Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2086

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
14/01644
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3310
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. OM-cassatie. Maatstaf ex art. 94 Sv. Belang van strafvordering. Het beroep is ingetrokken nadat de A-G ttz. van de Hoge Raad zijn conclusie had genomen en derhalve na de aanvang van de behandeling van het beroep a.b.i. art. 453 Sv. De Hoge Raad doet de zaak op het bestaande beroep af (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AH9919). De Rb heeft bij haar oordeel niet in aanmerking genomen dat het onderzoek in rk een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Het middel is terecht voorgesteld. Dat behoeft in dit geval niet te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, nu de A-G bij het Hof, gezien de intrekking van het cassatieberoep, daarbij kennelijk geen belang meer heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/01644 B

Mr. Harteveld

Zitting 23 september 2014

Conclusie inzake:

[klager]


1. De Rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 13 februari 2014 het namens de klager ingediende beklag ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan de klager gelast van een geldbedrag van € 21.810,-.

2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.

3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld.


4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, maar de aan te leggen maatstaf niet juist heeft toegepast.

4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

2. Toetsingsmaatstaven

Ingeval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gelegd beslag dient de rechtbank te beoordelen, of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het belang van strafvordering zich tegen de teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Zo het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, dient de teruggave van het voorwerp aan de beslagene te worden gelast, tenzij een ander redelijkerwijs alsrechthebbende daarop moet worden beschouwd.

3 Beoordeling

Vast is komen te staan, dat bedoeld geldbedrag op 18 juni 2012 op rechtmatige wijze onder klager in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

Namens klager is er - zakelijk weergegeven - onder meer op gewezen, dat:

- klager een bankafschrift heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een kasopname heeft gedaan van € 10.000,00;

- klager van het resterende geldbedrag van € 11.810,00 op een briefje heeft geschreven aan wie dat geld toebehoort;

- er al lange tijd geen onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden, en klager meermalen heeft gerappelleerd naar het Openbaar Ministerie om een antwoord te krijgen op dit klaagschrift;

- het een culturele aangelegenheid is om geld voor anderen mee te nemen naar Turkije en dat hiermee rekening dient te worden gehouden;

- indien klager de personen van wie hij geld heeft gekregen om mee te nemen naar Turkije om een verklaring vraagt, zijn reputatie wordt aangetast en de goede naam van zijn vader hem meer waard is;

- klager in de tussentijd geld van zijn doorlopend krediet heeft opgenomen om het geld dat hij voor mensen mee naar Turkije zou nemen aan hen terug te geven;

- klager een salaris ontvangt en dus legale inkomsten heeft;

- het zeer twijfelachtig is dat het geld in een later stadium verbeurd verklaard zal worden.

De officier van justitie heeft zich, nu klager het door het Openbaar Ministerie aangeboden transactievoorstel niet heeft geaccepteerd, op het overeenkomstige standpunt gesteld als op 8 november 2012 alwaar het verzoekschrift eerder in raadkamer is behandeld welk standpunt - zakelijk weergeven - inhoudt dat:

- klager nog steeds verdachte is en het onderzoek nog loopt;

- er sprake is van een groot geldbedrag waarvan aangifte gedaan moet worden op grond van de Verordening Liquide middelen, nu er sprake is van uitreis naar een niet EU-land;

- als sprake is van illegale herkomst van de gelden men geneigd is het risico van contante verplaatsing te nemen boven de veiligheid van bancaire overboeking;

- er 32 coupures zijn aangetroffen van € 500,00, en met verwijzing naar een arrest van het Hof Amsterdam dergelijke coupures louter in het criminele circuit plegen te worden gebruikt;

- klager geen onderbouwing heeft gegeven met betrekking tot het geldbedrag, anders dan de €10.000,00 die hij per kas heeft opgenomen;

- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelend, het geld verbeurd zal verklaren.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel, dat het belang van strafvordering zich niet tegen de teruggave van het beslag verzet, nu enerzijds het beslag niet kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen en/of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Anderzijds heeft het Openbaar Ministerie de verdenking, dat er met betrekking tot genoemd geldbedrag sprake is van witwassen onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat zich voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Immers, klager heeft een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van het in beslag genomen geld gegeven, terwijl het opsporingsonderzoek vooralsnog geen enkel aanknopingspunt heeft opgeleverd dat steun biedt aan de opvatting dat het in beslag genomen geld van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. Het beklag zal dan ook gegrond worden verklaard.

(…)

4 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond;

- heft op het daarop gelegde beslag

- gelast de teruggave aan klager van een geldbedrag ad € 21.810,00 (zegge eenentwintigduizendachthonderdentien euro)

- bepaalt dat het Openbaar Ministerie er voor zorg draagt dat voornoemd geldbedrag binnen twee (2) weken na dagtekening van deze beschikking wordt overgemaakt op bankrekeningnummer [001] ten name van [klager];

(…)”

4.3.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

Bij dit een en ander dient de rechter in aanmerking te nemen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat hij niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure mag treden.1

4.4.

De Rechtbank heeft haar oordeel dat het belang van strafvordering zich in het onderhavige geval niet tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag verzet in belangrijke mate doen steunen op de overweging dat “het Openbaar Ministerie de verdenking, dat er met betrekking tot genoemd geldbedrag sprake is van witwassen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.” Tegen deze overweging richt het middel zich, en naar ik meen terecht.. In de daarop volgende overwegingen ligt immers als het oordeel van de Rechtbank besloten dat zij geloof heeft gehecht aan de verklaring van de klager omtrent de herkomst van het geld en dat zij gelet op die verklaring de verdenking ter zake van witwassen niet voldoende aannemelijk acht. Daarmee is de Rechtbank, die in dit verband (mede) had moeten beoordelen of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag verzet omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring daarvan zal bevelen, vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen de klager. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.2

4.5.

Het middel klaagt daarover terecht.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2, 2.9 en 2.11, en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976.

2 Vgl. o.a. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976, HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2818 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142, alsmede de conclusie AG daarvoor, ECLI:NL:PHR:2013:99.