Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2080

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13/03696
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3302, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslissing tot afwijzing van een door de verdediging gedaan verzoek. Het Hof heeft het door de raadsman bij appelschriftuur en nadien ttz. herhaalde verzoek klaarblijkelijk opgevat - niet als een verzoek tot het doen oproepen van de getuige, maar - als een verzoek dat ertoe strekt de deskundige een ‘onderzoek’ te laten instellen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige. Die uitleg is, in het licht van de bewoordingen waarin het verzoek is gesteld, niet onbegrijpelijk. Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter a.b.i. art. 328 jo. art. 330 Sv om gebruik te maken van de in art. 316.1 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken. Het Hof heeft bij zijn beslissingen tot afwijzing van voornoemd verzoek dus de juiste maatstaf toegepast. In aanmerking genomen voorts dat in de motivering van de afwijzingen besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is zijn beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/03696

Mr. Vegter

Zitting 16 september 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]



1. Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 juli 2013 de verdachte ter zake van ‘’diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen“ veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij zoals in het arrest vermeld toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd.



2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof bij de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van een deskundige een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het tweede middel klaagt – kort gezegd – over de onbegrijpelijke motivering van de afwijzing van dat verzoek. De middelen worden in het licht van HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 gezamenlijk besproken.

4. Ten laste van de verdachte is het meer subsidiaire bewezenverklaard, inhoudende dat:

“hij op of omstreeks 10 februari 2012 t e Alphen aan den Rijn in een woning tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sieraden en een laptop en klokken toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren welk geweld bestond uit het toedienen van het middel GHB (gammahydroxyboterzuur) aan [slachtoffer]”

5. De tijdig ingediende appelschriftuur houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

‘’Het hoger beroep is gericht tegen:

A. de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

B. de aard en hoogte van de opgelegde straf en/of maatregel en de toewijzing

van de vordering van de benadeelde partij.

C. Ik ben voornemens de navolgende getuige-deskundige ter zitting te doen horen: prof. dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog

(…)

Daarnaast heeft de rechtbank als bewijs gebruikt de verklaringen van getuige [betrokkene 2], afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris en is de rechtbank ongemotiveerd althans onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan aan een (herhaald) verzoek van de verdediging om een betrouwbaarheidsonderzoek door prof. dr. Bullens te gelasten naar de verklaringen van [betrokkene 2]. Nu de rechtbank de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs heeft gebruikt, ondanks de uitdrukkelijke betwisting hiervan door cliënt, de persoon van de getuige (zoals deze is gebleken uit de opmerkingen gemaakt door de persoonlijk begeleidster van de getuige), de omstandigheden waarin zij zich bevond ten tijde van de verhoren, en de betekenis die aan haar verklaring toekomt in de bewijsconstructie heeft cliënt er belang bij dat een betrouwbaarheidsonderzoek wordt gelast.’’

6. Op 21 februari 2013 is de zaak door het Hof (mrs. Van Walderveen, Duindam en Wurzer) pro forma behandeld. De raadsman heeft toen meegedeeld dat hij verzoek tot benoeming van de (getuige-)deskundige (na de uitspraak van de Rechtbank op 5 september 2012) in het kader van art. 411a Sv (eveneens) heeft gericht aan de rechter-commissaris, maar dat deze het verzoek bij beslissing van 28 september 2012 heeft afgewezen. Vervolgens licht de raadsman het verzoek uitvoerig toe aan de hand van een pleitnotitie. Hi maakt daarbij melding van de verstandelijke beperking van de getuige, het lage IQ (70) en het feit dat de getuige moeite heeft met tijdslijnen, niet goed is in het besef van chronologie en in ernstige mate beïnvloedbaar is. Het Hof neemt op het verzoek geen standpunt in, omdat het Hof door het ontbreken van het dossier onvoldoende kennis heeft om een weloverwogen beslissing te nemen.

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2013 (mrs. Walderveen, Wurzer, Van der Flier) heeft de raadsman van de verdachte het verzoek zoals hij deze heeft gedaan bij appelschriftuur, gehandhaafd:

‘’De voorzitter deelt mede dat het gerechtshof het dossier en het uitgewerkte vonnis in de strafzaak van de verdachte op 22 april jongstleden van de rechtbank heeft ontvangen, maar dat desondanks de zaak vandaag pro forma wordt behandeld omdat het gerechtshof nog onvoldoende in de gelegenheid is geweest om een datum voor de inhoudelijke behandeling van de zaak vast te stellen.

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld vraagt de raadsman aan de advocaat-generaal of het openbaar ministerie -zoals toegezegd door de advocaat-generaal op de terechtzitting van 21 februari 2013- reeds een definitief standpunt heeft ingenomen omtrent zijn eerdere verzoek tot het benoemen van prof. dr. R.A.R. Bullens als getuige-deskundige met als doel deze te laten rapporteren omtrent de betrouwbaarheid van de door de [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte, afgelegde en door de rechtbank voor het bewijs gebezigde verklaringen.’’

De advocaat-generaal reageerde hierop als volgt:

‘’De advocaat-generaal deelt hierop mede dat het openbaar ministerie -gelet op de datum ontvangst van het dossier- nog niet in de gelegenheid is geweest het verzoek van de raadsman te beoordelen, maar dat de weekdienst van het ressortsparket op een termijn van ongeveer een week na heden een beslissing zal nemen op het verzoek van de raadsman.’’

8. In opnieuw een andere samenstelling (mr. Wiersinga, Tanen, Van der Spoel) neemt de inhoudelijke behandeling van de zaak vervolgens op 11 juli 2013 daadwerkelijk een aanvang. De raadsman deelt mee dat de verdediging het verzoek zoals neergelegd in de appelschriftuur wenst te handhaven en hij ligt het verzoek nader toe aan de hand van de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities die hieronder nog nader worden geciteerd. Vervolgens deelt de voorzitter mee “dat bij de beoordeling van het verzoek om nader onderzoek overeenkomstig artikel 316 Wetboek van Strafvordering het noodzakcriterium van toepassing is.” Daaraan wordt dan nog toegevoegd dat de verdediging heden in de gelegenheid wordt gesteld om al datgene hiertegen in te brengen wat zij in het belang van de verdediging nodig acht, “zodat het hof van oordeel is dat een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 2] niet noodzakelijk is om opheldering in de zaak te verschaffen.”

9. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting van 11 juli 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. De pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

‘’Verzoek tot benoeming getuigen-deskundige

Ten aanzien van de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte verklaringen van getuige [betrokkene 2] heeft cl reeds in eerste aanleg (meermalen) verzocht om een betrouwbaarheidsonderzoek en om in dit kader te benoemen als getuige-deskundige klinisch psycholoog prof. dr. R.A.R. Bullens. Dit verzoek is door de rechtbank steeds afgewezen.

De rechtbank heeft TTZ op 25/07/2012 deze afwijzing gemotiveerd als volgt:

(…)

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 22/08/2012 heeft de verdediging het verzoek herhaald en daarbij het navolgende aangevoerd:

(…)

Bij schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van de rechtbank werd wederom verzocht om een betrouwbaarheidsonderzoek door genoemde getuige-deskundige. Het criterium van het verdedigingsbelang is dan ook van toepassing. De verdediging persisteert bij het verzoek.

Gelet op de persoon van de getuige, de omstandigheden waarin zij zich ten tijde van de verhoren bevond en de wijze waarop de verhoren (m.n. het politieverhoor) hebben plaatsgevonden, is een betrouwbaarheidsonderzoek geïndiceerd. De genoemde bijzondere omstandigheden brengen met zich mee dat specifieke deskundigheid is vereist om een oordeel te kunnen geven omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 2]. Er kan slechts worden afgezien van een betrouwbaarheidsonderzoek, indien de verklaringen van [betrokkene 2] bij de politie en bij de RC van het bewijs worden uitgesloten. Slechts in dat geval is de verdediging door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in haar belangen geschaad.

Daarbij dient nog te worden vermeld dat de verklaringen van getuige [betrokkene 2] een prominente plaats innemen in de bewijsconstructie. Immers, uit geen van de andere gebezigde bewijsmiddelen kan rechtstreeks volgen dat cl concrete wetenschap heeft gehad van de plannen van medeverdachte [betrokkene 1] en dat er dus sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen cl en medeverdachte [betrokkene 1] gericht op een poging gekwalificeerde doodslag.

De verdediging ziet geen meerwaarde in het horen van getuige [betrokkene 2] TTZ van Uw hof. Als gezegd: voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 2] is specifieke deskundigheid vereist, een en ander gelet op de bijzondere omstandigheden als hiervoor reeds genoemd. De verzochte deskundige beschikt over de vereiste deskundigheid, zoals blijkt uit aangehecht stuk afkomstig van www.ruudbullens.nl.

Tenslotte verzoekt cl uw hof om hetgeen namens hem m.b.t. getuige-deskundige Bullens naar voren werd gebracht tijdens de zitting van Uw hof d.d. 21/02/2013 als alhier herhaald en ingelast te beschouwen.’’

10. Het Hof heeft vervolgens in het bestreden arrest het na afwijzing ter terechtzitting alsnog herhaalde verzoek van de verdediging als volgt weergegeven en afgewezen:

‘’De raadsman heeft bij pleidooi, overeenkomstig zijn pleitnotities, het verzoek tot het doen verrichten van een betrouwbaarheidsonderzoek naar de verklaringen van de getuige [betrokkene 2] door dr. R.A.R. Bullens herhaald.

Bij de beoordeling van het verzoek om nader onderzoek is overeenkomstig artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering het noodzaakcriterium van toepassing. Het hof is, gelet op de inhoud van het onderhavige dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [betrokkene 2] niet noodzakelijk is omopheldering over de zaak te verschaffen. Het hof wijst het verzoek dan ook af.’’

11. Namens verdachte is op 7 september 2012 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van 5 september 2012. Bij appelschriftuur van 12 september 2012 heeft de raadsman van de verdachte gemotiveerd verzocht prof. dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, als deskundige op te roepen. De opgave van de verzochte deskundige is derhalve overeenkomstig art. 410, eerste lid, Sv – binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep – tijdig gedaan. Nu de deskundige prof. dr. R.A.R. Bullens niet reeds, overeenkomstig art. 418, tweede lid, Sv, ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel daaraan voorafgaand bij de rechter-commissaris is gehoord, dient bij de beoordeling van het ter terechtzitting van het Hof van 11 juli 2013 gehandhaafde verzoek de deskundige prof. dr. R.A.R. Bullens te horen, overeenkomstig art. 418, eerste lid, Sv jo. art. 288, eerste lid onder c, Sv, het criterium van het verdedigingsbelang te worden gehanteerd. Vgl. ook HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 r.o. 2.42.

12. Gelet op het citaat in de toelichting op het eerste (en tweede) middel richt de klacht zich tegen de afwijzing van het verzoek ter terechtzitting. 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek prof. dr. R.A.R. Bullens als deskundige te horen, zoals hierboven opgenomen onder 8, houdt in dat het Hof gelet op art. 316 Sv het noodzaakcriterium van toepassing acht. In het licht van hetgeen hierboven onder 11 is opgemerkt is dat echter niet de juiste maatstaf. Het eerste middel is derhalve terecht voorgesteld.

11. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof ‘’het verzoek van de verdediging om oproeping van een deskundige heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk, althans ontoereikend, althans onvoldoende heeft gemotiveerd.’’. De motivering houdt naast het onjuiste criterium niets anders in dan dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om al hetgeen in te brengen wat zij in het belang van de verdediging acht kan inbrengen. Dat maakt dat die motivering ook niet enig aanknopingspunt bevat om te begrijpen dat een verdedigingsbelang ontbreekt. Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 r.o. 2.76. Dat klemt te meer nu de door de deskundige op betrouwbaarheid te toetsen verklaring van de getuige [betrokkene 2] als bewijsmiddel 6 in het bestreden arrest is gebruikt en dat bewijsmiddel op onderdelen zelfstandig inhoud geeft aan de rol van verdachte.

12. Dat na afwijzing van het verzoek ter zitting het criterium voor afwijzing van het herhaalde verzoek in het bestreden arrest de gebleken noodzaak terecht als criterium is gebruikt, maakt het voorgaande niet anders. Die noodzaak wordt in het arrest ook niet zodanig toegelicht dat daarin alsnog enig aanknopingspunt valt te lezen om te begrijpen dat (ook) een verdedigingsbelang ontbreekt.

13. De middelen slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG