Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:210

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-01-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
13/01888
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:706, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01888

Zitting: 28 januari 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 maart 2013 de verdachte ter zake van “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts bevat het arrest nog enkele bijkomende beslissingen.

2. Namens de verdachte heeft mr. S.P.C. Wester, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

4. Het bestreden arrest houdt hieromtrent – met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten1 – het volgende in:

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd hetgeen is neergelegd in onderdeel III van zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven en voor zover van belang heeft de raadsman daartoe het navolgende aangevoerd. In een binnenzak van de jas van het slachtoffer is op 24 september 2010 een stanleymes aangetroffen dat in beslag is genomen. Op 25 september 2010 is door de unit Forensische Opsporing beslist dat aan het mes geen relevant onderzoek kon worden gedaan als gevolg van contaminatie (de jas van het slachtoffer was doordrenkt met bloed). Op 7 december 2010 is het mes teruggegeven aan de familie van het slachtoffer. De raadsman stelt zich op het standpunt dat aan het mes wel degelijk onderzoek had moeten worden verricht, omdat - aldus de raadsman - er aanwijzingen waren dat het slachtoffer het mes bij het incident had gebruikt. Bij de verdachte zijn bij zijn aanhouding verwondingen geconstateerd waarvan ten onrechte geen foto's zijn gemaakt, en in zijn woning is een doekje/tissue met niet opgedroogd bloed aangetroffen. Ook heeft de getuige [getuige 1] op 27 september 2010 tegen de buurtregisseur gezegd dat het slachtoffer bij het incident een stanleymes in zijn handen had (blz. 108), bevond zich op het snijvlak van het mes een opvallend donker spoor (foto 4 op blz. 161), en heeft tot slot de door de verdediging ingeroepen DNA-deskundige Blom gerapporteerd dat aan het mes wel degelijk succesvol een sporenonderzoek verricht had kunnen worden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tegen de achtergrond van de hierboven bekende feiten de politie had moeten inzien dat het stanleymes mogelijk van belang was voor het onderzoek en niet aan de familie van [slachtoffer] had mogen worden teruggeven, ook al had de verdachte op dat moment zelf geen verklaring afgelegd die daartoe aanleiding gaf. Door de teruggave van het mes is nader onderzoek - dat volgens Blom zeer wel mogelijk was geweest - uitgesloten. Door de premature teruggave van het mes en door de verwondingen bij de verdachte niet fotografisch vast te leggen, is de verdediging - zo begrijpt het hof - de mogelijkheid ontnomen het beroep op noodweer(exces) nader te onderbouwen en te objectiveren. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim alsook door schending van de Aanwijzing inbeslagneming waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het hof oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van het verweer dient te worden bezien of de beslissing geen nader onderzoek te doen aan het bewuste mes en de beslissing het beslag op dit mes op te heffen in redelijkheid kon worden genomen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

De op 24 september 2010 en kort daarna afgelegde getuigenverklaringen - waaronder getuigen die geen enkele band hadden met de verdachte of het slachtoffer - boden geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het slachtoffer de verdachte met een mes had bedreigd en hem met dat mes op zijn hoofd had gestoken, had gesneden of gestoken onder zijn oog en over zijn wang en meermalen de (onder) armen van de verdachte met dat mes had geraakt, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg op 25 maart 2011 heeft verklaard. Geen van de getuigen heeft gezien dat het slachtoffer vlak voordat of direct nadat hij gewond raakte en op de grond viel een (stanley)mes in de binnenzak van zijn jas heeft opgeborgen of zelfs maar een beweging naar de binnenzak van zijn jas heeft gemaakt. Verdachte heeft Anders dan de raadsman stelt gaven naar het oordeel van het hof de verwondingen van de verdachte evenmin aanleiding te veronderstellen dat het slachtoffer met een mes was verwond. Verbalisant [verbalisant 1] omschrijft deze als enkele vrij recente schaafverwondingen op zijn hoofd ter hoogte van de bovenzijde neus en voorhoofd en kleine krassen en verkleurde plekken op zijn lichaam waarvan sommige recent leken. De krasjes duidt hij bij de rechter-commissaris aan als krasjes zoals je ze krijgt als je door de bosjes loopt. Voor die verwondingen heeft de verdachte na zijn aanhouding zelf een verklaring gegeven die in geen enkel verband stond met het neersteken van [slachtoffer]. Dat er op de buitenzijde van het rugpand van het t-shirt een fragment opgedroogd bloed en op de buitenzijde van het rugpand van de trui een bloedschilfer is aangetroffen alsmede in de woning een papiertje met niet ingedroogd bloed, maakt dat niet anders. De verdachte heeft de politie hier ook niet opmerkzaam op gemaakt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de vlekken op zijn trui die zichtbaar zijn op de foto in het dossier, alle bloedvlekken zijn die op 24 september 2010 zijn ontstaan tijdens de ruzie zodat geen uitleg behoefde - zo begrijpt het hof - dat de verdachte tijdens de ruzie gewond was geraakt door een mes/steekwapen. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig gelet op hetgeen verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard; waarom zou deze immers een stukje van de trui aan de rugzijde met een vlekje van enkele millimeters hebben veiliggesteld als die trui opvallend en in ruime mate bebloed was.

Naar het oordeel van het hof was er gelet op bovenstaande op 24 september 2010 en kort daarna geen enkele aanleiding voor de politie of het openbaar ministerie rekening te houden met de mogelijkheid dat het slachtoffer tijdens de ruzie met het in de binnenzak van de jas van het slachtoffer aangetroffen stanley-/breekmes de verdachte had bedreigd en verwond. Er was geen aanleiding dit mes nader te onderzoeken op bloedsporen van de verdachte en evenmin het beslag op het mes te handhaven in het belang van de waarheidsvinding. Het enkele feit dat [getuige 1] op 27 september tegen de buurtregisseur – in afwijking van zijn eerder afgelegde verklaring – heeft gezegd dat hij had gezien dat het slachtoffer een stanleymes in zijn handen had gehad, vormde daarvoor onvoldoende aanleiding, nu deze verklaring weinig specifiek is en geen enkele steun vond in andere verklaringen.

In de periode daarna tot de teruggave van het mes op 7 december 2010 heeft de verdachte ervoor gekozen om bij de politie geen verklaring af te leggen. Dat is op zich zijn recht, maar hij heeft evenmin gevraagd nader onderzoek te doen noch zijn rechtskundig raadsvrouw daarom laten vragen. Het aanbod om - in die periode - nader te worden gehoord door de rechter-commissaris heeft de verdachte afgezien; pas op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 maart 2011 heeft de verdachte verklaard dat hij door het slachtoffer is gestoken.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat alles afwegend niet worden gesteld dat door de teruggave van het mes gehandeld is in strijd met de aanwijzing inbeslagneming - niet alles hoeft in het belang van de waarheidsvinding te worden bewaard - zodat geen sprake is van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Het hof is het met de raadsman eens dat het wenselijk zou zijn geweest dat foto's van de verwondingen van de verdachte waren genomen, maar daartoe bestaat geen wettelijke verplichting. Uit de stukken zoals hierboven weergegeven blijkt dat deze verwondingen betrekkelijk oppervlakkig waren en naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet overeenkwamen met door een mes toegebrachte steek- of snij wonden. Voorts stelt het hof vast dat door de verdachte of diens rechtskundige raadsvrouw/man niet is verzocht - bijvoorbeeld de dag na verdachtes aanhouding - alsnog foto's te nemen. Bij deze stand van zaken kan de omissie naar het oordeel van het hof, ook niet in onderlinge samenhang bezien met hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, niet tot de gevolgtrekking leiden dat sprake is geweest van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.

Nu ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die daar aan in de weg staat, wordt het openbaar ministerie ontvankelijk geacht in de vervolging.”

5. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.2

6. De in het middel geformuleerde motiveringsklacht komt erop neer dat er aanleiding was om het in de binnenzak van het slachtoffer aangetroffen mes op bloedsporen van de verdachte te onderzoeken. Nu dat onderzoek is nagelaten is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en had het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vervolging.

7. Het hof heeft in een uitvoerige motivering geoordeeld dat en waarom geen sprake is van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. De argumenten die thans in cassatie daartegen worden aangedragen zijn door het hof reeds gewogen en te licht bevonden. Dat oordeel is zeer verweven met waarderingen van feitelijke aard. Gelet op hetgeen onder 5 is vermeld getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook overigens niet onbegrijpelijk.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan volgen.

10. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 24 september 2010 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de borst van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

11. Die bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte - voor zover hier van belang - zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2013:

Ik heb op 24 september 2010 te Amsterdam [slachtoffer] met een mes in zijn borst gestoken.

2. Een geschrift gedateerd 18 oktober 2010, zijnde een rapportage 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood', opgemaakt door de bij het NFI werkzame deskundige Ann Maes, arts en patholoog.

Dit geschrift houdt in - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – als verrichtingen en bevindingen van de deskundige voornoemd:

1 Overledene

Naam: [slachtoffer]

De overledene is overleden in het OLVG te Amsterdam op 24 september 2010 omstreeks 19:42 uur.

5 Resulaten

Een samenvatting van de resultaten van de uit- en inwendige schouwing volgt hieronder.

Bij de sectie van op het lichaam van [slachtoffer] is het volgende gebleken:

B: er was een steekkanaal te herleiden van voor naar achter tot in de borstkas. De lengte van het steekkanaal bedroeg maximaal 5 centimeter. In het steekkanaal waren het borstbeen en de aorta in de vaatsteel geperforeerd.

De aorta was compleet geperforeerd met zowel aan de voor- als aan de achterzijde een perfortatieopening op ongeveer 1,5 cm. boven de oorsprong. Er was veel bloeduitstorting in de omgevende weke delen en er was bloed in zowel de linker- als de rechterborstkas. Het borstbeen was ter hoogte van de aanhechting van de 3de en 4de rib geperforeerd.

Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen van betekenis voor het overlijden.

6 Interpretatie van de resultaten

Bij de sectie was er een scherprandige perforatie linksboven in de borst, met een begeleidend steekkanaal van voor naar achteren van maximaal 5 cm lang. In het steekkanaal was behalve de aorta ook het borstbeen geperforeerd. Er was veel bloeduitstorting in de omgeving en er was veel bloed in beide borstholten. De scherprandige perforatie is opgeleverd door steken met een scherp en puntig voorwerp en past bij steken met een mes.

De klinisch gevonden hartfunctiestoornissen als oorzaak van het overlijden kunnen hierbij goed passen. Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar.

7 Conclusie

[slachtoffer] is overleden als gevolg van uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam.”

12. Het hof heeft onder het hoofd “nadere bewijsoverweging” het volgende overwogen:

“De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en mitsdien dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft getracht [slachtoffer], die zich aan de verdachte opdrong, van zich af te houden en heeft daarbij per ongeluk [slachtoffer] in zijn borst geraakt, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de (zonodig in de aanvulling op het verkort arrest op te nemen) bewijsmiddelen dat de verdachte met zijn mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] op diens borsthoogte en hem daarbij ook in zijn borst heeft getroffen. Het mes is, door het borstbeen heen, ongeveer 5 centimeter diep in het lichaam gedrongen en heeft de aorta bij de vaatsteel aan zowel de voor- als achterzijde geperforeerd. Naar het oordeel van het hof is dat geen verwonding die bij past bij een enkel afwerend gebaar van de verdachte, maar wel past bij doelbewust steken ter hoogte van de borst; de veronderstelling van de raadsman dat [slachtoffer] daarbij in het mes is gelopen vindt geen steun in de verklaringen en is ook overigens niet onderbouwd. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] tengevolge daarvan dodelijk zou worden verwond en zou komen te overlijden.”

13. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – en de nadere bewijsoverweging heeft het hof als zijn niet onbegrijpelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat de gedraging van de verdachte (te weten het op borsthoogte steken van het slachtoffer met een mes, waarbij dat mes ongeveer vijf cm diep in het lichaam – door het borstbeen – is doorgedrongen en waarbij de aorta aan voor- en achterzijde is geperforeerd) kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

14. Dat deze verwondingen niet goed passen bij een afwerend gebaar, acht ik beslist niet onbegrijpelijk, en datzelfde geldt voor het passeren van de stelling dat het slachtoffer ‘in het mes’ kan zijn gelopen. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel klaagt over ’s hofs verwerping van het door de verdediging gedane beroep op noodweer.

17. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft onder punt IV van zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Kort en zakelijk en voorzover van belang weergegeven heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

Na het eerste incident bij het aanbieden door de verdachte van een broodje aan [slachtoffer] is de verdachte teruggelopen naar de personen met wie hij zat te praten waaronder [getuige 1]. [slachtoffer] is doorgegaan met schelden richting de verdachte, die daarop weer naar [slachtoffer] is gelopen en vanaf een gepaste afstand [slachtoffer] heeft gevraagd daarmee op te houden. Daarop volgde het tweede incident. [slachtoffer] is op de verdachte afgelopen en hem heeft geslagen en geschopt. Binnen enkele seconden heeft [slachtoffer] een stanleymes gepakt en de verdachte meermalen gesneden/gestoken; volgens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2013 op zijn rechterwang, boven op zijn hoofd en op zijn armen. [getuige 1] heeft toen het mes dat in de rugzak van de verdachte zat gepakt en aan de verdachte gegeven. De verdachte heeft vervolgens uit noodzakelijke verdediging tegen deze wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, [slachtoffer] met dat mes gestoken. Die verdediging was mede noodzakelijk omdat de verdachte door zijn fysieke gesteldheid niet zo snel kon wegrennen dat [slachtoffer] hem niet had kunnen achterhalen en hem in de rug had kunnen steken. Gelet hierop voldoet de noodzakelijke verdediging aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een noodweersituatie enkel het tweede incident van belang is. Met de raadsman gaat het hof ervan uit dat tijdens dat tweede incident het latere slachtoffer [slachtoffer] toen hij door de verdachte werd aangesproken op zijn gedrag, als eerste begonnen is met slaan dan wel schoppen van de verdachte. Er was derhalve sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de door de verdachte gekozen verdediging, te weten de ten laste gelegde steek met het mes, geboden en proportioneel was door de noodzakelijke verdediging. Bij de beantwoording van die vraag dienen mede de feitelijke omstandigheden te worden gewaardeerd. Daarom is van belang of zoals de raadsman stelt, [slachtoffer] de verdachte heeft aangevallen met een mes, althans dat dat aannemelijk is geworden. Voor de proportionaliteitstoets is immers beslissend of de gedraging van de verdachte- als verdedigingsmiddel- niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Het hof stelt vast dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven beschrijving van zijn verwondingen, te weten snijwonden in de rechterzijde van zijn gezicht en armen en een bloedende hoofdwond, geenszins overeenkomt met de vaststellingen van [verbalisant 1], op 24 september omstreeks 22:00 uur, minder dan vier uur na het voorval in het park. [verbalisant 1] omschrijft deze als schaafverwondingen op zijn hoofd ter hoogte van de bovenzijde neus en voorhoofd en kleine krassen en verkleurde plekken op zijn lichaam waarvan sommige recent leken. De krasjes duidt hij bij de rechtercommissaris aan als 'krasjes zoals je ze krijgt als je door de bosjes loopt'. Het hof stelt vast dat de verdachte niet heeft verzocht om medische verzorging en dat de agenten die de verdachte hebben aangehouden, noch de inspecteur aan wie de verdachte werd voorgeleid hebben/heeft opgemerkt dat de verdachte snij- of steekwonden had zoals door de verdachte omschreven of dat hij (daarom) enige medische verzorging nodig had, zoals verwacht mag worden bij het door de verdachte omschreven letsel. De kleding die de verdachte ten tijde van het voorval droeg, levert evenmin aanwijzingen op voor het door de verdediging geschetste scenario; op zowel het door de verdachte gedragen t-shirt als diens trui is, telkens aan de achterzijde, pas bij nader gericht onderzoek zijn op t-shirt en trui respectievelijk een fragment opgedroogd bloed en een bloedschilfer." Anders dan de raadsman aan de hand van de foto’s op pagina's 235 tot en met 237 stelt, bestaan de overige talrijke vlekken op de kleding van de verdachte kennelijk niet uit bloed. [verbalisant 1] heeft daarover bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte's kleding smerig was.

Het hof stelt bovendien vast dat de minimale hoeveelheid bloed en de plaats waar het is aangetroffen namelijk de rugzijde, niet overeenkomen met verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat hij niet zijn rug naar [slachtoffer] wilde keren en weglopen omdat hij bang was vanwege zijn slechte fysieke gesteldheid niet snel genoeg te zijn. [verbalisant 1] heeft tot slot bij de rechter-commissaris verklaard dat hij ernstige beschadigingen aan de kleding - zoals scheuren en winkelhaken - die als aanwijzingen opgevat zouden kunnen worden voor het gebruik van een mes, zou hebben vermeld in het door hem opgemaakt proces-verbaal. Het hof stelt vast dat hij niet heeft gedaan.

Ook heeft geen van de getuigen - [getuige 1] daargelaten - gezien dat de verdachte met een mes werd bedreigd en/of verwond.

De twee bloeddruppels die [getuige 2] volgens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op 8 maart 2013 in de woning van de verdachte heeft gezien toen zij na de aanhouding van de verdachte op enig moment in die woning was, maken dat oordeel met betrekking tot de aard van de verwondingen niet anders, nu een dergelijke geringe hoeveelheid bloed - als daar al sprake van was - niet zonder meer het relaas van de verdachte bevestigt. Dat geldt evenzo voor het bij de huiszoeking aangetroffen tissue waarop enig bloed is aangetroffen.

Het door [slachtoffer] gebruikte mes zou - ook in de lezing van de verdediging - het stanleymes moeten zijn geweest dat in het ziekenhuis in de binnenzak van [slachtoffer] is aangetroffen. Het hof overweegt tegen de achtergrond van dat gegeven ten aanzien van het verloop van de steekpartij het volgende. De verdachte heeft eerst ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 maart 2011 verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gestoken met zijn mes en dat [slachtoffer]'s ogen toen groot werden. Hij is toen meteen weggelopen en heeft [slachtoffer] niet zien vallen. Getuige [getuige 3] heeft tegenover de politie hierover verklaard dat hij [slachtoffer] een schop heeft zien geven aan de verdachte toen deze wegliep en dat [slachtoffer] vervolgens kort daarna achterover is gevallen. Getuige [getuige 4] heeft op 27 oktober 2011 bevestigd dat de verdachte naar zijn fiets aan het lopen was toen [slachtoffer] achterover viel. Volgens de verdachte op 25 maart 2010 stond zijn fiets op circa 8 tot 10 meter afstand van de plek waar de confrontatie plaatsvond, zodat hij binnen enkele seconden geacht mag worden zijn fiets te hebben bereikt. [getuige 5] heeft zowel bij de politie als tegenover de rechter-commissaris op 29 september 2011 verklaard dat [slachtoffer] neerviel en de verdachte er van door ging. Geen van de getuigen in het dossier heeft verklaard dat [slachtoffer] alvorens hij neerviel een handeling heeft verricht die erop zou duiden dat hij een voorwerp in zijn binnenzak deed. Het hof stelt aan de hand van de door de verdachte en genoemde getuigen beschreven chronologie van gebeurtenissen vast dat het steken door de verdachte het gevecht beëindigde en dat [slachtoffer] vrijwel meteen daarna achterover op de grond is gevallen en geen verdere bewegingen heeft gemaakt. Door de aard van het letsel is vrijwel meteen ernstig bloedverlies opgetreden. Volgens de NFI-rapportage van 18 oktober 2010 is door het steken van de verdachte [slachtoffer]'s aorta bij de vaatsteel aan zowel de voor- als achterzijde geperforeerd. Uit de getuigenverklaring van [getuige 6] en de inhoud van de rapportage maakt het hof op dat [slachtoffer] ernstig bloedde. [getuige 6] verklaarde bovendien dat [slachtoffer] toen hij op de grond lag, schuim op zijn lippen had. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] relateren dat het slachtoffer bij hun aankomst niet reageerde op aanspreken of een pijnprikkel en dat door het ambulancepersoneel onmiddellijk werd begonnen met reanimeren. Bij deze stand van zaken is het naar het oordeel van het hof niet voorstelbaar noch gebleken dat [slachtoffer] na te zijn gestoken door de verdachte, nog een mes in zijn binnenzak heeft gedaan. Het hof kan zich geen aannemelijk scenario voorstellen waarin het mes door een derde in de binnenzak van de jas van [slachtoffer] is gedaan nadat hij op de grond was gevallen zoals de raadsman heeft gesuggereerd. [getuige 6] heeft bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer] zag liggen en [getuige 1] hoorde schreeuwen, maar hem niets zag doen. Uit zijn verklaring maakt het hof op dat tot de aankomst van de ambulance en de politie niemand anders in de buurt van [slachtoffer] is gekomen en dat hij geen mes heeft gezien. Uit bovenstaande in onderling verband bezien concludeert het hof dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdachte tijdens het tweede incident met een mes heeft bedreigd en/of verwond.

Het hof onderkent dat [getuige 1], anders dan hij op 24 september 2010 als verdachte bij de politie verklaard heeft, op 27 september 2010 op straat tegen inspecteur [verbalisant 4] heeft gezegd dat [slachtoffer] een stanleymes in zijn handen had tijdens de ruzie met de verdachte en dat diens verklaring mitsdien strijdig is met het vorenoverwogene. [getuige 1] heeft die verklaring op 25 januari 2011 tegenover de rechter-commissaris min of meer gehandhaafd. Naar het oordeel van het hof dienen de verklaringen van [getuige 1] met de nodige omzichtigheid beoordeeld te worden omdat zij inconsistent zijn en [getuige 1], blijkens een door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, gedurende het verhoor op 25 januari 2011 zeer 'geagiteerd, opgewonden en boos' was en [getuige 1] aangaf psychische klachten te hebben. Ofschoon het hof niet kan doorgronden waarom [getuige 1] -die in de avond van 24 september 2010 de verdachte in diens woning heeft bezocht- heeft verklaard zoals hij heeft gedaan, acht het hof zijn verklaringen over het mes zo zeer in tegenspraak met de hiervoor weergegeven overwegingen, dat zij naar het oordeel van het hof voor wat betreft dat onderdeel terzijde dienen te worden gesteld.

Dat brengt met zich mee dat het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweer ervan uit gaat dat de ogenblikkelijke en wederrechtelijke gedraging waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, bestond uit slaan dan wel schoppen door [slachtoffer] en dat de vraag of de gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, in dat licht moet worden beoordeeld.

Over dit tweede incident blijkt uit de stukken het volgende.

Getuige [getuige 3] verklaart bij de rechter-commissaris dat sprake was van een handgemeen. De lange man (het hof begrijpt: de verdachte) probeerde het slachtoffer te slaan, maar hij werd zelf ook geslagen en geschopt. Het ging over en weer, maar een harde klap is niet gevallen. Er was geen duidelijke vechtpartij.

Getuige [getuige 7] spreekt over stoeien, vechten kan hij het niet noemen; ze konden niet hard slaan omdat ze dronken waren. Ze probeerden elkaar te slaan en misschien ook te stompen. Hij denkt niet dat er geschopt is. Hij had niet het gevoel dat de één sterker was dan de ander of dat de één aan het winnen was van de ander. Het ging heel lomp. Hij heeft alleen van de kant van het slachtoffer geen stekende beweging gezien.

Getuige [getuige 4] heeft ook de indruk dat het er niet serieus aan toeging en dat verdachte en het slachtoffer dronken waren. Naar het hof begrijpt stond het slachtoffer daarbij wankel op zijn benen en was niet stabiel; het slachtoffer deed wat een aangeschoten dronken persoon doet als hij met een ander in conflict zit, namelijk een beetje zichzelf verdedigen en een beetje wild doen, een beetje om zich heen schoppen en slaan. De getuige herinnert zich één schoppende beweging die echter niet raak was. Hij omschrijft de verdachte als rustig. Het beschrijft dat het eventjes leek of het slachtoffer aan het winnen was, maar lijkt dat te baseren op het feit dat de verdachte een beetje wild om zich heen aan het slaan en schoppen is zoals hij eerder beschreef.

Getuige [getuige 8] wiens herinnering wat vaag is, beschrijft wel dat het begon met ruzie en geschreeuw en dat het toen leek alsof ze gingen vechten; ze sloegen elkaar. Ook hij had de indruk dat beiden aangeschoten waren. Hij dacht dat het slachtoffer wel geschopt had, maar dan niet hard.

Getuige [getuige 5] denkt ook dat beiden dronken waren en zegt dat ze wankelden. Hij beschouwt het niet als een serieus gevecht. Het zag er niet uit alsof er rake klappen vielen, ze konden elkaar niet goed vinden, het was meer een beetje naar elkaar maaien en wegduwen. Hij zag ook dat ze naar elkaar trapten. Hij verklaart dat een derde man (hof: [getuige 1]) probeerde ze te laten ophouden, hij duwde het slachtoffer weg en maande de verdachte tot rust. Dat lukte niet waarop deze boos wegliep. De getuige omschrijft de verdachte als veel groter, wat er intimiderend uitzag, en zegt dat de verdachte minder aan het strompelen was en over zijn eigen benen aan het struikelen was dan het slachtoffer.

Getuige [getuige 9] merkt op dat beide mannen volgens haar behoorlijk veel gedronken hadden en geen richtingsgevoel qua slaan; ze stonden te stoeien met slappe armen. Zij heeft geen stekende beweging gezien, alleen slaan.

De getuigen [getuige 3], [getuige 5] en [getuige 8] verklaren dat een derde man ( het hof begrijpt: [getuige 1]) tusenbeide kwam en daarbij de verdachte en het slachtoffer uit elkaar duwde dan wel het slachtoffer wegtrok, maar dat die interventie niet leek te worden gewaardeerd. Kort na zijn tussenkomst was de vechtpartij ineens geëindigd, liep/rende de verdachte weg en viel het slachtoffer op de grond.

[getuige 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris op 6 oktober 2011 daarover verklaard dat hij tussenbeide is gekomen om te sussen, maar dat zij niet wilden luisteren.

Uit bovenvermelde verklaringen komt naar voren dat de algemene indruk is dat de ruzie/ het incident het karakter had van een dronkenmansgevecht waarin over en weer werd geslagen en mogelijk ook geschopt. Daarbij werd de verdachte weliswaar geslagen en mogelijk geschopt, maar geen van de getuigen heeft het over harde, rake klappen of schoppen; zij vinden dat een en ander een niet al te serieuze indruk maakte. Geen van hen heeft verklaard dat de verdachte daar het onderspit ging delven ofdat hij werd vastgepakt zodat hij gehinderd werd in de eventuele mogelijk om weg te gaan zoals de verdachte bij het eerdere incident had gedaan. Uit de verklaringen is aannemelijk geworden dat [getuige 1] tussenbeide is gekomen en zeer waarschijnlijk het slachtoffer toen heeft weggetrokken en dat de verdachte die gelegenheid niet heeft aangegrepen om enige afstand te nemen van [slachtoffer]. Geen van de getuigen beschrijft op enig moment dat de verdachte zich tracht te verwijderen van [slachtoffer] en daar door het gedrag van [slachtoffer] niet in slaagt. De verdachte heeft verklaard zowel in eerste aanleg als in hoger beroep dat hij - op het moment dat door de getuigen als "tussenbeide komen" wordt omschreven – het door [getuige 1] aangereikte mes heeft aangenomen en gebruikt. Het hof laat in het midden of dit de gang van zaken is ofdat de verdachte het door hem gebruikte mes reeds bij zich had. Duidelijk is dat zeer kort na de tussenkomst van [getuige 1] het slachtoffer is gestoken.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat gelet op hetgeen hierboven over de feitelijke omstandigheden van de aanranding is weergegeven, staat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte – als verdedigingsmiddel- niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding en is het steken met het mes in dat licht bezien disproportioneel, zodat niet is voldaan aan de in de wet aan noodweer verbonden eis dat de gekozen verdediging noodzakelijk was.

Dat oordeel wordt niet anders indien rekening wordt gehouden met de lichamelijke beperkingen van de verdachte. De verklaring van de getuigen zoals hierboven weergegeven over de onderlinge verhouding tussen de verdachte en [slachtoffer] geven hiertoe geen aanleiding. In het algemeen omschrijven zij immers dat [slachtoffer] behoorlijk dronken was en wankelde op zijn benen en ongericht was in zijn handelen, terwijl zij van de verdachte aangeven dat hij rustiger was en minder onvast ter been en hij ook als veel groter wordt omschreven. Het hof merkt op dat de verdachte bij het eerste incident wel is weggelopen en dat [slachtoffer] hem toen niet is gevolgd zodat ook niet direct voor de hand lag dat deze dit in de staat waarin hij verkeerde, bij het tweede incident wel zou doen en de verdachte zou achterna rennen, inhalen en aanvallen. Het is ook niet zo dat de verdachte zich niet redelijk kan verplaatsen zoals de raadsman stelt gezien het longemfyseem en oedemische onderbenen. De verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij door zijn chronische aandoeningen weliswaar last heeft van vocht in de onderbenen en snelle kortademigheid, maar dat de toestand van zijn benen ten tijde van dit feit aanzienlijk was verbeterd tijdens de gesloten opname waarover zijn raadsman stukken heeft overlegd, hetgeen ook wel blijkt uit het feit dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend dat hij met enige snelheid naar zijn fiets is gelopen en onmiddellijk is weggefietst.

Gelet op bovenstaande in onderling verband bezien wordt het verweer van de raadsman mitsdien in al zijn onderdelen verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde feit uitsluiten, is dit strafbaar.

het primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.”

18. Het middel komt op tegen ’s hofs oordeel dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding en richt zich in het bijzonder tegen het terzijde schuiven van de verklaringen van de getuige [getuige 1] voor zover inhoudende dat hij had gezien dat het slachtoffer een stanleymes in zijn handen had gehad.

19. Het middel stuit af op de aan de rechter toekomende vrijheid in de selectie en waardering van de bewijsmiddelen. ’s Hofs oordeel waarom het geen geloof hecht aan die verklaringen van [getuige 1] is bovendien omstandig en toereikend gemotiveerd.

20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Dit geldt voor alle navolgende citaten uit het bestreden arrest.

2 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rov. 3.6.5.