Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2088

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
14/01935
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3311, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. OM-cassatie. De Rb heeft de juiste maatstaf ex art. 94a Sv aangelegd. De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de Rb, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. ECLI:NL:HR:2014:38). Aan de door de Rb in aanmerking genomen omstandigheden “dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de ovj in rk heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het p-v gereed is”, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Het oordeel van de Rb is dan ook niet toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/01935B

Mr. Harteveld

Zitting 23 september 2014

Conclusie inzake:

[klager]


1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 13 november 2013 het namens klager ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van een onder hem inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, met kenteken [AA-00-AA], gegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. D.E. van Hout, cassatieberoep ingesteld.

3. De plaatsvervangend Officier van Justitie bij het parket Rotterdam, mr. M.E. de Meijer, heeft een middel van cassatie voorgesteld.


4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag de onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. Voor een goed begrip eerst het volgende. De Rechtbank heeft vastgesteld dat een personenauto van het merk Audi, met kenteken [AA-00-AA], op 25 mei 2011 onder klager op de voet van art. 94 Sv in beslag is genomen en dat dit beslag als conservatoir beslag is gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging van 7 juli 2011 van de rechter-commissaris (art. 94a Sv).1 De inbeslagneming vond plaats in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens - kort gezegd - witwassen. Op 7 september 2012 is namens klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto. Bij beschikking van 31 oktober 2012 heeft de Rechtbank het beklag ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld. Op 23 oktober 2013 is opnieuw namens klager een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van dezelfde auto. Aldus is thans sprake van een hernieuwd beklag. De grondslag voor het nieuwe beklag is gelegen in het verstreken tijdsverloop. Tegen klager is nog altijd geen strafvervolging ingesteld.

4.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

2. Beoordeling

(…)

Namens klager is aangevoerd dat de auto zijn eigendom is en dat hij en zijn moeder weer over de auto willen kunnen beschikken. De auto van klager tweeënhalf jaar geleden in beslag is genomen. Klager schade heeft geleden door waardevermindering. Voorts heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat tegen klager nog een onderzoek op verdenking van witwassen loopt. De zaak panklaar bij de officier van justitie ligt om ingestuurd te worden. Het openbaar ministerie de verhaalsmogelijkheid wil benutten nu er ter grootte van € 250.000,- conservatoir beslag is gelegd. Er nog geen zittingsdatum bekend is, maar dat dit zeker geen jaar meer zal duren.

De rechtbank stelt op basis van de feiten en omstandigheden zoals door de officier van justitie in raadkamer naar voren gebracht, vast dat jegens klager de verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, een misdrijf dat gelet op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht naar wettelijke omschrijving wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. Met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gevorderd een machtiging ex artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering te verlenen, welke machtiging - zoals hierboven weergegeven - door de rechter-commissaris is verleend.

Gelet op meergenoemde verdenking van witwassen zoals door de officier van justitie gepreciseerd en nader toegelicht, doet zich niet de situatie voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het conservatoir beslag strekt tot bewaring van het recht tot verhaal voor een dergelijke geldboete of ontnemingsvordering. Nu echter door de officier van justitie in raadkamer is aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is, zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond.”

4.4. Aan het vorenstaande kan worden ontleend dat ten tijde van de bestreden beschikking het beslag was gegrond op art. 94a Sv.

4.5. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene als het onderhavige gericht tegen zo een beslag dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager als verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.2

4.6. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft miskend. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

4.7. De toepasselijke maatstaf sluit niet uit dat de Rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.3 In dit kader meen ik, zoals ik reeds eerder heb betoogd in mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:1683) vóór HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig conservatoir beslag op grond van disproportionaliteit, gelet op het belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend. De Rechtbank heeft in het onderhavige geval kennelijk geoordeeld dat het door de klager gestelde belang van inbreuk op zijn eigendomsrecht zwaarder dient te wegen dan het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag. Daaraan heeft zij enkel ten grondslag gelegd de omstandigheid dat “door de Officier van Justitie in raadkamer is aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de Officier van Justitie in raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is”. Hieruit kan worden afgeleid dat de Rechtbank het ‘stilzitten’ van de Officier van Justitie en het daarbij verstreken tijdsverloop doorslaggevend heeft geacht. Door aldus te oordelen is de Rechtbank mijns inziens echter niet zonder meer begrijpelijk tot de conclusie gekomen dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met vorenbedoelde eisen en dat het beklag gegrond dient te worden verklaard. Immers, gelet op de (overige) door de Officier van Justitie aangevoerde feiten en omstandigheden, te weten dat de zaak inmiddels klaar ligt en ingestuurd gaat worden (AEH: ik begrijp naar de Rechtbank), dat de verdenking ter zake van witwassen nog altijd bestaat, dat ter grootte van € 250.000,- conservatoir beslag is gelegd en dat de behandeling van de strafzaak tegen klager zeker geen jaar meer op zich zal laten wachten, kan niet gesteld worden dat er na de eerdere beklagprocedure in 2012 geen vorderingen zijn gemaakt zijdens het openbaar ministerie. Wellicht had de Officier van Justitie in deze zaak meer voortvarendheid kunnen betrachten, maar het is ook goed denkbaar dat een verklaring voor het lange tijdsverloop gevonden kan worden in de ernst van het strafbare feit en in het onderzoek naar de passende verhaalsmogelijkheden. Voorts heeft de Rechtbank niet aangeduid welke kennelijk zwaarder wegende belangen van klager in het geding zijn. Nu niet blijkt van enige afweging van de belangen van klager ten opzichte van de belangen van strafvordering, schiet de motivering van de Rechtbank dus tekort. Van de Rechtbank mag worden verlangd dat zij blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval en daarbij helder motiveert waarom de persoonlijke belangen van klager in casu zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. In zoverre is het oordeel van de Rechtbank, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet toereikend gemotiveerd. Het middel slaagt in dit opzicht.4

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een afschrift van de ‘vordering machtiging conservatoir beslag (art. 103 Sv), handhaven’ is gehecht aan het klaagschrift van 23 oktober 2013.

2 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.14.

3 Vgl. HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890 en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296.

4 Vgl. o.a. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977 en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38.