Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2032

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
12/03218
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3289
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

ECLI:NL:GHSGR:2012:3573

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/03218

Zitting: 2 september 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

M.V. Markiet

1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage, heeft bij arrest van 5 juni 2012 de verdachte ter zake van 1. primair “zware mishandeling”, 2. “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, 3. primair “de voortgezette handeling van zware mishandeling en mishandeling” en 5. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negenentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jonkers, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Bij akte van 6 december 2013 heeft mr. C.C. Peterse, advocaat te Den Haag, het cassatieberoep ingetrokken voor wat betreft de vrijspraak van de onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht.

4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

5. Namens de verdachte is op 19 juni 2012 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit pleegt te leiden tot strafvermindering.

6. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde zware mishandeling (feit 1 en 3) op de grond dat het hof de term “zwaar lichamelijk letsel” uit artikel 302 Sr onjuist heeft uitgelegd en zodoende de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het vijfde middel keert zich met een motiverings- en een rechtsklacht tegen de wijze waarop het hof de primair tenlastegelegde zware mishandeling (feit 3) heeft “gesplitst” en primair zowel zware mishandeling als mishandeling heeft bewezenverklaard. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 12 december 2008 tot en met 21 december 2008 te Rotterdam aan een persoon genaamd [betrokkene 1], opzettelijk wederrechtelijk zwaar lichamelijk letsel (een tattoo ("Mellie"), heeft toegebracht, door deze tattoo opzettelijk in de lies van [betrokkene 1] aan te brengen;

(…)

3.

hij op 15 mei 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd [betrokkene 2], opzettelijk wederrechtelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere tattoos), heeft toegebracht, door deze tattoos opzettelijk

- boven de linkertepel ("Kevin") en

- boven de rechtertepel ("Melvin")

aan te brengen;

EN

hij op 15 mei 2009 te Rotterdam aan een persoon genaamd [betrokkene 2], opzettelijk wederrechtelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere tattoos), heeft toegebracht, door deze tattoos opzettelijk

- onder de rechtervoet ("Stanga") en

- onder de linkervoet (een driehoekje)

aan te brengen;”

8. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter bij de uitleg van de tenlastelegging een grote vrijheid toekomt. Het is uiteindelijk de rechter die de juiste inhoud van de tenlastelegging vaststelt. Die uitleg (vaststelling) van de tenlastelegging is wel gebonden aan regels die door uw Raad zijn geformuleerd. Zij moet stroken met de strekking en bewoordingen van de tenlastelegging, en zij moet duidelijk en begrijpelijk zijn voor alle procesdeelnemers. De verdachte mag als gevolg van de betreffende uitleg van de tenlastelegging niet in zijn verdediging worden geschaad.1 Voorts mag de rechter de tenlastelegging niet denatureren door vrij te spreken van een essentieel onderdeel van de tenlastelegging, en vervolgens het resterende gedeelte te kwalificeren als een strafbaar feit.2 Immers veroordeelt de rechter in zo’n geval voor een heel ander verwijt dan bedoeld door het OM.

9. Wel toelaatbaar is dat de rechter vrijspreekt van een niet essentieel deel van de tenlastelegging en het overige kwalificeert als een strafbaar feit. Te denken valt aan zogenoemde impliciet subsidiaire tenlasteleggingen: het minder ernstige feit ligt als het ware “opgesloten” in het tenlastegelegde zwaardere feit.3

10. Mijns inziens heeft het hof dat laatste hier op een toelaatbare wijze gedaan. Door ten aanzien van de twee tatoeages op de voetzolen, voor eenvoudige mishandeling, en niet voor zware mishandeling te veroordelen, is er alleen iets minder bewezenverklaard dan was tenlastegelegd, niet iets anders. Het essentiële deel van het verwijt (mishandeling) is behouden gebleven.4 De tenlastelegging kan in zijn geheel immers bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat het OM de verdachte slechts mishandeling wilde verwijten, indien de gekwalificeerde vorm, zware mishandeling, niet bewijsbaar (of strafbaar) zou zijn. 5 De gestelde grondslagverlating vermag ik derhalve op dit punt niet in te zien. Het vijfde middel kan in zoverre niet slagen.

11. Voor zover het vijfde middel klaagt over de (on)toelaatbaarheid van de “splitsing” van de tenlastelegging kan ik de stellers van het middel niet volgen. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk gelezen als een cumulatie van meer primair/subsidiair geformuleerde gedragingen. Los van het feit dat een dergelijke splitsing niet per definitie ontoelaatbaar is6, acht ik het in casu ook zeer wel mogelijk en begrijpelijk. Door de tenlastelegging aldus te lezen heeft het hof voor bepaalde handelingen slechts voor het mindere verwijt veroordeeld, niet voor iets wezenlijk anders. In mijn optiek kan de verdachte in deze zaak niet onaangenaam “verrast’’ zijn geweest omdat hem ineens een heel ander (of zwaarder) strafrechtelijk verwijt zou zijn gemaakt. Hier is mijns inziens eveneens geen sprake van grondslagverlating. Het vijfde middel kan derhalve ook in dit opzicht niet slagen.

12. Ten aanzien van het bewezenverklaarde “zwaar lichamelijk letsel” klaagt het tweede middel dat het hof daaraan een verkeerde uitleg heeft gegeven. Ik zie dat anders. De in de tenlastelegging opgenomen woorden “zwaar lichamelijk letsel” moeten geacht worden te zijn gebezigd in de betekenis die het Wetboek van Strafrecht daaraan toekent.7 Artikel 82 Sr geeft uitleg aan de term “zwaar lichamelijk letsel”. Uit vaste rechtspraak en literatuur8 volgt dat artikel 82 Sr geen definitie van zwaar lichamelijk letsel beoogt te geven, maar een (niet limitatief bedoelde) opsomming. Dat brengt mee dat de rechter de vrijheid geniet om buiten de gevallen genoemd in artikel 82 Sr lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen. Bovendien kan dit feitelijke oordeel in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.9 Het toetsingskader laat zich als volgt samenvatten.

13. Allereerst dient onder “lichamelijk letsel” te worden verstaan: elke onaangename verandering van de vroegere vorm van het lichaam of de innerlijke gezondheid. Verder kan de rechter alleen dan zwaar lichamelijk letsel aannemen wanneer het letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Voorts zal de rechter in de bewijsmiddelen duidelijke indicaties moeten verschaffen omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.10

14. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Zwaar lichamelijk letsel

De tekst van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht laat de rechter de vrijheid om buiten de in deze wetsbepaling genoemde gevallen lichamelijk letsel als "zwaar" te kwalificeren. Volgens vaste jurisprudentie moet het betreffende letsel voldoende ernstig zijn om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt, en dienen de gebezigde bewijsmiddelen de benodigde indicaties te verschaffen over de aard en ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het ontbreken van uitzicht op (volledig) herstel.

Blijkens de aangifte van [betrokkene 1] op 10 januari 2009 proces-verbaalnummer 2009005144-1 en de daarbij behorende foto's, is in haar rechterlies net boven haar vagina een tatoeage bevattende de naam "Mellie" gezet. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 mei 201, heeft [betrokkene 1], als getuige, verklaard dat zij deze tatoeage niet wilde. Voorts heeft zij verklaard dat zij geen geld had om de tatoeage te laten verwijderen en daarom een andere tatoeage over die van de verdachte heeft laten zetten. Zij heeft tot slot verklaard dat het aanbrengen van de tatoeage door de verdachte zeer pijnlijk is geweest.

Blijkens de aangifte van [betrokkene 2] op 16 mei 2009, procesverbaalnummer 2009167115-1 en de daarbij behorende foto's zijn op zijn lichaam boven de linker en de rechter tepel de namen Kevin, respectievelijk Melvin getatoeëerd. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij, toen hij merkte dat Melvin een naald pakte die wordt gebruikt voor het zetten van tatoeages, zei dat hij moest stoppen. In de medische informatie/letselbeschrijving van de Forensische Artsen Rotterdam Rijnmond, d.d. 18 mei 2009 ter zake [betrokkene 2], staat dat boven de rechtertepel de naam Melvin is getatoeëerd, links de naam Kevin, de letters zijn +/- 4-8 mm in lengte. Volgens de aangever is hij vastgebonden en is hij tegen zijn zin getatoeëerd. De tatoeages zijn waarschijnlijk blijvend.

Het hof overweegt ten aanzien van de genoemde tatoeages dat deze zijn aangebracht op een bij uitstek gevoelige plaats van het menselijk lichaam, te weten de liesstreek respectievelijk de streek rond de tepel.

Het hof overweegt voorts dat de tatoeages in beide gevallen tegen de zin van de aangevers zijn geplaatst en zonder (medisch) ingrijpen blijvend zullen zijn.

Daarenboven is naar het oordeel van het hof het toebrengen van een tatoeage tegen de zin van de persoon op wiens lichaam de tatoeage wordt aangebracht een onwelgevallige verandering van diens lichaam.

Gelet op het vorenoverwogene dienen naar het oordeel van het hof - anders dan door de raadsvrouw betoogd - de boven beschreven aan beide aangevers toegebrachte tatoeages alle gekwalificeerd te worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof wil aannemen dat naar de thans geldende stand van de techniek het verwijderen van een tatoeage - relatief - pijnloos is en dat - na verwijdering - de kans bestaat op volledig herstel, maar zulks doet aan het oordeel van het hof dat in casu sprake is van zwaar lichamelijk letsel niet af. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat zekerheid van volledig herstel kennelijk niet kan worden geboden en dat de behandeling niet volledig pijnloos is.”

15. Naar ik meen heeft het hof in deze zaak, gezien de bovenstaande bewijsoverwegingen, het geldende toetsingskader voldoende nauwgezet gevolgd en van zijn redenering genoegzaam doen blijken.11 ’s Hofs oordeel getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

16. Opmerking verdient nog het volgende. Het tweede middel voert in de toelichting aan dat ’s hofs motivering onbegrijpelijk is omdat het hof met betrekking tot de tatoeages onder de voetzolen geen zwaar lichamelijk letsel heeft willen aannemen, en met betrekking tot de tatoeages in de lies en bij de tepels wel tot zwaar lichamelijk letsel komt, waarbij het hof onterecht van doorslaggevend belang heeft geacht dat de tatoeages in de lies en bij de tepels op zeer gevoelige plaatsten op het lichaam zijn gezet.

17. Ik kan de stellers van het middel daarin niet volgen. Het hof heeft in zijn oordeelsvorming klaarblijkelijk betekenis gehecht aan de locatie van de tatoeages. Gelijk een litteken in het gezicht naar algemeen spraakgebruik eerder wordt beschouwd als zwaar lichamelijk letsel dan eenzelfde litteken op (bijvoorbeeld) de rug, heeft het hof kunnen oordelen dat tatoeages in de lies en bij de tepels wel en tatoeages onder de voet géén zwaar lichamelijk letsel opleveren.

18. Voor zover de stellers van het middel in de toelichting ervan nog aanvoeren dat ’s hofs overweging dat de geldende stand der techniek (relatief pijnloze verwijdering van een tatoeage) niet afdoet aan het oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, onbegrijpelijk is, treft het geen doel. Het hof heeft daarmee immers willen aangeven dat de wijze en uitkomst van medisch ingrijpen reeds niet relevant is, nu de noodzaak tot medisch ingrijpen, zonder welk ingrijpen het letsel blijvend is, al door de verdachte in het leven geroepen is. Er is een herstelactie benodigd om het lichamelijk letsel niet (meer) zwaar te laten zijn. Louter dat gegeven maakt in deze zaak dat het lichamelijk letsel als zwaar is te kwalificeren, aldus versta ik het hof. Ik vind die opvatting alleszins begrijpelijk. Dat een meervoudige en gecompliceerde beenbreuk met de huidige stand van de medische wetenschap – naar doorgaans mag worden verwacht – vrijwel pijnloos is te genezen, namelijk met een goede medische behandeling en met voldoende en doeltreffende pijnstillers, brengt ook niet mee dat die beenbreuk geen zwaar lichamelijk letsel meer mag worden genoemd.

19. De middelen twee en vijf falen.

20. Het derde middel klaagt over de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om een deskundige te horen. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof heeft miskend dat het horen van een deskundige over het verwijderingsproces van tatoeages noodzakelijk is, althans dat de afwijzing van het verzoek van de raadsvrouw daartoe onbegrijpelijk is.

21. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan een deskundige te benoemen. De pleitnota in hoger beroep houdt – voor zover relevant – hieromtrent het volgende in:

“109. Voor het geval u onverhoopt wel meent dat er voldoende steunbewijs is voor de aangifte van [betrokkene 1], geldt in ieder geval - subsidiair - dat de verweten gedragingen niet kwalificeren als "zware mishandeling" ex artikel 302 Sr. Cliënt dient daarom hoe dan ook van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

(…)

126. Het arrest van de Hoge Raad, 22 mei 1990, NJ 91, 93 kan hier geen uitkomst bieden.

127. Dit betrof een volstrekt andere casus, waarbij een danseres, die niet eerder een tatoeage had gezet, tegen haar zin in op onprofessionele wijze is getatoeëerd. De Hoge Raad plaatst de kwalificatie van zware mishandeling nadrukkelijk in de context van het verwijderingsproces. Nu dat zeer pijnlijk was, ook omdat er allerlei complicaties optraden gedurende dit proces, heeft de Hoge Raad zwaar lichamelijk letsel aangenomen.

128. De Hoge Raad plaats art. 302 Sr bij tatoeage dus nadrukkelijk in sleutel verwijdering. Daarnaast was er sprake van zware mishandeling omdat er ernstige complicaties optraden bij het verwijderingsproces, waardoor het slachtoffer maandenlang haar beroep (danseres) niet heeft kunnen uitoefenen. Het slachtoffer had bovendien zelf geen andere tatoeages, was daar dus geen liefhebber van, waardoor de ongewilde tatoeage extra zwaar viel.

129. Van al deze omstandigheden i.e. geen sprake:

o [betrokkene 1] heeft andere tatoeage over heen laten zetten (verklaring zus [betrokkene 1] bij de RC);

o Geen aanwijzingen dat het opnieuw laten zetten van de tatoeage heel veel pijn heeft gedaan;

o Voortdurende confrontatie gebeurtenis: gaat niet (langer) op, de tatoeage is (inmiddels) weg;

o Andere tatoeages? [betrokkene 1] dacht eraan er 1 te nemen, en heeft een navelpiercing. Heel andere situatie dan danseres in genoemd arrest. Ontsiering valt daardoor minder zwaar, zo mogen we aannemen.

130. Bij dit alles moet worden bedacht dat het arrest van de Hoge Raad waar de AG op doelt dateert uit 1990, ruim 20 jaar geleden. De stand van de techniek is vandaag de dag zodanig dat vrijwel pijnloos tatoeages volledig - dus zonder achterlating van littekens o.i.d. - kunnen worden verwijderd (bijlage 2).

131. Mocht uw hof daaraan twijfelen, dan doe ik bij deze een voorwaardelijk verzoek een deskundige te benoemen die zich kan uitlaten over het verwijderingsproces van tatoeages, of dit een pijnlijk proces is en wat daarvan het resultaat is (volledige verwijdering of littekens o.i.d. blijvend zichtbaar?).

132. Conclusie: in casu geen sprake van zware mishandeling. Cliënt moet dus van dit primaire feit worden vrijgesproken.”

22. Het arrest van het hof van 5 juni 2012 houdt omtrent dit voorwaardelijk verzoek tot het horen van een deskundige het navolgende in:

“Uitdrukkelijk voorgedragen verweren en onderbouwde, standpunten:

Namens de verdachte is door de raadsvrouw, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities, aangevoerd dat de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft zij -zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

(…)

- Geen zwaar lichamelijk letsel.

Het toebrengen van een tatoeage levert geen zwaar lichamelijk letsel op. In dit verband is door de raadsvrouw het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het hof eraan mocht twijfelen dat tatoeages tegenwoordig vrijwel pijnloos – en volledig kunnen worden verwijderd, een deskundige op het gebied van het verwijderingproces van tatoeages te benoemen.

(…)

Ter zake van de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt het hof als volgt.

(…)

Het hof wil aannemen dat naar de thans geldende stand van de techniek het verwijderen van een tatoeage - relatief - pijnloos is en dat - na verwijdering - de kans bestaat op volledig herstel, maar zulks doet aan het oordeel van het hof dat in casu sprake is van zwaar lichamelijk letsel niet af. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat zekerheid van volledig herstel kennelijk niet kan worden geboden en dat de behandeling niet volledig pijnloos is.

Gelet op het vorenoverwogene zal het voorwaardelijk verzoek tot het benoemen van een deskundige op het gebied van het verwijderingproces van een tatoeage worden afgewezen, nu hiertoe geen noodzaak bestaat.”

23. De in het middel bestreden afwijzende beslissing is een beslissing op grond van de art. 328 en 331 eerste lid Sv, in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen op grond van de schakelbepaling van art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van dit verzoek is of de rechter het horen van de deskundige “noodzakelijk” oordeelt.12

24. De raadsvrouw heeft haar verzoek afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat het hof zou twijfelen aan de stelling van de raadsvrouw dat “de stand van de techniek vandaag de dag zodanig is dat tatoeages vrijwel pijnloos volledig – dus zonder achterlating van littekens o.i.d. – kunnen worden verwijderd”. Uit de hierboven weergegeven overwegingen van het hof moet volgen dat deze voorwaarde niet was vervuld. Het hof twijfelde niet aan hetgeen door de raadvrouw omtrent het verwijderen van tatoeages naar voren was gebracht en heeft derhalve geen noodzaak gezien de getuige te horen. Daarmee heeft het hof zijn beslissing op een begrijpelijke wijze gemotiveerd.

25. Het middel faalt.

26. Het vierde middel komt met een motiveringsklacht op tegen ’s hofs beslissing tot afwijzing van het verzoek om af te zien van het horen van getuige [betrokkene 1].

27. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt – voor zover relevant – het navolgende in omtrent het genoemde verzoek van de raadsvrouw:

“Ik heb geen moeite met het feit dat het openbaar ministerie afstand heeft gedaan van het horen van [getuige] als getuige. Ter zake van het horen van [betrokkene 1] als getuige ligt dit anders. Zij is reeds bij de politie alsmede bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. De tenlastegelegde feiten betreffen oude feiten, waardoor naar de mening van de verdediging de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] een rol gaat spelen. Als het openbaar ministerie [betrokkene 1] als een zo belangrijke getuige kwalificeert, vraag ik mij af waarom zij niet meteen na het wijzen van het vonnis als getuige gehoord, dan wel bij appelschriftuur als getuige is opgegeven? Daarnaast verzet ik mij tegen het horen van [betrokkene 1] als getuige ter terechtzitting.”

28. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep vermeldt als beslissing van het hof het volgende:

“De thans aanwezige getuige, [betrokkene 1], zal heden als getuige ter terechtzitting worden gehoord. Het betreft een meegebrachte getuige. Bij de beoordeling van de vraag haar als getuige te horen moet dan ook worden getoetst aan het redelijkheidscriterium.”

29. De in het middel bestreden afwijzende beslissing is een beslissing op grond van de art. 328 en 331 eerste lid Sv, in verbinding met art. 287 tweede lid en 288 eerste lid onder c Sv, welke bepalingen op grond van de schakelbepaling van art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Uit dit stelsel van bepalingen vloeit voor zover relevant voort dat de rechter van het horen van een (door het openbaar ministerie) opgeroepen en verschenen getuige à charge mag afzien indien redelijkerwijze valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging wordt geschaad.

30. Getuige [betrokkene 1] was, na behoorlijk te zijn opgeroepen door het OM, verschenen ter terechtzitting. De raadvrouw heeft het hof gemotiveerd verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid af te zien van het horen van de getuige [betrokkene 1], welk verzoek door het hof is afgewezen. In de toelichting op het middel wordt onder meer geklaagd dat het hof het verzoek heeft afgewezen zonder duidelijk te motiveren waarom het OM in zijn vervolging zou worden geschaad bij het niet horen van de getuige.

31. Bij de beoordeling van het middel moet mijns inziens aansluiting worden gezocht bij de wijze waarop uw Raad de criteria aangaande het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting uiteen heeft gezet in het overzichtsarrest van 1 juli jongstleden. Alhoewel dit arrest algemene regels geeft aangaande getuigen à decharge, vermag ik vooralsnog niet in te zien waarom deze criteria niet ook zouden kunnen gelden voor getuigen à charge. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van het aan te leggen redelijkheidscriterium geldt “dat alleen dan de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren”.13

32. Het lijkt mij in deze zaak evident dat bovenstaande situatie zich hier niet heeft voorgedaan. De verklaringen van [betrokkene 1] konden wel degelijk van belang zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissing. Bovendien was zij niet slechts een willekeurige getuige, maar tevens slachtoffer. Voorts had zij zich met een civiele vordering gevoegd als benadeelde partij. Tegen deze achtergrond is de beslissing van het hof om getuige [betrokkene 1] wel te horen alleszins begrijpelijk. Dit te meer nu de rechter ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om gedegen onderzoek te doen naar de merites van een strafzaak.

33. Voor zover het middel in de toelichting klaagt over de door het hof gegeven motivering kan het eveneens niet slagen. Het hof heeft uitdrukkelijk aangegeven dat aan het redelijkheidscriterium diende te worden getoetst nu het ging om een opgeroepen en verschenen14 getuige. Het hof heeft daarmee (impliciet) te kennen gegeven dat redelijkerwijs viel aan te nemen dat door het niet horen van de getuige het OM in zijn vervolging zou worden geschaad.15 Gezien de omstandigheid dat de getuige tevens slachtoffer en benadeelde partij is, lijkt mij dit niet onbegrijpelijk.

34. Het middel faalt.

35. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 19 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 215-217.

2 Van Dorst, a.w., p. 239-240.

3 Zie noot 2 alsmede HR 8 april 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4138, NJ 1975/329 en HR 19 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1600, NJ 2000/109.

4 Zie hiervoor ook AG Kist in zijn conclusie bij HR 8 april 1975: ECLI:NL:PHR:1975:AB4138, NJ 1975/329.

5 Zie (toen nog) AG Fokkens in zijn conclusie bij HR 24 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1174, NJ 1999/155.

6 Zie HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8880, NJ 2002/441, waar sprake is van een toelaatbare splitsing van de tenlastelegging.

7 Van Dorst, a.w., p. 241.

8 G.H. Meijer, A. Seuters & R. ter Haar, Leerstukken Strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, I.5.

9 HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510, ro. 3.3.

10 HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510, ro. 3.3. en G.H. Meijer, A. Seuters & R. ter Haar, Leerstukken Strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, I.5.

11 Zie hiervoor AG Jörg in zijn conclusie bij HR 16 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5802, NJ 2000/510.

12 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.

13 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, ro. 2.5.

14 Met de bewoordingen “meegebrachte” getuige wordt mijns inziens “opgeroepen en verschenen” getuige bedoeld.

15 Er zijn meer gevallen waarin uw Raad een impliciet gegeven motivering afdoende heeft geacht. Zie bijvoorbeeld
HR 17 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2317, en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3375.