Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:2031

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-08-2014
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
14/00919
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:4005, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/00919

Zitting: 26 augustus 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 31 mei 2013 door het Gerechtshof Amsterdam wegens onder meer (zaak A) 1 primair “voorbereiding van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en (zaak A) 3. “diefstal en medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd” alsook (zaak C) “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd, en valsheid in geschrift”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Voorts heeft het Hof nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard respectievelijk aan het verkeer onttrokken. Verder heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en daarbij telkens aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander op de wijze als weergegeven in het arrest. Tot slot heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de griffienummers 13/02918, 13/02949 en 14/00919. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel keert zich tegen de bewezenverklaring, althans de kwalificatiebeslissing, van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde medeplegen van opzetheling van een tweetal scooters, nu volgens de steller van het middel blijkens de bewijsconstructie [medeverdachte] de medepleger is, zulks ten onrechte nu deze [medeverdachte] deze scooters zelf door enig misdrijf – diefstal – heeft verkregen zodat daardoor ten aanzien van hem een veroordeling wegens opzetheling in de weg staat en hij derhalve niet als medepleger in de zaak van verzoeker kan worden aangemerkt.

5. Hoewel het Hof in zijn bewijsoverweging ter zake heeft overwogen dat gelet op de voorbereidingshandelingen die de verdachte in de periode waarin de genoemde scooters werden gestolen tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] pleegde en het Hof – anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen – daarmee niet zegt dat [medeverdachte] medepleger van de bedoelde opzetheling was, geven de desbetreffende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inderdaad voeding aan de stelling dat het Hof daarbij het oog heeft op [medeverdachte] als medepleger.

6. Ik meen echter dat het middel faalt, nu de in de toelichting op het middel opgeworpen kwestie betreffende de veroordeling van [medeverdachte] zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard – ik laat hier ook even de term Schutznorm vallen -, dat voor een beoordeling daarvan in cassatie geen plaats is.

7. Het tweede middel behelst ten aanzien van het in zaak C bewezenverklaarde de klacht dat uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het feit te Amsterdam is gepleegd en evenmin dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift, te weten art. 9.2. van de Wet studiefinanciering 2000, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

8. Gezien de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, ben ik van oordeel dat daaruit genoegzaam als pleegplaats Amsterdam en als wettelijk voorschrift art. 9.2 Wet Studiefinanciering kunnen worden afgeleid.

9. Het derde middel klaagt dat het Hof het verkort arrest niet tijdig met de bewijsmiddelen heeft aangevuld en dat daardoor de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

10. Het cassatieberoep is ingesteld op 14 juni 2013. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 13 februari 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden met twee maanden is overschreden.1 Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit te leiden tot strafvermindering.

11. Het middel is terecht voorgesteld.

12. Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het derde middel slaagt.

13. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Verzoeker bevindt zich in voorlopige hechtenis.