Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1973

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13/04798
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3153, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoek tot aanhouding ottz. De HR stelt revelante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 voorop. Gelet op hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman aan zijn verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04798

Mr. Vegter

Zitting 16 september 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]



1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 oktober 2013, behalve voor wat betreft de strafoplegging en de strafmotivering daarvan en met dien verstande dat het Hof het primair ten laste gelegde en de bewezenverklaring van de Rechtbank verbeterd zal lezen1, bevestigd het vonnis van de Rechtbank Middelburg van 4 oktober 2012 waarbij verdachte wegens primair (I) “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid2 en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”, en primair (II) “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid3 en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden” is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren ten aanzien van het primaire feit onder (I) en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren ten aanzien het primaire feit onder (II). Het Hof heeft voorts bij de strafoplegging bepaald dat de duur van de rijontzegging van drie jaren wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge art. 164 Wegenverkeerswet 1994 ingehouden is geweest.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de in Azerbeidzjan4 verblijvende verdachte bij zijn berechting aanwezig te laten zijn.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2013 vermeldt dat de verdachte niet is verschenen en houdt voorts het volgende in:

“De voorzitter deelt het volgende mee.

De raadsman heeft per brief van 24 juli 2013 verzocht om aanhouding van de zaak wegens een verblijf van verdachte in het buitenland. Verdachte is in zijn geboorteland geopereerd en zou daar moeten verblijven in verband met het herstel en de nabehandeling. Dat verzoek is niet op voorhand gehonoreerd.

De raadsman deelt hierop mee.

Ik ben niet gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren. Ik doe een hernieuwd aanhoudingsverzoek. Op 20 juni 2013 is de inhoudelijke behandeling van de zaak aangehouden wegens familieomstandigheden aan mijn kant. Voor mijn cliënt was een inhoudelijke behandeling van de zaak op 20 juni 2013 geen probleem geweest. Op 5 juli 2013 ontving ik het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 juni 2013 met daarin vermeld de nieuwe datum voor de inhoudelijke behandeling.

Deze datum heb ik doorgegeven aan mijn cliënt. Bij terugkomst van mijn vakantie bleek dat ik een brief van cliënt had ontvangen waarin hij meedeelde dat hij in het buitenland verblijft in verband met een operatie en de nabehandeling. Op 24 juli 2013 heb ik een aanhoudingsverzoek ingediend bij het hof. Dat verzoek is zonder nadere motivering afgewezen. Ik doe namens mijn cliënt hier ter terechtzitting het verzoek om de behandeling aan te houden. Mijn cliënt wil ter zitting aanwezig zijn.

Cliënt is door het ongeluk ernstig verminkt geraakt. Dit is al gebleken ter terechtzitting in eerste aanleg. Cliënt wilde een operatie en behandeling ondergaan in zijn geboorteland, omdat deze niet worden vergoed in Nederland. Ik heb ook begrepen dat de operatie in zijn geboorteland goedkoper is. Hij heeft inmiddels een donoroor gekregen. Cliënt kreeg een telefoontje dat een donoroor beschikbaar was gekomen en dat hij kon worden geopereerd. Dit was op 20 juni 2013 nog niet bekend. Bij de nabehandeling worden er siliconen in zijn gezicht gespoten om zijn gezicht te modelleren. Deze nabehandelingen kunnen niet worden uitgesteld. Derhalve is het voor cliënt niet mogelijk om heden ter terechtzitting te verschijnen. Ik ben van mening dat het, naast zijn wil om aanwezig te zijn, ook wenselijk is dat cliënt bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig is. Ik acht dit van belang, omdat de rechtbank bij de op te leggen straf in het nadeel van verdachte rekening heeft gehouden met zijn houding ter terechtzitting. Ik vind het belangrijk dat het hof de juiste indruk krijgt van cliënt, lk verwijs nog naar een uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2011, LJN: B04453.

De voorzitter deelt mee.

Ik heb hier het aanhoudingsverzoek van 24 juli 2013. Daarop staat aangetekend dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen in verband met de belangen van het slachtoffer en de nabestaanden, alsmede gelet op de onzekere duur die de behandeling van verdachte met zich meebrengt. Kennelijk is die motivering niet aan de raadsman doorgegeven, hetgeen te betreuren is. Bij de brief met het verzoek om aanhouding zijn enkele bijlagen gevoegd omtrent de behandeling van verdachte. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de operatie en de nabehandeling niet kan worden uitgesteld. Ik houd u de bijgevoegde vertaalde brief van Khatai Clinic voor. Op 6 april 2013 heeft succesvol een reconstructie plaatsgevonden. Verdachte is ontslagen uit het ziekenhuis. De volgende operatie is gepland op 17 juli 2013. Gedurende die operatie zullen er siliconen in het gezonde deel van de huid worden gespoten. Drie maanden lang dienen er elke week opnieuw siliconen in de huid te worden gespoten. Vervolgens zal de gezonde huid gebruikt worden om de brandwond te bedekken. Daarna zal een vierde operatie gepland worden voor het laten terug groeien van de wenkbrauwen. In de brief is niet vermeld dat verdachte permanent in het ziekenhuis moet verblijven. Voorts blijkt niet dat verdachte niet in staat zou zijn om te reizen en de behandeling van deze zaak, die naar verwachting niet meer dan enkele uren zal duren, bij te wonen.

De advocaat-generaal deelt mee.

Ik ben van mening dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Verdachte heeft er zelf voor gekozen om de operatie en nabehandeling in zijn geboorteland te laten plaatsvinden. Niet is gebleken van een klinische opname in een ziekenhuis. Het is een ambulante behandeling. Verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan een ernstig feit. Verdachte is op de hoogte van het feit dat de zaak vandaag inhoudelijk behandeld wordt. Ons wordt geen enkel perspectief gegeven wanneer de behandeling van verdachte afgelopen zal zijn. De verdachte vertoont vluchtgedrag.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee.

Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af. Niet is gebleken dat verdachte niet in staat is om te reizen dan wel dat het een klinische behandeling betreft. Ook is niet gebleken dat verdachte voortdurend moet verblijven in het land waar de behandeling plaatsvindt. Verdachte was reeds geopereerd voorafgaand aan de zitting van 20 juni 2013 en was tevens op de hoogte van de nieuwe zittingsdatum. Toch heeft verdachte zelf besloten zonder enig overleg naar het buitenland te vertrekken. Het hof heeft eveneens acht geslagen op de omstandigheid dat geen duidelijkheid bestaat omtrent de duur van de behandeling van verdachte. Mede gelet op de belangen van de overige partijen wijst het hof het verzoek af.”

3.3. Blijkens dat proces-verbaal heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten, waarna het Hof op 1 oktober 2013 uitspraak heeft gedaan waarbij het de verdachte heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden.

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat, indien een verdachte door ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter aan dit verzoek voldoet teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.5

3.5. In de onderhavige zaak is de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 20 juni 2013 aangehouden, omdat er aan de zijde van de raadsman een sterfgeval was. Na ontvangst van het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 juni 2013 heeft de raadsman de nieuwe zittingsdatum aan de verdachte doorgegeven. Deze heeft aan zijn raadsman laten weten dat hij in het buitenland verblijft in verband met een operatie en de nabehandeling. Verdachte heeft zelf ook zwaar lichamelijk letsel bekomen6 als gevolg van het verkeersongeluk en een operatie in zijn geboorteland is goedkoper. Op 24 juli 2013 heeft de raadsman een aanhoudingsverzoek ingediend bij het Hof, dat zonder destijds voor de verdediging kenbare motivering is afgewezen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2013 blijkt dat de motivering van de afwijzing, te weten de belangen van het slachtoffer en de nabestaanden alsmede de onzekere duur die de behandeling van de verdachte met zich meebrengt, kennelijk niet aan de raadsman is doorgegeven. Aan het verzoek tot aanhouding van 24 juli 2013 zitten enkele bijlagen, waaronder een vertaalde brief van de kliniek. Deze behelst onder meer dat er bij de verdachte op 6 april 2013 een reconstructie heeft plaatsgevonden, dat op 17 juli 2013 de volgende operatie staat gepland waarbij er siliconen in het gezonde deel van de huid worden gespoten, en dat vervolgens drie maanden lang er iedere week opnieuw siliconen dienen worden gespoten in de huid. De gezonde huid zal vervolgens worden gebruikt om de brandwond te bedekken. Daarna zal nog een vierde operatie worden gepland voor het laten terug groeien van de wenkbrauwen. Hoewel de raadsman voor aanvang van de zitting wist dat zijn aanhoudingsverzoek in ieder geval was afgewezen, is hij niet zekerheidshalve met aanvullende stukken omtrent (de duur van) de behandeling van de verdachte in de buitenlandse kliniek naar de zitting gekomen.

3.6. In casu gaat het om een zeer ernstig verkeersongeluk waarvan de verdachte als veroorzaker daarvan wordt verdacht. De passagier van de aangereden auto is ten gevolge van het ongeval overleden en de bestuurder van die auto heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Gelet op het feit dat de zaak al eerder was aangehouden door het Hof, de onbekende duur van de behandeling van de verdachte, de ernst van de geschonden norm, de dramatische gevolgen en de aanwezigheid van de nabestaanden van een van de slachtoffers op de terechtzitting van 17 september 2013, komt mij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het Hof op de zitting van eerdergenoemde datum niet onbegrijpelijk voor.

3.7. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In dier voege dat de woorden “twee, althans één, gebroken bekken” worden vervangen door de woorden “een gebroken bekken”.

2 Bij de huidige stand van de rechtspraak valt niet goed te begrijpen waarom geen middel is geformuleerd over de roekeloosheid.

3 Zie voetnoot 2.

4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2013 verblijft de verdachte in zijn geboorteland. Dit betreft de voormalige Sovjet-Unie. De verdachte is geboren in [geboorteplaats].

5 Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466.

6 Volgens de raadsman heeft de verdachte inmiddels een donoroor gekregen. Zie voorts de medische correspondentie van dhr. C. Lafaire, medisch afdelingshoofd van het Brandwondencentrum te Zierikzee, d.d. 27-12-2012: “30% brandwonden na verkeersongeval ter hoogte van gelaat, de hals, de rechterarm en de thoracale regio.”