Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
13/01784
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:695, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 8. 3 en 4 (oud) WVW 1994. Het bestanddeel “zonder rijbewijs” van art. 8.4 (oud) 1994 moet worden uitgelegd als “zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven”. Nu het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard, waarin besloten ligt dat hem op enig moment een rijbewijs is afgegeven, getuigt zijn oordeel dat verdachte het motorrijtuig heeft bestuurd “zonder rijbewijs” van een onjuiste wetsuitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01784

Mr. Harteveld

Zitting 18 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 25 maart 2013 wegens “Overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van de

Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde voor zover inhoudend dat de verdachte zonder rijbewijs heeft gereden niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien blijkens de vaststellingen van het Hof verdachtes rijbewijs ongeldig was verklaard. Subsidiair bevat het middel de klacht dat het Hof ten onrechte niet de na het tijdstip van het bewezenverklaarde feit geldende nieuwe, gunstiger bepaling van art. 8 lid 4 Wegenverkeerswet 1994 heeft toegepast.

3.2. De beide klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 24 juni 2011 te Cuijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 695 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.”

3.4. Voor het bewijs heeft het Hof onder meer gebruik gemaakt van

- de bekennende verklaring van de verdachte, inhoudende

“lk beken het ten laste gelegde feit. Ik heb op 24 juni 2011 te Cuijk een personenauto bestuurd terwijl ik teveel alcohol had gedronken en ik geen rijbewijs had omdat dit ongeldig was verklaard.”

- Een geschrift betreffende de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte vanaf 3 september 2010.

3.5. Waar het in deze zaak om draait is of de verdachte voor de toepassing van de alcoholwetgeving in het verkeer als ‘beginnende’ of daarmee gelijk te stellen bestuurder had te gelden of juist niet, hetgeen verschil maakt voor de toepasselijke alcohollimiet. Het middel stelt primair de vraag aan de orde wat moet worden verstaan onder het in art. 8 lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, voorkomende rijden zonder rijbewijs door de verdachte op 24 juni 2011. Die vraag moet, zo meent de steller van het middel, in ieder geval worden beantwoord aan de hand van de (geschiedenis) van de wijziging van die bepaling zoals die op 1 december 2011 in werking trad, derhalve na dat bewezenverklaarde feit. In die nieuwere bepaling is het - kort gezegd - ‘rijden zonder rijbewijs’ vervangen door – weer kort gezegd - het ‘rijden zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven.’ Volgens de MvT bij het wetsvoorstel dat leidde tot de latere bepaling werd beoogd te komen tot een verduidelijking van de formulering van het vierde lid. Welnu, aldus de steller van het middel, dan diende de oudere bepaling ook al zo uitgelegd te worden en dan is de bewezenverklaring niet correct omdat aan de verdachte wel een rijbewijs was afgegeven – zij het dat dit op enig moment ongeldig is verklaard. Als - het middel verder volgend - die redenering niet opgaat, dan had het Hof – dat de zaak berechtte na de betreffende wetswijziging – de nieuwe, volgens de steller van het middel gunstiger bepaling op grond van art. 1 lid 2 Sr moeten toepassen, zodat de kwalificatie anders had moeten luiden.

Veel hangt af van de vraag hoe de wetswijziging die op 1 december 2011 in werking trad moet worden gezien. Daarvoor zijn ook de voorgangers van art. 8 lid 4 Wegenverkeerswet van belang. Ik zal daarom de opeenvolgende wijzigingen van art. 8 Wegenverkeerswet, met de toepasselijke wetsgeschiedenis, voor zover van belang, hieronder weergeven.

3.6 De differentiatie in de alcohollimieten van art. 8 Wegenverkeerswet 1994 vindt zijn oorsprong in de Wet van 12 mei 2005, Stb. 2005, 283, inw.tr. 1 januari 2006, tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met verlaging van de wettelijke alcohollimiet voor beginnende bestuurders. Art. 8 WVW 1994 werd (voor zover van belang) als volgt gewijzigd:

“1. Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.

4. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een bromfiets die nog niet de leeftijd van 24 jaren heeft bereikt, verboden een bromfiets te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed.”

Bij Wet van 28 juni 2006, Stb. 2006, 322, inw.tr. 1 oktober 2006, tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs werd art. 8 (voor zover van belang) aldus gewijzigd:

“(…)

2. In het derde lid wordt na «zijn verstreken» ingevoegd: , dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, nog geen zeven jaar zijn verstreken,.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt.”

De Memorie van Toelichting1 bevat als relevante passage het volgende:

“Tevens wordt in artikel I, onderdeel B, voorgesteld artikel 8, derde lid, zodanig aan te passen dat de termijn gedurende welke een rijbewijshouder als beginnende bestuurder geldt wordt verlengd van vijf naar zeven jaar indien het eerste afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het moment van afgifte van dat rijbewijs nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2d van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

In aanvulling hierop wordt een nieuw artikel 8, vierde lid, voorgesteld. Sinds 1 januari 2006 geldt zoals gezegd voor de beginnende bestuurder een verlaagde alcohollimiet van 0,2 promille. Inmiddels is door de politie gesignaleerd dat niet bevredigend kan worden opgetreden tegen een bestuurder die zonder rijbewijs een motorvoertuig bestuurt, terwijl hij een bloedalcoholgehalte heeft dat ligt tussen de 0,2 en de 0,5. Dit is het gevolg van het feit dat die persoon niet valt onder de in artikel 8, derde lid, neergelegde omschrijving van beginnend bestuurder («een bestuurder met een rijbewijs dat sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden»). Hij beschikt immers niet over een rijbewijs. Het gevolg daarvan is dat een bestuurder van een motorrijtuig zonder rijbewijs met een alcoholpromillage tussen de 0,2 en 0,5 op dit moment slechts aangepakt kan worden voor de overtreding «rijden zonder rijbewijs», maar niet ook voor het misdrijf «rijden onder invloed». Volgens het huidige artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 kan tegen een bestuurder zonder rijbewijs immers pas strafrechtelijk voor rijden onder invloed worden opgetreden indien hij betrapt wordt met een alcoholpromillage boven de 0,5.

Een beschonken bestuurder zonder rijbewijs verkeert als gevolg daarvan in een betere positie dan een beschonken beginnende bestuurder en dat is niet rechtvaardig.

Om aan deze situatie een einde te maken wordt bij artikel I, onderdeel B, in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 een nieuw vierde lid ingevoegd dat erin voorziet dat iemand die, zonder dat hij in het bezit is van een rijbewijs, een motorrijtuig bestuurt, niet langer alleen kan worden vervolgd voor de overtreding «rijden zonder rijbewijs», maar ook voor het misdrijf «rijden bij een bloedalcoholgehalte tussen de 0,2 en de 0,5».”

Vervolgens werd bij Wet van 2 november 2006, Stb. 2006, 616, inw.tr. 8 december 2006, tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele verwante wetten op een aantal punten van uiteenlopende aard wederom een wijziging van art. 8 aangebracht:

“Artikel I

Ca

In artikel 8, vierde lid, wordt «die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt» vervangen door: die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is.”

Deze bepaling was aan het wetvoorstel toegevoegd bij Tweede Nota van Wijziging2 en werd aldus toegelicht:

“Deze nota van wijziging beoogt enkele kleine onvolkomenheden te herstellen in de wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs (Stb. 322).

Onderdeel A

Artikel 8, vierde lid, heeft tot doel het mogelijk te maken dat ten aanzien van bestuurders die zonder rijbewijs een rijbewijsplichtig motorrijtuig besturen ook de wettelijke alcohollimiet van 0,2 promille voor beginnende bestuurders geldt. Onderdeel A heeft tot doel dit te verduidelijken door toevoeging van de woorden «voor het besturen waarvan een rijbewijs verplicht is».

(….)”

De laatste relevante wijziging3 van art. 8 Wegenverkeerswet 1994 is de door de steller van het middel aangehaalde wijziging bij Wet van 4 juni 2010, Stb. 2010, 259, inw.tr. 1 december 2011, tot Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma. Bij die wet werd art. 8 aldus gewijzigd:

“4. In afwijking van het tweede lid is het derde lid van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een motorrijtuig:

a. die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is, of

b. aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, tot het tijdstip waarop hij na beëindiging van het alcoholslotprogramma overeenkomstig artikel 132d, eerste of derde lid, overeenkomstig de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een rijbewijs zonder de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering heeft verkregen.”

Uit de Memorie van Toelichting4 zijn de volgende passages van belang:

“1.1 Korte inhoud wetsvoorstel

In het onderhavige wetsvoorstel is een aantal wijzigingen opgenomen van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma. Voorgesteld wordt over te gaan tot invoering van het alcoholslotprogramma en de reikwijdte van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer uit te breiden tot de ervaren bestuurders. Beide maatregelen zullen deel uitmaken van deze vorderingsprocedure. Daarnaast worden de verschillende artikelen die betrekking hebben op de vorderingsprocedure opnieuw gerangschikt.

(….)

Verder is gebleken dat bij enkele recente wijzigingen van de Wegenverkeerswet 1994 abusievelijk enkele kleine misslagen zijn ontstaan. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om deze te corrigeren. Tenslotte zijn de bepalingen rond de goedkeuring van het alcoholslot en de erkenningsregelingen geactualiseerd.

(….)

Artikelsgewijze toelichting

(….)

Onderdeel E

(….)

Verder heeft de regering het ook wenselijk geoordeeld om ook in het strafrecht een signaal af te geven. Om de hierboven weergegeven redenen is ervoor gekozen om voor alle deelnemers aan het alcoholslotprogramma de wettelijke limiet, voor de duur van dat alcoholslotprogramma, vast te stellen op de reeds voor de beginnende bestuurder bestaande wettelijke limiet van 0,2‰. Op deze manier kan gewoon gebruik gemaakt blijven worden van de bestaande voorlopige selectiemiddelen en ademanalyseapparaten.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om te komen tot een verduidelijking van de formulering van het vierde lid. Het vierde lid is van toepassing op:

a. bestuurders die een motorrijtuig besturen zonder dat hun een rijbewijs is afgegeven, en

b. bestuurders aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd.

Voor de onder a genoemde bestuurders geldt dat zij in feite gelijk te schakelen zijn met bestuurders met weinig ervaring. Het zou niet reëel zijn deze groep te laten vallen onder de algemene limiet van 0,5‰.

De verlaagde limiet is uitdrukkelijk niet van toepassing op bestuurders aan wie wel ooit een rijbewijs is afgegeven, maar niet voor de categorie motorrijtuig dat hij op dat moment bestuurt, of die een rijbewijs bezit waarvan de geldigheidsduur door het verstrijken van de tijd is verlopen. De limiet van 0,5‰ geldt ook voor bestuurders ten aanzien van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard wegens ongeschiktheid.”

3.7. Terugkijkend op de opeenvolgende wijzigingen van art. 8 Wegenverkeerwet 1994 lijkt het erop dat naast de min of meer autonome redenen voor aanpassing van dit art. 8, zoals de invoering van het bromfietsrijbewijs en het alcoholslot, ook enige inspanningen van de wetgever vereist waren om de regeling van de beginnende bestuurder tot een kloppend geheel te maken. In de eerste versie was de categorie van de rijbewijsloze bestuurder niet vermeld, wat volgens de wetgever5 tot onbillijkheden leidde. Het dichten van dit ‘handhavingsgat’ geschiedde door de grens voor het onder invloed rijden zonder rijbewijs ‘tout court’ gelijk te stellen met die voor de rijbewijshouder die grof gezegd minder dan vijf jaar in het bezit is van het rijbewijs. Maar als ik het goed begrijp6 viel dat ongelukkig uit ten aanzien van bestuurders van motorrijtuigen die niet ‘rijbewijsplichtig’ zijn. Vandaar de toevoeging dat het moest gaan om een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. De op dit punt laatste - en voor de onderhavige zaak rechtstreeks relevante - verfijning in de wetgeving is dat met de beginnende bestuurder wordt gelijkgesteld degene die (onder invloed) rijdt en aan wie geen rijbewijs is afgegeven. In de als laatste aangehaalde Memorie van Toelichting, bij de wetswijziging die op 1 december 2011 in werking is getreden, valt daarover te lezen dat die aanvulling is bedoeld als “een verduidelijking van de formulering van het vierde lid”. Dat zou kunnen impliceren dat dit begrip altijd al is bedoeld, maar dat het onvolkomen was uitgedrukt in de tekst van de vorige bepaling. Dat is ook de primaire stelling in het middel. Daarvoor is veel te zeggen. Het daarvóór in de wet voorkomend begrip ‘zonder rijbewijs’ zal bijvoorbeeld niet betrekking hebben gehad op de bestuurder die domweg zijn rijbewijs niet bij zich heeft - dat spoort niet met de achterliggende ratio legis. De bedoeling was immers – al bij de eerste wettelijke regeling rond de beginnende bestuurder - om de mate van rijervaring mee te laten tellen bij de bepaling van de toegestane alcohollimiet. Daarnaast valt te wijzen op de definitiebepaling in art. 1 lid 1 onder l Wegenverkeerswet 1994, die voor het begrip ‘rijbewijs’ verwijst naar het rijbewijs bedoeld in art. 107 van de wet. Dat is het door de bevoegde instantie afgegeven rijbewijs. Een bestuurder zonder rijbewijs bestuurt dus zonder afgegeven rijbewijs, zo zou men kunnen verdedigen. Dat betekent ook – al is dat nog een stapje verder - dat latere incidenten, zoals de (op enig moment) ongeldigverklaring van het rijbewijs, niet afdoen aan het afgegeven zijn van het rijbewijs. In de MvT7 bij de wetswijziging die op 1 december 2011 in werking trad, is dat ten aanzien van de ongeldigverklaring met zoveel woorden gezegd.

3.8. Daarnaast kan gewezen worden op de samenhang met de ‘gewone ’categorie van beginnende bestuurders. Het ‘startpunt’ bij het bepalen van de termijn, waarvoor de beginnende bestuurderslimiet geldt, is ‘de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven’. In zekere zin opvallend – maar wellicht niet opzienbarend – is dat de duur van de termijn uitsluitend aan dit startpunt is gekoppeld, in die zin dat geen invulling is gegeven aan de mate waarin van het rijbewijs is gebruik gemaakt. Geabstraheerd is van de daadwerkelijke rijervaring die intussen wordt opgedaan door de beginner. In het verlengde daarvan valt te constateren dat de wetgever geen voorziening heeft getroffen voor het geval waarin tussentijds een ontzegging van de rijbevoegdheid is uitgesproken door de rechter (of tegenwoordig ook: het OM) of het rijbewijs ongeldig is verklaard. Een dergelijke ‘rijbewijsloze’ periode leidt niet tot verlenging van de termijn waarbinnen het beginnend bestuurderschap valt. Voorts is bepalend in de tekst van dit stukje wetgeving de ‘eerste keer’ dat een rijbewijs is afgegeven. Daarmee is een latere afgifte van het rijbewijs, bijvoorbeeld na een (tussentijdse) ongeldigverklaring niet relevant. De oude termijn loopt gewoon door. Aldus heeft de wetgever naar het mij voorkomt een keuze gemaakt voor een eenvoudig controleerbaar en goed handhaafbaar begrip van de beginnende bestuurder. De behoefte aan ‘simplificatie’ blijkt ook uit de toevoeging in het vierde lid, bij de tweede wetswijziging in 2006, waaruit duidelijk blijkt dat het opbouwen van rijervaring met het rijbewijs in één categorie voldoende is om, na ommekomst van (in beginsel) vijf jaar buiten het bereik van de beginnende bestuurdersregeling te geraken. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘zonder rijbewijs’, dat naar aangenomen moet worden in dezelfde betekenis is gehanteerd als in het toenmalige art. 8 Wegenverkeerswet 1994, zal dan de betekenis hebben dat nimmer aan de verdachte enig rijbewijs is afgegeven.8

3.9. Uitgaande van de hiervoor verdedigde interpretatie van art. 8 lid 4 Wegenverkeerswet 1994, zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde rijden door de verdachte, is de bewezenverklaring van het onderdeel ‘dat verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs’ onjuist, aangezien het Hof heeft vastgesteld dat aan de verdachte wel een rijbewijs was afgegeven. Het is echter nog maar de vraag waartoe dat in cassatie moet leiden. Voor de strafbaarheid van verdachtes handelen is dit onderdeel niet constitutief: met een ademalcoholgehalte van 695 microgram/liter uitgeademde lucht overschreed de verdachte (verre) de grens die voor de gewone, dus niet ‘beginnende’ bestuurders geldt. De steller van het middel betoogt dat het verschil in startpunt van invloed zou zijn op de op te leggen straf, maar dat lijkt mij niet aannemelijk. Daarbij beroep ik mij op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS – weliswaar geen recht in de zin van art. 79 RO, maar naar het mij voorkomt wel een bruikbaar handvat om het belang in cassatie te kunnen beoordelen. Welnu, bij de hogere alcoholgehaltes (in de adem of het bloed), onder meer zoals in de onderhavige zaak bewezen verklaard, maakt het beginnend bestuurderschap geen enkel verschil. Het enige in de tabel te herkennen effect is dat aan de ‘onderzijde’ van de tabel er een categorie bij is gekomen. Een voldoende wezenlijk belang bij cassatie is er aldus naar mijn mening niet. Daarbij valt nog in aanmerking te nemen dat de raadsman namens de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof aldaar heeft verklaard zich helemaal te kunnen vinden in de door de advocaat-generaal gevorderde straf – welke straf vervolgens door het Hof ook is opgelegd. Naar mijn mening zou de Hoge Raad de bewezenverklaring – en in het voetspoor daarvan de kwalificatie – verbeterd kunnen lezen, in die zin dat uit de bewezenverklaring wordt weggelaten “terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs” en dat de in de kwalificatie de verwijzing naar het derde en vierde lid van art. 8 Wegenverkeerswet eveneens wordt wegegelaten. Aangezien in die lezing de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft deze misslag niet tot cassatie te leiden.

3.10. Mocht de Hoge Raad de hiervoor door mij verdedigde redenering niet willen volgen, dan is de vraag of niet via art. 1 lid 2 Sr de latere wetswijziging toegepast had moeten worden. Ik zal daar wat korter over zijn. Het betreft alsdan een wijziging in de strafbaarstelling zelf, en voor zover die berust op gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten kan dat gevolgen hebben, indien deze wijziging gunstiger is voor de verdachte.9 Dat sprake is van gewijzigd inzicht lijkt mij dan nog wel aan te nemen, aangezien uit de wijziging van een andere kijk op de verkeers(on)veilige aard van de strafbaar te stellen gedraging blijkt. Naar mijn mening impliceert zulks dat de wetgever ook een andere visie heeft op de voor de wetswijziging begane feiten.10 Men kan ook uit de bewoordingen in de MvT11 – die spreekt over verduidelijking –afleiden dat de wil van de wetgever gericht was op het terugdraaien van een achteraf als minder juist ervaren strafbaarstelling.

Ook indien sprake is van een gewijzigd inzicht met betrekking tot reeds begane feiten, is de volgende vraag of de gewijzigde bepaling bij toepassing gunstiger is voor de verdachte. Dat betreft een toetsing in concreto12 en dan moet worden geconstateerd dat de wijziging voor de verdachte juist geen verschil maakt. Zijn handelen is – gelet op het ademalcoholgehalte van 695 microgram/liter - onder de oude en de nieuwe wet gelijkelijk strafbaar. Alsdan is er geen reden voor toepassing van de gewijzigde wet en is de kwalificatie – namelijk conform de wettelijke bepaling die gold ten tijde van het bewezenverklaarde handelen - juist.

3.11. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring en kwalificatie, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 477, nr. 3, p. 15-16.

2 Kamerstukken II, vergaderjaar 2005–2006, 30 476, nr. 9, p. 2.

3 Bij Wet van 21 mei 2012 is art. 8 Wegenverkeerswet nogmaals gewijzigd en heeft het derde lid zijn huidige redactie bereikt. Deze laatste wijziging is ingegeven door het inmiddels mogelijk gemaakte rijonderricht en het behalen van het rijbewijs B voor personen onder de 18 jaar, hetgeen in de redactie van art. 8 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 meegenomen moest worden.

4 Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 896, nr. 3, p. 1, 45-46.

5 Zie de hiervoor geciteerde Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 477, nr. 3, p. 15-16.

6 De hiervoor geciteerde Nota van Wijziging (Kamerstukken II, vergaderjaar 2005–2006, 30 476, nr. 9, p. 2) is op dit punt niet erg helder.

7 Zoals hiervoor geciteerd, Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 896, nr. 3, p. 1, 45-46.

8 In de rechtspraak van de Hoge Raad vond ik twee arresten die wel zijdelings de vraag opriepen naar het effect van een eerder uitgegeven rijbewijs, maar de betreffende verweren stuitten af op een onaannemelijkheidsoordeel van de feitenrechter. Zie HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6750 en HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6477.

9 Vgl. het standaardarrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78.

10 Vgl. G. Knigge, Verandering van wetgeving, diss. RU Groningen, 1984, p. 471.

11 Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 31 896, nr. 3, p. 1, 45-46.

12 Vgl. G. Knigge, a.w. p. 523.