, uos. Hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw ttz. in h.b. naar voren is gebracht m.b.t. de door de Pr opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uos afgeweken door het vonnis waarvan beroep te bevestigen, maar heeft, i.s.m. art. 359.2 Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/05706

Zitting: 30 september 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 21 oktober 2013 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 mei 2013, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, bevestigd met overneming van gronden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof zijn motivering van de opgelegde straf in strijd met art. 359, zesde lid, Sv onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van het besturen van een motorrijtuig, terwijl de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, dient te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De politierechter heeft dienovereenkomstig beslist. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat de verdachte ter zake van voornoemd feit zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd. Ten slotte heeft het hof de verdachte ter zake van het feit ook veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

5. Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf - door het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen strafmotivering te bevestigen - het volgende overwogen:

“De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Voorts heeft de politierechter rekening gehouden met voormeld uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.

De politierechter stelt vast dat op grond van de wettelijke bepalingen tot beperking van het opleggen van taakstraffen het in de onderhavige strafzaak, gelet op de recidive, niet mogelijk is om een werkstraf op te leggen.

De politierechter is, gelet op alle feiten en omstandigheden, van oordeel dat het opleggen een vrijheidsstraf van voormelde duur passend en geboden is.”

6. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Aan dit vereiste is voldaan indien in de strafmotivering tot uitdrukking is gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

7. In de hiervoor onder 5 weergegeven strafmotivering heeft het hof gemotiveerd uiteengezet dat - in navolging van de vordering van de advocaat-generaal en de in eerste aanleg gevorderde en opgelegde straf - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden is. Aldus voldoet de strafmotivering aan de op grond van art. 359, zesde lid, Sv te stellen eisen.1

8. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, heeft het hof zich wat betreft de motivering van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet beperkt tot “de standaardmotivering” door enkel te verwijzen naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte. Het hof heeft immers ook gerefereerd aan het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Voorts heeft het hof, kennelijk in reactie op het in eerste aanleg door de verdachte zelf gevoerde verweer,2 overwogen dat het op grond van de wettelijke bepalingen inzake de beperking van het opleggen van taakstraffen gelet op de recidive niet mogelijk is om een werkstraf op te leggen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv het verweer van de verdediging ten aanzien van de straftoemeting zonder nadere motivering niet heeft gevolgd.

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte deelt mede dat hij de straf te hoog vindt.

(…)

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Drie à vier jaar geleden ben ik ook een keer gepakt en ik heb toen een taakstraf gekregen. Ik ben geschrokken van de gevangenisstraf.

De raadsvrouw merkt op, zakelijk weergegeven:

Cliënt bekent het feit, de reden van het hoger beroep is de strafmaat.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

lk ben nu niet meer aan de drank en ik gebruik ook geen drugs meer. lk heb een WAO uitkering, ik heb drie jaar lang in de schuldsanering gezeten. Als ik weer terecht kom bij de zwaardere jongens, dan ben ik bang dat ik weer terug val. Ik heb nog nooit vast gezeten. Ik ben fout geweest, ik heb geen rijbewijs.

(…)

De verdachte en de raadsvrouw voeren het woord tot verdediging. De raadsvrouw voert onder meer aan, zakelijk weergegeven:

De reden van het rijden is relevant. Het is niet zo dat cliënt lak aan de regels had, hij was in een stressvolle situatie. Hij zou naar Turkije vertrekken maar hij moest naar zijn zoon. Daar was nogal spoed bij. Hij heeft dit niet tegen de politie gezegd want hij wilde niet dat de politie naar zijn zoon zou gaan. Het was heel dom en hij geeft dat ook aan. Een gevangenisstraf voor de duur van twee weken staat niet in verhouding tot het feit. Ik heb goed geluisterd naar de advocaat-generaal en ik snap dat er beleidsregels zijn, maar er moet naar individuele gevallen worden gekeken. Deze man is van heel ver gekomen, hij is verslaafd geweest. Hij is nu bijna een halfjaar helemaal afgekickt en doet het goed. Hij woont alleen, in een eigen woning. Als hij naar de gevangenis wordt gestuurd betekent dit een doorkruising van positieve ontwikkelingen. Ik maak me oprecht zorgen dat hij dan met verkeerde mensen in aanraking komt en in de put raakt. Het is niet zo dat hij geen straf verdient. Het alternatief is een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ik verzoek het hof dat ook op te leggen, desnoods een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

(…)

De raadsvrouw voert het woord tot dupliek, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek u om dan een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een geldboete op te leggen. De geldboete kan wellicht in termijnen worden betaald.”

12. Het hof heeft in de bestreden uitspraak geen afzonderlijke overweging gewijd aan (de verwerping van) het hiervoor weergegeven straftoemetingsverweer van de raadsvrouwe van de verdachte. Het hof heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken opgelegd en ter motivering van de opgelegde straf - door het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen strafmotivering te bevestigen - slechts hetgeen hiervoor onder 5 is weergegeven overwogen.

13. De responsieplicht ex art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv strekt zich mede uit tot uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die zien op de straftoemeting. Niet elke opmerking die een raakvlak heeft met de straftoemeting kan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt. Daarvoor is vereist dat sprake is van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.3 De Hoge Raad stelt zich bij de beoordeling van het expliciete dan wel impliciete oordeel van het hof over de vraag of het gaat om een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt terughoudend op. Toetssteen is of het aangevoerde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.4

14. Uit de recente rechtspraak van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid dat de lat voor het slagen van een cassatiemiddel dat betrekking heeft op het niet antwoorden op een standpunt ten aanzien van de strafoplegging hoog ligt. Zo overwoog de Hoge Raad, in afwijking van de conclusie van de Advocaat-Generaal, dat het kennelijke oordeel van het hof dat een onderdeel van de pleitnota dat betrekking had op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met daaraan toegevoegd “9A (schuld zonder strafoplegging)” niet een uitdrukkelijk standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv oplevert, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk was.5 Hetzelfde gold voor een verzoek de straf te matigen door “rekening te houden met het feit dat door de politie geweld is gebruikt en dit te verdisconteren in de hoogte van de op te leggen straf”.6 Ook in laatstbedoelde zaak week de Hoge Raad hierin af van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Een verzoek om een geldboete of een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in verband met de “mogelijke vreemdelingenrechtelijke consequenties” van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, te weten de mogelijke uitzetting dan wel ongewenst verklaring van de verdachte, behoefde het hof volgens de Hoge Raad, opnieuw in afwijking van de conclusie van de Advocaat-Generaal, niet op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.7 In twee andere zaken had de verdediging ook de vreemdelingenrechtelijke consequenties die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (van langer dan een maand) voor de verdachte zou meebrengen aan de orde gesteld. De raadslieden hadden zich daarover stelliger uitgedrukt dan in de eerdergenoemde zaak. In de samenvattingen van de standpunten in deze twee zaken gebruikt de Hoge Raad de woorden “vreemdelingenrechtelijke consequenties” in plaats van “mogelijke vreemdelingenrechtelijke consequenties”. Ook waren de standpunten onderbouwd, onder meer door te verwijzen naar de relevante regelgeving op het gebied van het vreemdelingenrecht.8 Door niet te responderen op de standpunten, was volgens de Hoge Raad in strijd gehandeld met de responsieplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.9

15. Bij de beoordeling of een standpunt noopt tot een antwoord komt aldus betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.10 Algemene richtsnoeren zijn moeilijk te geven, gelet op de vele uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen. Niettemin kan aan de hand van de gevallen die zich in de rechtspraak hebben voorgedaan over de wijze van inkleding van een standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van de straftoemeting wel iets meer worden gezegd. Een basisvereiste is dat het aangevoerde duidelijk is. Als gegist moet worden naar de bedoeling van degene die het standpunt inneemt, is aan dit vereiste niet voldaan. Betekenis komt ook toe aan de op het spel staande belangen. Daarbij is de mate van indringendheid waarin die belangen voor het voetlicht worden gebracht van belang. Hoewel ik in het algemeen niet pleeg te pleiten voor het op ongenuanceerde wijze naar voren brengen van standpunten, volgt uit de rechtspraak dat het omkleden van een standpunt met voorbehouden (“mogelijke vreemdelingenrechtelijke consequenties”) kan bijdragen aan het oordeel dat geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De mate waarin de argumentatie wordt gespecificeerd komt in dezen ook betekenis toe. Dat geldt naar mijn mening ook voor de aan het standpunt verbonden conclusie en het verband dat wordt gelegd tussen de conclusie en de daaraan voorafgaande argumentatie. Een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal in dit verband in de regel niet behoeven te worden aangemerkt als een standpunt dat noopt tot een antwoord. Bij de mate van indringendheid van de naar voren gebrachte conclusie past evenwel een kanttekening. De vierde vraag van art. 350 Sv verschilt in zoverre van de andere vragen van het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv, dat deze niet met een enkel ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord kan worden. De rechter heeft een ruime mate van vrijheid te bepalen welke straf of maatregel hij passend en geboden acht. Deze straftoemetingsvrijheid heeft gevolgen voor de stelligheid waarmee een conclusie kan worden verwoord. Wil de verdediging voorkomen dat een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd, dan zal zij in de regel niet aanvoeren dat de conclusie is dat geen vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd, maar zal zij de rechter verzoeken een andere dan een vrijheidsbenemende straf op te leggen. Een dergelijk verzoek staat er op zichzelf niet aan in de weg dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv.

16. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de op te leggen straf kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. De raadsvrouwe heeft het standpunt, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, op die terechtzitting uitdrukkelijk voorgedragen. Het standpunt bevat het verzoek om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsvrouwe heeft het standpunt onderbouwd door te wijzen op - kort gezegd - de persoonlijke consequenties die de oplegging van een dergelijke straf voor de verdachte zou hebben. Die verwijzing is niet algemeen van aard, maar toegespitst op de bijzondere omstandigheden van het geval. Zij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de verdachte vanwege zijn verslaving van heel ver is gekomen, bijna een half jaar helemaal is afgekickt van zijn verslaving en het goed doet en zelfstandig woont, dat de oplegging van een gevangenisstraf een doorkruising van zijn positieve ontwikkelingen betekent en dat de vrees bestaat dat de verdachte in de gevangenis met de verkeerde mensen in aanraking komt en in de put raakt. Voorts heeft de raadsvrouwe aan het standpunt de - ondubbelzinnige - conclusie verbonden dat aan de verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf met een geldboete dient te worden opgelegd. In deze omstandigheden verschilt de onderhavige zaak van de hierboven genoemde zaken, waarin de Hoge Raad de arresten van het hof in stand liet zonder dat daarin een (expliciet) antwoord op het namens de verdediging aangevoerde was opgenomen.

17. Het door de verdediging aangevoerde kan, zoals hiervoor is toegelicht, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Het hof heeft daarbij volstaan met een “kale bevestiging” van het vonnis van de politierechter. Het hof had naar mijn mening in geval van afwijking van het standpunt van de verdediging de oplegging van een vrijheidsbenemende straf uitvoeriger en meer toegesneden op de omstandigheden van de verdachte moeten motiveren en daarmee op de argumentatie van de verdediging moeten ingaan. Daarbij realiseer ik mij dat geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de responsieplicht in gevallen waarin de feitenrechter een ruime mate van vrijheid toekomt, zoals het geval is bij de beslissing over de straftoemeting.11 Het hof behoefde dan ook niet op ieder detail van de argumentatie van de verdediging in te gaan. Het hof heeft echter in het geheel niet gereageerd op het verweer en is daarmee op geen enkel onderdeel van de argumentatie van de verdediging ingegaan. Het heeft volstaan met een kale bevestiging van het vonnis, terwijl het verweer juist inhield dat de verdachte ten tijde van de behandeling in hoger beroep bijna een half jaar was afgekickt en er ook overigens positieve ontwikkelingen waren die door de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden kunnen worden doorkruist. Daarmee heeft het verweer in dit opzicht vooral betrekking op de periode nadat het vonnis in eerste aanleg is gewezen. Door niettemin te volstaan met een kale bevestiging van het vonnis is naar mijn mening tekort gedaan aan het contradictoire karakter van de procesvoering, dat onlosmakelijk met de introductie van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv is verbonden, en met het voortbouwend karakter van de procedure in hoger beroep.12In dit verband merk ik nog op dat sprake was van een strafmaatmaatappel, terwijl de advocaat-generaal bij het hof, de verdachte en zijn raadsvrouwe blijkens het proces-verbaal op die terechtzitting slechts opmerkingen hebben gemaakt over de op te leggen straf. De behandeling in hoger beroep heeft zich dan ook geconcentreerd op de straftoemeting, waarbij nieuwe argumenten zijn ingenomen en ontwikkelingen zijn betrokken die zich sedert de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan. Onder die omstandigheden kan een verantwoording van hetgeen die behandeling in de visie van het hof heeft opgeleverd niet worden gemist.13Door die verantwoording achterwege te laten heeft het hof in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.14

18. Het middel slaagt.

19. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, rov. 3, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1716, rov. 2 , HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128, rov. 3 en HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3133, rov. 4.

2 De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg opgemerkt dat hij de werkstraffen die hem tot nu toe zijn opgelegd altijd heeft verricht en dat hij de voorkeur geeft aan een werkstraf boven een gevangenisstraf.

3 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

4 Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, p. 205-206.

5 Zie HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 m.nt. Schalken, rov. 4.

6 Zie HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4489, rov. 2.

7 Zie HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4744.

8 Zie HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360 m.nt. Schalken en HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5162.

9 Zie voorts HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1816, NJ 2012/640 m.nt. Schalken.

10 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

11 Zie ook de noot van Schalken onder HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360.

12 Zie ook J.W. Fokkens, ‘De wijziging van artikel 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoir strafproces’, in: Systeem in ontwikkeling, Nijmegen 2005, p. 141-149. Zie over dit voortbouwend karakter van het hoger beroep ook HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753.

13 Aldus ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2014:1616; onder 3.8) voor HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571.

14 Vgl. HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4987, rov. 2, HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5162, rov. 2, HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1816, NJ 2012/640 m.nt. Schalken, rov. 2, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6467, NJ 2011/360 m.nt. Schalken, rov. 2 en HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4870, NJ 2009/226 m.nt. Buruma, rov. 2.