Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1999

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
14/02365
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:177, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie. Onjuiste berekening behoefte vrouw. Verwijzing met oog op vaststelling terugbetalingsverplichting vrouw (HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/83

Conclusie

14/02365

Mr. P. Vlas

Zitting, 7 november 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

In deze zaak gaat het om de vraag of het hof bij het vaststellen van de behoefte en behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde rekenfouten heeft gemaakt.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Partijen zijn op 21 september 2001 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 2 april 2013 ontbonden door echtscheiding.

1.2

Voor zover van belang heeft de rechtbank Utrecht bij beschikking van 19 december 2012 de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op nihil gesteld.

1.3

Dat oordeel is in hoger beroep vernietigd bij beschikking van 4 februari 2014 van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de man is veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 april 2013 voor een bedrag van € 434,- per maand. Deze beslissing is door het hof, kort weergegeven, als volgt gemotiveerd.

1.4

De totale behoefte van de vrouw is vastgesteld op € 2.529,32 netto per maand (rov. 5.4 – 5.8). Gelet op het netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.113,- per maand, heeft zij een netto aanvullende behoefte van € 416,32 per maand; gelet op de fiscale consequenties betekent dit dat de vrouw een resterende behoefte heeft van € 830,- bruto per maand (rov. 5.9). Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 2 april 2013, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.409,- per maand (rov. 5.12-5.18). Uit een jusvergelijking volgt dat de man € 434,- per maand aan partneralimentatie dient te voldoen (rov. 5.19). Mede gelet op de duur van het huwelijk van partijen en de strenge eisen die door de Hoge Raad aan de stelplicht van de alimentatieplichtige worden gesteld bij een verzoek tot limitering dan wel beëindiging van het recht op levensonderhoud van de vrouw, is het hof van oordeel dat de door de man gestelde omstandigheden onvoldoende zijn om te komen tot limitering van zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (rov. 5.20-5.21).

1.5

Bij brief van 10 februari 2014 heeft de man het hof verzocht een aantal door de man gestelde rekenfouten in de beschikking van het hof te herstellen alsmede de beschikking aan te vullen door alsnog te beslissen op het verzoek van de man om nihilstelling op termijn al dan niet met een afbouwregeling. Bij brief van 13 februari 2014 heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Bij brief van 25 februari 2014 heeft de vrouw afwijzend gereageerd op de stellingen van de man. Bij brief van 18 juni 2014 heeft de man zijn verzoek herhaald.

1.6

Volgens het cassatierekest (onder 2.6) heeft het hof het verzoek van de man niet gehonoreerd, waarvan mondeling kennisgeving zou zijn gedaan aan de advocaat van de man, terwijl een schriftelijk bericht daaromtrent van het hof niet zou zijn ontvangen.

1.7

Uit ambtshalve door mij opgevraagde informatie bij de griffie van het hof blijkt dat het hof op 24 juli 2014 heeft beslist op het verzoek van de man om een herstelbeschikking.1 In deze herstelbeschikking heeft het hof als volgt beslist:

‘Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke rekenfout die zich voor eenvoudig herstel leent. Voor zover er sprake is van een rekenfout in de berekening van de behoefte van de vrouw, zoals door mr. Kersten [de advocaat van de man, A-G] gesteld, dan kan deze niet op eenvoudige wijze worden hersteld. Het herstel zoals door mr. Kersten voorgestaan zou immers leiden tot afwijzing van het verzoek van de vrouw, hetgeen een geheel andere beslissing betreft dan die het hof in de beschikking van 4 februari 2014 heeft genomen. Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op haar beslissing aangaande de hypotheekrente. Het betreft immers een behoefteberekening waarbij met de eventuele fiscale gevolgen geen rekening wordt gehouden. Ten aanzien van het laatste onderdeel van het verzoek [waarin de man verzoekt om nihilstelling op termijn al dan niet met een afbouwregeling, A-G] verwijst het hof naar hetgeen onder 5.21 van de beschikking van 4 februari 2014 is overwogen.

Het hof wijst het verzoek af.’

1.8

De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 4 februari 2014. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel betoogt, kort gezegd, dat het hof rekenfouten heeft gemaakt bij het vaststellen van de behoefte en behoeftigheid van de vrouw (onderdeel 1) en dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de man om nihilstelling van de partneralimentatie (onderdeel 2). Voorts bevat het cassatiemiddel een veegklacht (onderdeel 3).

2.2

Onderdeel 1 betoogt allereerst dat het hof de behoefte van de vrouw onjuist heeft berekend. De klacht slaagt. Het hof heeft in rov. 5.6 en 5.7 de door de vrouw in het kader van de berekening van haar behoefte opgevoerde posten afzonderlijk besproken en vastgesteld tot welk bedrag met deze posten daarbij rekening wordt gehouden. Wanneer de aldus door het hof vastgestelde bedragen bij elkaar worden opgeteld, resulteert dit in een bedrag van € 2.079,32 en niet, zoals het hof heeft berekend, in een bedrag van € 2.529,32. De totale behoefte van de vrouw moet derhalve worden gesteld op € 2.079,32 netto per maand, zodat de door het hof in rov. 5.8 vastgestelde totale behoefte van de vrouw van € 2.529,32 netto per maand onjuist is.

2.3

Gelet op het door het hof vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.113,- per maand, kan de vrouw met een vastgestelde behoefte van € 2.079,32 netto per maand niet worden aangemerkt als behoeftig. Het hof heeft in rov. 5.9 dan ook ten onrechte geoordeeld dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Bij het ontbreken van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw, kan zij jegens de man geen aanspraak maken op een bijdrage in haar levensonderhoud.2

2.4

Bij deze stand van zaken kunnen de overige klachten van onderdeel 1 met betrekking tot de hypotheeklasten van de vrouw en haar netto besteedbaar inkomen onbesproken blijven. Dat geldt ook voor onderdeel 2 waarin het hof wordt verweten ten onrechte voorbij te zijn gegaan aan het verzoek van de man tot nihilstelling van de alimentatieverplichting. De veegklacht van onderdeel 3 deelt in het lot van de voorgaande onderdelen.

2.5

Uw Raad kan de zaak zelf afdoen door het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud alsnog af te wijzen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en tot afdoening van de zaak zoals aangegeven onder 2.5 van deze conclusie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het hof is bij brief van de griffie van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 verzocht om nadere informatie of het hof op het verzoek van de man schriftelijk dan wel mondeling heeft gereageerd. Het antwoord van het hof is op 21 oktober 2014 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.

2 Zie bijv. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Alimentatieverplichtingen, Monografieën (echt)scheidingsrecht, deel 4A, 2014, p. 27-28.