Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:200

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
13/01945
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:694
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. HR: 81.1 RO. Ambtshalve: in aanmerking genomen dat verdachte t.t.v. de uitspraak in h.b. meerderjarig was, had het Hof o.g.v. art. 77aa.4 SR slechts een reclasseringsinstelling a.b.i. art. 14d.2 Sr opdracht kunnen verlenen toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en verdachte daarbij hulp en steun te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01945 J

Mr. Harteveld

Zitting 18 februari 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]


1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 11 maart 2013 ter zake van “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “mishandeling, begaan tegen zijn moeder” veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarde van - kort gezegd - toezicht door Bureau Jeugdzorg, alsmede tot 140 uren werkstraf, subsidiair 70 dagen jeugddetentie. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.247,89 hoofdelijk toegewezen en in zoverre een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 22 dagen jeugddetentie.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en mr. L. Hogeterp, advocaat te Haarlem, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd bij arrest te beslissen op een getuigenverzoek waarbij de verdediging heeft gepersisteerd. Het tweede middel klaagt dat het Hof het getuigenverzoek ter terechtzitting ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2013 houdt het volgende in:

“De raadsvrouw deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

Bij appelschriftuur van 18 januari 2013 heb ik mijn onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Voorafgaand aan de terechtzitting van heden heb ik contact met het ressortsparket over het oproepen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Ik heb begrepen dat het niet mogelijk was om de getuigen vandaag op te roepen ter zitting. Ik verzoek het hof daarom de zaak aan te houden voor het horen van getuigen. Het is naar mijn mening noodzakelijk om de getuigen te horen. Mijn cliënt is veroordeeld op basis van het dossier, zoals dat er lag ten tijde van de behandeling in eerste aanleg. De getuigenverklaringen zijn op essentiële punten tegenstrijdig. Ook is het mogelijk dat de getuigen, als zij wederom worden gehoord, een andere houding zullen innemen, dat zij terugkomen op hun verklaringen. Ik zou de getuigen willen vragen of zij willen terugkomen op hun eerder afgelegde verklaringen. Met name wil ik hen bevragen over tegenstrijdigheden. De getuigen zijn gehoord bij de politie en bij de rechter-commissaris, ze hebben op veel punten tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Niet onmogelijk dat zij, als ze nogmaals worden gehoord, anders zullen antwoorden op de eerder gestelde vragen. Ook wil ik de getuigen vragen of zij volharden in hun eerder afgelegde verklaringen.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

Van het contact tussen de raadsvrouw en het ressortsparket was ik niet op de hoogte. Ik ben van mening dat de noodzaak tot het wederom horen van de getuigen, die eerder zijn gehoord bij de rechter-commissaris, ontbreekt. Ten aanzien van het horen van de moeder van de verdachte geldt het verdedigingsbelang, zij zou heden ter zitting moeten worden gehoord.

Na onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat:

De verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] worden afgewezen, nu deze naar het oordeel van het hof onvoldoende zijn onderbouwd. De verdediging heeft geen feiten en omstandigheden aangebracht - noch zijn die anderszins bekend geworden - die maken dat het noodzakelijk is om de getuigen opnieuw te horen.

(…)

De verdachte en de raadsvrouw voeren het woord tot verdediging. De raadsvrouw doet dit aan de hand van haar pleitnotities, die door haar aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.”

3.3. Anders dan in het eerste middel wil, blijkt uit geen van de stukken dat het getuigenverzoek na de afwijzing daarvan ter terechtzitting opnieuw is gedaan, zodat het Hof niet gehouden was tevens bij arrest op het getuigenverzoek te beslissen.1 Het eerste middel mist derhalve feitelijke grondslag. Opmerking verdient nog dat het enkel bij pleidooi betreuren dat een verzoek niet is toegewezen - zoals in het middel wordt gesteld doch mij evenmin uit de stukken is gebleken - nog niet als herhaling van een verzoek heeft te gelden.

3.4. Ten aanzien van de afwijzing van het getuigenverzoek ter terechtzitting, waartegen het tweede middel is gericht, geldt het volgende. Verzocht is de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] na een eerder getuigenverhoor bij de berechting op tegenspraak in eerste aanleg opnieuw in hoger beroep te horen. [getuige 1] en [getuige 2] zijn de medeverdachten van de (tenlastegelegde en bewezenverklaarde) afpersing van [getuige 3].

Het Hof heeft aan de hand van art. 418, tweede lid, Sv beslist dat het opnieuw horen van de getuigen niet noodzakelijk is. Anders dan het middel wil, is de daartoe gegeven motivering - de onvoldoende onderbouwing van het verzoek en ook geen daartoe nopende andere feiten en omstandigheden - in het licht van het verhandelde ter terechtzitting niet onbegrijpelijk. Het getuigenverzoek is immers met name gedaan om de getuigen te vragen of zij volharden in hun verklaringen en voorts om hen te bevragen naar tegenstrijdigheden, omdat het “niet onmogelijk” is dat zij, als ze nogmaals worden gehoord, anders zullen antwoorden op de eerder gestelde vragen. Anders dan het middel wil, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het Hof het op die gronden (en ook overigens) niet noodzakelijk heeft bevonden deze drie personen opnieuw als getuigen te horen.

4. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

5. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte was ten tijde van de uitspraak in hoger beroep reeds meerderjarig. Het Hof had derhalve op grond van art. 77aa, vierde lid, Sr slechts een reclasseringsinstelling als bedoeld in art. 14d, tweede lid, Sr opdracht kunnen verlenen toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de verdachte daarbij hulp en steun te verlenen. De bestreden uitspraak zal mijns inziens in zoverre in cassatie verbeterd kunnen worden gelezen.2 Dat verdachte ook aan het toezicht moet meewerken indien dit inhoudt dat hij zal meewerken aan begeleiding vanuit Care Express staat aan de verbeterde lezing niet in de weg en kan derhalve onverminderd van kracht blijven, omdat de instelling Care Express is gericht op de begeleiding van jongeren van 12 tot 25 jaar, ook indien sprake is van begeleiding in het kader van reclasseringstoezicht in verband met een veroordeling in het volwassenenstrafrecht.

Een andere grond die tot ambtshalve ingrijpen aanleiding behoort te geven heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing in die zin, dat de bijzondere voorwaarde moet luiden dat verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens deze instelling en dat aan deze instelling de opdracht wordt gegeven om hem hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 20 december 2012, ECLI:NL:HR:2013:2056.

2 In HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0502 leidde dit verzuim tot vernietiging en terugwijzing ten aanzien van de strafoplegging, maar daarin waren er, afgaande op de conclusie van A-G Machielse meer manco’s in de strafoplegging waarop de steller van het middel terecht wees, bij welke optelsom een nieuwe blik van de feitenrechter op de strafoplegging meer aangewezen lijkt.