Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2112

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
14/04667
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3664, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 lid 3, onder c en e, Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04667

Mr. L. Timmerman

Zitting 31 oktober 2014

Conclusie inzake:

1. [verzoeker 1]

2. [verzoekster 2],

verzoekers tot cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2012 is ten aanzien van verzoekers tot cassatie (gezamenlijk “[verzoeker] c.s.”) de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

1.2

Bij vonnissen van 9 november 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling geweigerd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [verzoeker] c.s. nog een laatste kans dient te worden geboden om hun schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen.

1.3

Bij beschikkingen van de rechter-commissaris van 5 april 2013 is de termijn van de schuldsaneringsregeling ambtshalve verlengd met (maximaal) 24 maanden tot 25 januari 2017.

1.4

Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 16 mei 2014 is de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris alsnog tussentijds beëindigd ex art. 350 lid 3, sub c en e Fw en verkeren [verzoeker] c.s. ex art. 350 lid 5 Fw van rechtswege in staat van faillissement met ingang van de dag waarop deze vonnissen in kracht van gewijsde zullen zijn gegaan.

1.5

De schuldsaneringsregeling is tussentijds beëindigd (ex art. 350 lid 3, sub c en e Fw) op de grond dat (aldus de rechtbank) [verzoeker] c.s. ernstig en verwijtbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (sub c) en dat zij hebben getracht hun schuldeisers te benadelen (sub e). [verzoeker] c.s. hebben een totale schuldenlast van € 139.088,34 en een aanzienlijke boedelachterstand van € 14.134,28 doordat zij maandelijks volstrekt te weinig hebben afgedragen aan de boedelrekening. Ondanks vele verzoeken van de bewindvoerder hebben zij nagelaten om financiële hulp in de vorm van budgetbeheer of beschermingsbewind in te schakelen, zodat het hun aan te rekenen is dat zij de boedelachterstand hebben laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] c.s. bewust en moedwillig hun schuldeisers hebben benadeeld en uit hun gedrag blijkt dat zij zich de belangen van de schuldeisers niet hebben aangetrokken.

1.6

[verzoeker] c.s. zijn van de vonnissen van de rechtbank bij het hof ‘s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.

1.7

In hoger beroep hebben [verzoeker] c.s. betoogd dat de aanzienlijke boedelachterstand het gevolg is van naheffingen van de Belastingdienst inzake de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, van dubbele woonlasten en van een naheffing van NUON. Zij hebben betalingsregelingen getroffen, maar waren daardoor niet in staat boedelafdrachten te doen. Voorts hebben zij aangevoerd dat zij inmiddels een beschermingsbewindvoerder hebben ingeschakeld teneinde hun vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

1.8

Bij arrest van 9 september 2014 heeft het hof voornoemde vonnissen van de rechtbank bekrachtigd, op grond van het hiernavolgende.

1.9

Het hof neemt allereerst in aanmerking (in rov. 3.5.3) dat vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling sprake is geweest van een alsmaar stijgende forse boedelachterstand.

Vervolgens overweegt het hof (in rov. 3.5.4) dat [verzoeker] c.s. geen plausibele verklaring hebben gegeven voor het gedurende een aanzienlijke periode niets afdragen aan de boedel. Zij hebben gewezen op hun dubbele woonlasten, maar het hof gaat hieraan voorbij, aangezien bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag met deze dubbele woonlasten rekening is gehouden. Het hof is dan ook van oordeel dat aan [verzoeker] c.s. een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het sinds maart 2013 laten ontstaan c.q. verder laten oplopen van de boedelachterstand en daarmee van het niet nakomen van een van de kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.

Ten slotte overweegt het hof (in rov. 3.5.5) dat [verzoeker] c.s. herhaalde malen is voorgehouden budgetbeheer in te schakelen dan wel te verzoeken een beschermingsbewindvoerder te benoemen. Dit laatste hebben zij eerst onlangs gedaan, hetgeen (aldus het hof) gelet op het hiervoor overwogene ruimschoots te laat is.

1.10

[verzoeker] c.s. zijn van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 17 september 2014 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.

1.11

Namens [verzoeker] c.s. is aangegeven dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die op 16 juli 20141 bij het hof heeft plaatsgevonden, is opgevraagd bij het hof en dat [verzoeker] c.s. zich het recht voorbehouden nog nader op dit proces-verbaal te reageren en nadere cassatiemiddelen aan te dragen. De proces-verbalen van beide zittingen zijn inmiddels ontvangen. [verzoeker] heeft geen nadere cassatiemiddelen ingediend.

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Het verzoekschrift tot cassatie bevat drie middelen, aangeduid als onderdelen 1-3.

2.2

In onderdeel 1 klaagt het middel dat het hof met zijn beoordeling de inhoud en strekking van de beschikkingen van de rechtbank [rechter-commissaris, LT] van 5 april 2013 heeft miskend. In deze beschikkingen is (zoals al aangegeven) de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengd met (maximaal) 24 maanden. Het middel verwijst naar deze beschikkingen, waarin de rechter-commissaris in rov. 2.1 overweegt voornemens te zijn om de forse boedelachterstand van € 6.676,64 te fixeren op € 6.000,-. Vervolgens wordt in rov. 2.3 beslist dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling met maximaal 24 maanden zal worden verlengd teneinde [verzoeker] c.s. meer tijd te geven voor het inlopen van de boedelachterstand. In rov. 2.4 overweegt de rechter-commissaris dat de boedelachterstand vanaf heden als het ware geparkeerd zal worden om de schuldenaar de mogelijkheid te bieden met een normaal, regulier, ‘vrij te laten bedrag’ rond te komen. Ten slotte beslist de rechter-commissaris in rov. 3 (gelet op art. 349a lid 2 Fw) dat tijdens de verlengde termijn de gehele afloscapaciteit, met aftrek van het wettelijke bewindvoerdersalaris, op de boedelachterstand in mindering zal worden gebracht totdat deze achterstand volledig zal zijn aangezuiverd.

2.3

Het middel verwijst naar de stelling van [verzoeker] c.s. bij aanvullend beroepschrift/brief in hoger beroep van 21 juli 2014 dat gedurende de verlenging geen boedelafdracht meer hoefde plaats te vinden en dat de gehele afloscapaciteit dan op de boedelachterstand in mindering zou kunnen worden gebracht. Het hof is (zo klaagt het middel) aan deze stelling voorbijgegaan en heeft daarmee de beschikkingen van 5 april 2013 miskend.

2.4

Het middel mist feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is gebaseerd op het feit dat [verzoeker] c.s. zich niet aan hun afdrachtplicht hebben gehouden en pas in een te laat stadium hulp van een beschermingsbewindvoerder hebben gezocht. Dit oordeel miskent niet de beschikkingen van de rechter-commissaris, op grond waarvan [verzoeker] c.s. gehouden waren om gedurende de verlenging hun boedelachterstand aan te zuiveren. .

2.5

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.5.4, waarin het hof (kort gezegd) overweegt dat [verzoeker] c.s. geen plausibele verklaring hebben gegeven voor het gedurende een aanzienlijke periode niets afdragen aan de boedel, dat bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening is gehouden met hun dubbele woonlasten en dat hun met betrekking tot de boedelachterstand een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het middel klaagt dat deze overweging onjuist en onbegrijpelijk is en dat het hof is voorbijgegaan aan een beroep van [verzoeker] c.s. op een rechtvaardigingsgrond en op overmacht.

2.6

Het middel stelt dat het hof art. 350 lid 3, sub c en e Fw veel te stringent toepast. Het gaat er hierbij aan voorbij dat het oordeel van het hof (anders dan dat van de rechtbank) niet is gebaseerd op de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3, sub e Fw (benadeling van schuldeisers). In rov. 3.5.6 overweegt het hof namelijk dat het aan deze beëindigingsgrond voorbijgaat.2 (In onderdeel 3 onderkent het middel dit overigens wel.)

Het middel verwijst vervolgens wederom naar de beschikkingen van de rechter-commissaris van 5 april 2013 en naar het aanvullend beroepschrift van 21 juli 2014. Blijkens de bespreking van onderdeel 1 hierboven kunnen de in dit verband opgeworpen klachten niet tot cassatie leiden.

Als ik het middel voorts goed begrijp, betoogt dit dat [verzoeker] c.s. nieuwe schulden hebben gekregen die buiten hen om zijn ontstaan en die hun niet te verwijten zijn. Het middel kan niet slagen, omdat het voorbijgaat aan het zelfstandig dragende oordeel van het hof (in rov. 3.5.5) dat [verzoeker] c.s. herhaalde malen erop gewezen zijn de hulp van budgetbeheer of van een beschermingsbewindvoerder in te schakelen, maar dat zij dit veel te laat hebben gedaan.

2.7

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.5.5, waarin het hof oordeelt dat [verzoeker] c.s. ruimschoots te laat de kantonrechter hebben verzocht een beschermingsbewindvoerder te benoemen, terwijl hun herhaalde malen is voorgehouden de hulp van budgetbeheer of van een beschermingsbewindvoerder in te roepen.

2.8

Het middel verwijst wederom naar zijn eerdere stellingen, in onderdelen 1 en 2, maar wederom heeft te gelden dat blijkens de bespreking van deze onderdelen hierboven deze stellingen niet tot cassatie kunnen leiden.

Voorts stelt het middel dat budgetbeheer geen prioriteit had, omdat [verzoeker] c.s. eerst de nieuwe schulden moesten voldoen en aan de boedel moesten betalen. Het middel betoogt dat [verzoeker] c.s. een “positieve saneringsinstelling” hebben en wijst erop dat het hof (anders dan de rechtbank) niet van oordeel is dat [verzoeker] c.s. bewust en moedwillig hun schuldeisers hebben benadeeld in de zin van art. 350 lid 3, sub e Fw. Een en ander doet echter niet af aan het oordeel van het hof dat [verzoeker] c.s. ruimschoots te laat de hulp van een beschermingsbewindvoerder hebben ingeroepen en kan dan ook evenmin tot cassatie leiden.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G L. Timmerman

1 Na de mondelinge behandeling op 16 juli 2014 heeft op 27 augustus 2014 een hernieuwde mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden naar aanleiding van nadere informatie van de advocaat van [verzoeker] c.s. bij brief van 21 juli 2014.

2 Het verzoekschrift tot cassatie lijkt in onderdeel 2 ook te refereren aan art. 350 lid 3, sub f Fw. Deze beëindigingsgrond (bekend geworden feiten en omstandigheden die ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen) is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde, zodat ik hier niet op in zal gaan.