Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1968

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-10-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13/04563
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3147, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Gelet op de door het Hof vastgestelde f&o heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04563

Zitting: 14 oktober 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoekster = verdachte]

1. Verzoekster is bij arrest van 17 september 2013 door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en het beslag, één en ander op de wijze als vermeld in het arrest.

2. Namens verzoekster heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van de voorbedachte raad.

4. In deze zaak gaat het om een crime passionnel. Verzoekster heeft met messteken de minnares van haar overspelige vriend om het leven gebracht. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat:

“zij op 02 oktober 2010 te Heesch, gemeente Bernheze, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een mes in het lichaam van [slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. De bewezenverklaring berust op de bewijsvoering van het Hof zoals opgenomen in de bestreden uitspraak. De bewijsmiddelen houden (inclusief hieronder niet weergegeven voetnoten), voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“A.

De verklaring van [betrokkene 1]

Ik woon in het appartementencomplex aan de [a-straat] in Heesch. Naast mij woonde [slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]). Zij woonde op nummer 4k.

Op 2 oktober 2010, omstreeks 21.14 uur, hoorde ik geschreeuw aan de galerijzijde van ons appartementencomplex. Ik ben gaan kijken. Ik hoorde vrouwen schreeuwen. Ik zag dat de voordeur van [slachtoffer] openstond. Ik hoorde dat daar het geluid vandaan kwam. Toen zag ik dat er twee vrouwen de woning van [slachtoffer] uit kwamen rollen. Eén van deze vrouwen betrof mijn buurvrouw. De twee vrouwen lagen voor de voordeur op de grond te vechten. Ze lagen op elkaar en ze waren aan het duwen en trekken. Het was op dit moment donker. Ik wist dat het mijn buurvrouw betrof omdat ze naar mij keek, ik haar stem herkende en ze riep naar mij. Ik hoorde dat mijn buurvrouw riep: Ja help me nou. Ik ben direct terug naar binnen gegaan en heb naar mijn vriendin geroepen dat ze 112 moest bellen. Zij is mij de telefoon komen brengen. Ik ben de galerij weer op gegaan en ik zag dat de twee vrouwen niet meer op de galerij aan het vechten waren. Ik ben naar de woning van [slachtoffer] gelopen en zag dat de voordeur dicht was. Wel zag ik door het raam naast de voordeur dat de twee vrouwen binnen aan het worstelen waren in de gang van de woning. Ik hoorde dat mijn buurvrouw wederom riep: help me nou. Ik heb nog geprobeerd de deur te openen maar dit lukte niet. Ik was op dat moment nog steeds telefonisch in gesprek met de politie. Na het gesprek met de politie was het ook stil in de woning. Ik heb de politieagenten meegenomen naar de woning van [slachtoffer]. Later zag ik dat de politie naar buiten kwam met de voor mij onbekende vrouw waarmee mijn buurvrouw had gevochten. Ik herkende haar aan haar blonde haar en haar postuur. Ik weet heel zeker dat de vrouw die afgevoerd werd door de politie ook de vrouw was die met mijn buurvrouw aan het worstelen was.

B.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

Op 2 oktober 2010 omstreeks 21.20 uur, kregen wij, verbalisanten, de opdracht te gaan naar Heesch. Aldaar zou op de [a-straat] 4k een gevecht gaande zijn tussen twee vrouwen. Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2], kwamen omstreeks 21.30 uur ter plaatse en zeer kort hierop kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3], eveneens ter plaatse. Wij, verbalisanten, zagen dat de woning een dichte voordeur had. Wij zagen rechts van de voordeur een lang smal raam. Wij zagen dat in de woning alles donker was en schenen met onze lampen via voormeld raam de woning in. Wij zagen dat we in de hal konden kijken van de woning. Wij zagen dat er op de grond en op de muren een roodkleurige vloeistof aanwezig was, gelijkend op bloed. Wij zagen bij de voordeur, aan de binnenzijde, veel roodkleurige spetters en verderop bij een half openstaande deur aan de rechterzijde, een soort handdoek liggen. We zagen dat daarbij ook een flinke plas roodkleurige vloeistof lag. Wij zijn aan gaan bellen en op de deur en ramen gaan bonzen, onderwijl luid roepend: "Politie, openmaken". Er werd nergens op gereageerd. Wij besloten om de woning binnen te gaan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb met behulp van een koevoet een ruit linksonder naast de voordeur vernield. Vervolgens betraden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], via de ontstane opening in de ruit, de woning. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zagen in de woonkamer, vanuit de hal gezien, rechts van de deur, een vrouwelijk slachtoffer bewegingsloos op de grond liggen. Wij, verbalisanten, zagen dat er veel rode, op bloed gelijkende, vloeistof op de grond om het slachtoffer heen lag. Wij, verbalisanten, zagen dat het slachtoffer op haar buik lag met haar hoofd richting de deur naar de hal.

Wij, verbalisanten, zagen dat het lichaam van het slachtoffer geheel onder een rode, op bloed gelijkende, vloeistof zat. Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb het slachtoffer op haar rug gedraaid. Wij, verbalisanten, zagen dat het slachtoffer meerdere steekwonden aan de voorzijde van haar bovenlichaam had. Ik, verbalisant [verbalisant 2], voelde geen hartslag. Wij, verbalisanten, hoorden geen ademhaling bij het slachtoffer.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat er in de woning een draairaam aan de zijde van de [a-straat] open stond. Ik, verbalisant [verbalisant 1], keek door het geopende raam naar buiten. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag op een brede betonnen richel aan de buitenzijde links van het geopende raam een vrouw, de nader te noemen verdachte [verdachte], ineengedoken zitten. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat [verdachte] donkerkleurige, vermoedelijk lederen, handschoenen droeg. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag plots dat de pruik van [verdachte] op de grond viel. Vervolgens hebben wij, verbalisanten, [verdachte] op 2 oktober 2010 te 21.42 uur aangehouden.

Omstreeks 21.43 uur ben ik, verbalisant [verbalisant 1], samen met ambulanceverpleegkundige [betrokkene 3] de woning in gegaan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [betrokkene 3] tegen mij zei dat het slachtoffer geen voelbare hartslag meer had. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat [betrokkene 3] het slachtoffer vervolgens aansloot op de hartmonitor. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er geen hartritme te zien was op de hartmonitor. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [betrokkene 3] mij meedeelde dat het slachtoffer overleden was.

Op het bureau van politie gaf de verdachte desgevraagd volledig op te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats].

C.

(…)

D.

Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood: De overledene, [slachtoffer], woonde aan de [a-straat] 4k

te Heesch en is aldaar dood aangetroffen op 2 oktober 2010 omstreeks 21.20 uur.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1943, is het navolgende gebleken:

In totaal 18 scherprandige huidperforaties, waarvan 2 doorsteken. In totaal 14 scherprandige snijletsels.

Er was meervoudige perforatie aan de borst en buik met onder andere meervoudige perforatie van vitale organen (longen, lever) gepaard met fors bloedverlies en functieverlies van de longen door samenvallen van de longen.

(…)

E.

Proces-verbaal Bemonstering en kledingonderzoek verdachte:

Verdachte was op 2 oktober 2010, omstreeks 21.42 uur, aangehouden ter zake van een geweldsmisdrijf op de [a-straat] 4k.

Door de plaatselijke politie was op 2 oktober 2010 kleding en een rugzak van de verdachte veiliggesteld en in beslag genomen en aan mij, verbalisant [verbalisant 7], ter beschikking gesteld voor nader onderzoek.

F.

(…)

G.

(…)

H.

Proces-verbaal Onderzoek rugzak:

Op 4 oktober 2010 werd door ons, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], als forensische onderzoekers een forensisch onderzoek naar sporen verricht aan een veiliggestelde rugzak met inhoud, in verband met een doodslag/moord, gepleegd op 2 oktober 2010.

Op de rugzak waren enkele ogenschijnlijke bloedsporen zichtbaar. Na opening van het grote vak zagen wij een roodkleurige schrijfplank met diverse formulieren. Op meerdere formulieren bevond zich bloed. Na verwijdering van de schrijfplank met formulieren uit de rugzak werd het lemmet van een mes zichtbaar. Het betrof een uitbeenmes van het merk Victorinox, type Fibrox. Het mes had een totale lengte van ongeveer 26 centimeter. Het lemmet had een lengte van ongeveer 13 centimeter en het heft had een lengte van eveneens ongeveer 13 centimeter. Op het mes, zowel het lemmet als het heft, bevond zich bloed.

Het mes werd veiliggesteld voor eventueel nader onderzoek (AACN5321NL).

Na verwijdering van schrijfplank met formulieren uit de rugzak, werd een blauwkleurige spijkerbroek zichtbaar. De broek was opgefrommeld en binnenstebuiten gekeerd. Op de pijpen aan de voorzijde van de broek werd bloed aangetroffen. (...) Op de broekspijpen aan de achterzijde van de broek werd eveneens bloed aangetroffen. (...)

De spijkerbroek werd veiliggesteld voor eventueel nader onderzoek (AACN5322NL). (...)

De (naar het hof begrijpt: eveneens in de rugzak aangetroffen) krant betrof een uitgave van het Eindhovens Dagblad, gedateerd 29 september 2010. De krant was opgevouwen.

De krant werd voor eventueel nader onderzoek veilig gesteld.

Na openvouwen van de krant werd een uitbeenmes zichtbaar. De totale lengte van het mes bedroeg ongeveer 27,5 centimeter.

Het lemmet had een lengte van ongeveer 13 centimeter en het heft had een lengte van ongeveer 14,5 centimeter. Op het mes was ogenschijnlijk geen bloed aanwezig.

Na verwijdering van de krant met daarin het mes (...) uit de rugzak werden de navolgende goederen in de rugzak aangetroffen: (...) een opgevouwen zwartkleurig T-shirt (...) en een opgevouwen fleecevest.

I.

(…)

J.

Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2011:

Ik had al vier jaar een relatie met [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]). Op een gegeven moment ontdekte ik dat hij overspelig was, in ieder geval met [slachtoffer].

K.

Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013:

Ik kan me 2 oktober 2010 nog herinneren, 's Ochtends was ik in Mariahout bij [betrokkene 2]. Hij zou die dag naar Canada vertrekken en we hadden afgesproken dat ik hem in Siebengewalt zou afzetten. Van daaruit zou hij naar Schiphol rijden en ik zou naar mijn huis in Kootwijkerbroek gaan. 's Middags was ik alleen thuis. Mijn zoon is in de namiddag met zijn toenmalige vriendin bij mij op bezoek gekomen. Zij zijn aan het begin van de avond weer vertrokken.

L.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie:

Ik schat dat ik rond 20:00 uur (het hof begrijpt: op 2 oktober 2010) vertrokken ben (het hof begrijpt: naar Heesch). Het is een klein uur rijden.

M.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie:

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisanten

V: Wanneer heb je die messen uit de gereedschapskist gehaald?

A: Zaterdag 2 oktober 1010.

V: Thuis zag je datje 2 messen had in plaats van 1. Wat heb je ermee gedaan?

A: Ik zag dat ze erg vies waren en toen heb ik ze schoon gemaakt. Ik heb die messen schoon gemaakt in de gootsteen bij me thuis.

V: Je hebt ze schoongespoeld en toen?

A: Toen heb ik de rugtas gepakt en toen had ik er wat kleren ingegooid. (...) Ik heb die messen gepakt en in een krant gewikkeld en in die tas gedaan. (...) Volgens mij lagen ze gewoon boven op.

V: Begrijp ik het goed dat ze verpakt in een krant zaten, waarom was dat?

A: Zodat ze de tas en de rest wat in de tas zat niet zouden beschadigen.

V: Op welk moment heb je die messen afgespoeld en ingepakt?

A: Vlak voordat ik wegging richting Brabant.

V: Je had al eerder gezegd datje een rode schrijfplank bij je had. Wat heb je daarmee gedaan toen je in Heesch was?

A: Ik had hem in mijn hand toen ik aanbelde. (...)

V: Wat zat er op die schrijfplank?

A: Papieren. Ik weet niet eens wat. Ik had die plank vanuit het kantoortje van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) meegenomen. Het waren papieren van het bedrijf.

V: Wanneer heb je die schrijfplank meegenomen?

A: Zaterdag.

V: Wat wasje gedachte op het moment datje de messen en het schrijfplankje mee wilde nemen?

A: lk weet alleen dat ik (...) een reden wilde verzinnen zodat zij open zou doen.

(...)

V: Welke dinsdag bedoel je dan?

A: De dinsdag voor 2 oktober in diezelfde week.

V: Dus als ik het goed begrijp ben je na die dinsdag gaan denken hoe je het aan zou pakken?

A: Ja, dat klopt.

(...)

A: Ik ben naar haar (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]) toe gegaan en ik heb haar naar de huiskamer gesleept omdat daar meer licht was.

(...)

V: Je sleept haar naar de huiskamer en dan?

A: Ik weet dat ik toen terug keek naar de gang en dat ik zag dat er heel veel bloed lag. Ik schrok nog meer en heb ergens een deken vandaan gepakt en die heb ik erover heen gelegd.

V: Begrijp ik het goed datje een deken over [slachtoffer] (het hof begrijpt. het slachtoffer [slachtoffer]) legde?

A: Nee, over het bloed in de gang.

(...)

V: Je wil niet dat [slachtoffer] je herkent, waarvan kent [slachtoffer] je dan?

A: Ik wist niet of zij mij zou herkennen of niet.

Het navolgende deel van het verhoor is niet mee getypt maar wordt volstaan met een korte samenvatting van dit gedeelte van het verhoor.

Verdachte vertelt dat zij aangebeld heeft en dat [slachtoffer] de deur opende, waarop een worsteling ontstond.

Zij verklaarde dat:

- (...)

- [slachtoffer] probeerde haar naar buiten te werken en de deur dicht te doen.

- Dat zij zich vervolgens heeft verweerd

- (...)

- Dat er vervolgens een worsteling ontstond tussen hen beiden en dat zij al worstelend op de galerij terecht kwamen.

- Dat zij [slachtoffer] naar binnen wist te werken

- (...)

- Dat zij de voordeur dicht heeft gedaan, terwijl zij [slachtoffer] vasthield.

- Dat zowel [slachtoffer] als zij in de gang bleven worstelen en beiden op de grond terecht kwamen

- (...)

- Dat zij [slachtoffer] met het mes meerdere malen, op verschillende plaatsen, heeft gestoken.

- Dat zij op een bepaald moment merkte dat [slachtoffer] zich niet meer verweerde.

N.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie:

Verbalisanten: Wat voor spullen heb je gepakt?

Verdachte: (...)Er moet in ieder geval een broek, een T-shirt en een fleeceshirt in de rugzak hebben gezeten.

lk had verder een rood plastic klembord waar je papieren in kan klemmen.

Ik weet dat ik een pruik had, die had ik thuis al opgedaan.

Verbalisanten: Wat heb je nog meer meegenomen?

Verdachte: Ik weet dat ik een mes in die tas heb gedaan.

Verbalisanten: Wat voor mes was dat?

Verdachte: Volgens mij was het een vleesmes. Ik heb het uit een gereedschapskist.

Verbalisanten: Hoe ging het verder?

Verdachte: Ik ben naar binnen gegaan naar het appartement van [slachtoffer]. Ik had het klembord toen vast. Waarom dat was weet ik niet, maar het was meer het beeld wat ik wilde scheppen.

Dat als ze door het kijkgaatje keek, zij misschien dacht dat er iemand stond om een enquête af te nemen.

(...)

Verbalisanten: Waar heeft de worsteling plaatsgevonden?

Verdachte: Voornamelijk in de hal en ook even in de galerij en daarna weer in de hal.

Verbalisanten: Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het openen van de deur en de worsteling in de hal?

Verdachte: Hooguit enkele minuten?

Verdachte: Ik voelde dat [slachtoffer] mij vastgreep bij mijn armen en bij mijn jas en ik hoorde dat ze 'eruit' zei. En ze wilde mij uit haar huis hebben.

Verbalisanten: Als je voor de tweede keer in de hal bent, wat gebeurt er dan?

Verdachte: Ja, die worsteling gaat verder. Nog steeds aan het duwen en trekken. (...)

Verbalisanten: Op welk moment heb jij het mes gepakt?

Verdachte: Op het moment dat wij op de grond lagen in die worsteling. Dat was toen we voor de tweede keer in de hal waren; toen had ik op een gegeven moment het mes vast. Het mes zat in mijn rugzak.

O.

De verklaring van verdachte ten overstaan van de politie:

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisanten.

V: Je hebt verklaard datje de messen in een krant verpakte omdat je bang was dat de rest van de inhoud beschadigd zou worden, hoe beschadigen?

A: Kapot gaan, door die messen. Die messen zijn scherp. Ik wist voordat ik die messen meegenomen heb dat die messen heel scherp waren.

V: Daarover heb je dus bewust nagedacht?

A: Ja.

(...)

V: Waarom neem je die messen van [betrokkene 2] mee en geen mes van jezelf?

A: Ik heb niet dat soort messen. Ik heb thuis alleen maar een groot broodmes.

P.

De verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris:

Op een gegeven moment had ik een mes in mijn handen en heb ik haar gestoken.

Q.

Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2011:

Toen [slachtoffer] de deur opende, vroeg ik of zij [slachtoffer] was. Zij beaamde dat en toen ben ik binnengestapt. (...) Zij wilde mij de deur uitwerken.

R.

Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013:

(pagina 10 en 11)

Ik wilde niet door haar herkend worden wanneer ik zou aanbellen. (...)

Die avond had ik ter vermomming een pruik opgezet. Het klopt dat ik op internet heb gezocht naar vermommingen.

(pagina 11)

Ik had inderdaad zo'n plankje met papieren bij me. (...)

Nadat ik had aangebeld, heeft zij (het hof begrijpt: het latere slachtoffer [slachtoffer]) voor mij de voordeur van het appartement geopend. Ik had op dat moment mijn pruik nog steeds op.(...)

Op enig moment lagen wij allebei op de grond; ik herinner mij niet wie boven of onder lag.

Op een bepaald ogenblik had zij even haar handen om mijn keel en had ik een mes in mijn hand. Ik heb haar toen gestoken. (...)

Het mes kwam uit mijn rugzak. (...) Waarschijnlijk heb ik die (het hof begrijpt: rugzak) meegenomen om [slachtoffer] in verwarring te brengen of zo. Het maakte ook deel uit van mijn vermomming. Het klopt dat de inhoud van de rugzak later is onderzocht en dat daarin onder andere (...) twee messen (...) zijn aangetroffen.

(pagina 12)

Het klopt dat ik tijdens de worsteling het mes heb gepakt. Ik wist dat het bovenin de rugzak zat. Omdat de rugzak open was en het mes losjes in een opgerolde krant verpakt zat, kon ik dat gedurende de worsteling te pakken krijgen. Ik hoefde de krant daarvoor niet uit te rollen omdat die krant er los om heen zat.

(...)

Het is juist dat ik op enig moment het lichaam van [slachtoffer] heb versleept naar de woonkamer. In de huiskamer was meer licht. Ik dacht dat zij op dat moment nog leefde.

(...) Het klopt dat in mijn rugzak door de politie een broek is aangetroffen met daarop bloed van het slachtoffer. Ik heb me in het appartement van [slachtoffer] omgekleed.

(...) Ik wist dat ik een reservebroek bij me had.

(pagina 13)

In de gang dacht ik dat zij misschien nog leefde maar in de woonkamer blies zij volgens mij haar laatste adem uit.”

6. Voorts heeft het Hof – inclusief hier niet weergegeven voetnoten - het volgende overwogen:

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(…)

Subsidiair heeft de raadsvrouwe vrijspraak bepleit van de impliciet primair ten laste gelegde moord nu het wettig en overtuigend bewijs voor voorbedachte raad ontbreekt. Daartoe is overeenkomstig haar (aan het hof overgelegde) pleitnota - zakelijk weergegeven - gesteld dat op basis van het dossier niet aannemelijk is geworden, laat staan bewezen, dat er daadwerkelijk een plan/voornemen was en zo ja, wat dat plan/voornemen dan zou zijn geweest.

De inhoud van de tas van verdachte was dermate willekeurig dat die niet aan het bewijs van enig planmatig handelen kan bijdragen. Van de aangetroffen voorwerpen kan evengoed worden gezegd dat deze bruikbaar zijn voor het verzorgen van paarden of het verzamelen en vervoeren van brandhout. Op de foto's van de woning van verdachte en de nabije omgeving, welke foto's ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2013 zijn getoond, is te zien dat verdachte inderdaad een plek heeft waar zij brandhout bewaart en dat dit hout bijna op is. Het (uitgevoerde) plan van de verdachte om zich voor te doen als enquêtrice kan evenmin een bewezenverklaring van voorbedachte raad (mede) dragen. Dit was er namelijk op gericht dat [slachtoffer] verdachte niet zou herkennen en de deur zou openen. Nogmaals: niet van belang is of verdachte een plan, een voornemen, had maar dat dit plan/voornemen zag op een levensberoving.

Alles wijst erop dat verdachte in ieder geval niet met het mes in de aanslag heeft aangebeld. Geen van de getuigen verklaart op enig moment een mes te hebben gezien.

(…)

Met betrekking tot het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte is nadat haar zoon en diens vriendin omstreeks 17:30/18:00 uur uit haar woning te Kootwijkerbroek waren vertrokken op enig moment, zij zelf schat rond 20:00 uur, naar de woning van het slachtoffer gereden. Verdachte heeft getracht zich onherkenbaar te maken door zich te vermommen met een pruik en een rugzak en is vervolgens met een klembord/schrijfplank in de hand naar het appartement van [slachtoffer] aan de [a-straat] 4k te Heesch, gegaan. Aldaar heeft verdachte aangebeld en heeft zij toen [slachtoffer] de deur opende, gevraagd of zij [slachtoffer] was. Toen dat werd beaamd, is verdachte de woning binnengestapt.

In de rugzak van verdachte bevonden zich onder meer twee (volgens verdachte heel scherpe) messen, een reservebroek (...) en een opgevouwen T-shirt en vest.

De verdachte heeft met betrekking tot de twee meegenomen messen verklaard dat zij de messen, na die te hebben schoongemaakt, in een krant heeft verpakt zodat deze de tas en de rest wat in de tas zat niet zouden beschadigen. Voorts heeft zij verklaard dat zij die messen bovenop heeft gelegd.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat zij zich heeft vermomd om toegang tot de woning van [slachtoffer] te krijgen, uitsluitend om met haar te gaan praten niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat verdachte niet op een andere wijze dan als vermomde enquêtrice met [slachtoffer] in contact zou kunnen komen. Uit de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat zij, na het feit, haar vuile spijkerbroek heeft uitgetrokken en een schone heeft aangetrokken, leidt het hof af dat verdachte het plan had zich om te kleden indien dat nodig zou blijken te zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bovendien expliciet verklaard dat zij wist dat zij een reservebroek bij zich had. Ook het feit dat verdachte twee scherpe uitbeenmessen in haar rugzak (als onderdeel van de vermomming) heeft meegenomen, past geenszins bij het zich voordoen als enquêtrice om toegang tot de woning te krijgen. Sterker nog, dat past veeleer bij het plan om desnoods met (bedreiging met) geweld toegang tot de woning te krijgen. Te meer nu verdachte, nadat zij de identiteit van het slachtoffer had vastgesteld, meteen de woning is binnengestapt.

Nadat verdachte het appartement is binnengestapt, wilde het slachtoffer, naar zeggen van verdachte, verdachte de deur uitwerken. Op de galerij van het appartement heeft vervolgens een worsteling plaatsgevonden. Na die worsteling zijn verdachte en het slachtoffer het appartement in gegaan, waarna verdachte de voordeur heeft gesloten. In de gang van het appartement is tussen verdachte en het slachtoffer gevochten. Het slachtoffer heeft enkele malen om hulp geroepen, zo blijkt uit de getuigenverklaring van de buurman van het slachtoffer. De buurman heeft verklaard omstreeks 21:14 uur geschreeuw te hebben gehoord. Vervolgens is de politie gebeld, die omstreeks 21:20 een melding kreeg. Verdachte is aangehouden om 21:42 uur. Voorafgaande aan die aanhouding heeft verdachte nimmer alarm geslagen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 11 juni 2013 verklaard dat zij dacht dat het slachtoffer nog leefde op het moment dat zij haar van de hal naar de woonkamer sleepte. Ook die omstandigheid was voor verdachte kennelijk geen aanleiding om alarm te slaan dan wel hulp te zoeken.

Uit het vermomd met een pruik en in het bezit van een rugzak met daarin twee scherpe messen en reservekleding vertrekken uit Kootwijkerbroek tot aan het moment van het steken en snijden met het mes in Heesch leidt het hof af dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op haar handelen. De omstandigheid dat verdachte gedurende enkele minuten heeft geworsteld met het slachtoffer en dat verdachte bij die worsteling uit de rugzak een in een krant gewikkeld mes heeft gepakt, wijst naar het oordeel van het hof ook niet op impulsief handelen door verdachte. Voorts neemt het hof in ogenschouw dat verdachte ondanks herhaald hulpgeroep van het slachtoffer geen alarm heeft geslagen ofwel hulp heeft geboden of gezocht. Verdachte heeft zich in het geheel niet meer om het slachtoffer bekommerd en heeft zich in plaats daarvan omgekleed en haar met bloed besmeurde broek en het door haar gebruikte mes in haar rugzak gedaan. Over het bloed in de hal van het appartement heeft verdachte een deken gelegd.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte op 2 oktober 2010 met voorbedachte raad het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.”

7. Zoals bekend is de Hoge Raad in recente arresten tot een ander inzicht gekomen omtrent de begripsbepaling van de voorbedachte raad en de motiveringseisen die in dat verband voor de feitenrechter hebben te gelden. De koerswijziging is ingezet in HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen. In aansluiting daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen het volgende overwogen:

“3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

8. Het voor de voorbedachte raad vereiste gelegenheidscriterium – betreffende het nadenken en de rekenschap tussen besluit en uitvoering – is geobjectiveerd. Niet overheersend is de tijd die de verdachte had om zich te beraden, reeds omdat daartegenover de door de Hoge Raad bedoelde contra-indicaties zwaarder kunnen wegen. Daarnaast gelden thans de verzwaarde motiveringseisen die de Hoge Raad aan de vaststelling van voorbedachte raad (en aan de afwezigheid van contra-indicaties) verbindt.

9. In de toelichting op het middel wordt niet ter discussie gesteld dat het Hof met inachtneming van de laatste rechtspraak van de Hoge Raad “de juiste formulering van het criterium” heeft toegepast. In dat opzicht getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, zo begrijp ik het middel en de toelichting daarop. Bij “de materiële invulling” daarvan gaat het volgens de steller van het middel echter mis. De pijlen zijn kennelijk gericht op de begrijpelijkheid en de motivering van het oordeel van het Hof, meer in het bijzonder omdat in de zienswijze van de steller van het middel het Hof er te gemakkelijk vanuit is gegaan dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verzoekster, nu er wat dat betreft “teveel contra-indicaties” bestaan. Daarop zal mijn bespreking van het middel zich dan ook toespitsen.

10. Als het gaat om het toepassing geven aan een juiste weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval – een vraag die zich volgens de Hoge Raad bij uitstek voordoet bij de beoordeling of sprake is van voorbedachte raad –, waarbij het gewicht moet worden bepaald aan de hand van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten, dan kan deze zaak als voorbeeld dienen.

11. Klaarblijkelijk heeft het Hof geoordeeld dat de gelegenheid voor verzoekster om na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, is gelegen in een tijdsbestek van een klein uur (bewijsmiddel L.) tussen het vertrek van verzoekster - vermomd door middel van een pruik en in het bezit van een rugzak met daarin twee scherpe messen en reservekleding - uit haar woning in Kootwijkerbroek en haar aankomst bij de woning van het slachtoffer in Heesch. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Een klein uur is ruim voldoende om zich te beraden en alles nog eens goed te overdenken.

12. Daarbij heeft het Hof vastgesteld dat verzoekster:

- van tevoren een pruik had opgezet en een rugzak en een klembord had meegenomen om het slachtoffer te doen denken dat er een enquêtrice voor de deur stond en aldus het slachtoffer te bewegen de deur te openen (bewijsmiddelen M en N);

 op de dag van het bewezenverklaarde feit in de rugzak kleren, in ieder geval een broek, een T-shirt en een fleeceshirt, heeft gedaan (bewijsmiddelen M en N);

 eveneens op de dag van het bewezenverklaarde feit twee heel scherpe uitbeenmessen in een krant heeft verpakt en bovenop in de rugzak heeft gedaan (bewijsmiddelen H, M en O);

 heeft verklaard dat zij deze messen, die van [betrokkene 2] waren, had meegenomen omdat zij zelf niet dat soort messen had (bewijsmiddel O);

 zodra het slachtoffer de deur opende en haar identiteit bevestigd was haar woning is binnengestapt en heeft geweigerd te vertrekken (bewijsmiddel N);

 na het neersteken van het slachtoffer haar bebloede spijkerbroek heeft uitgetrokken en de reservebroek uit haar rugzak heeft aangetrokken (bewijsmiddel R).

13. Aan de verklaring van verzoekster dat zij zich heeft vermomd om toegang tot de woning van het slachtoffer te krijgen uitsluitend om met haar te praten, heeft het Hof geen geloof gehecht. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd nu in het geheel niet valt in te zien op welke wijze de vermomming, de leren handschoenen die verzoekster aanhad toen zij door de politie werd aangetroffen en vooral de inhoud van de rugzak, met daarin twee scherpe uitbeenmessen met een totale lengte van onderscheidenlijk 26 cm en 27,5 cm en kleding zoals een reservebroek, aan zo een gesprek zouden (hebben) kunnen bijdragen. Waarom heeft verzoekster niet ‘gewoon’, zonder vermomming en rugzak met inhoud, bij het slachtoffer aangebeld als het haar enkel te doen zou zijn geweest een gesprek met het slachtoffer aan te gaan. Op de keper beschouwd heeft verzoekster geen aannemelijke verklaring gegeven voor het meenemen van maar liefst twee uitbeenmessen (was er één bedoeld als reserve?), terwijl haar verklaring dat zij geen messen van haarzelf had meegenomen omdat zij dat soort messen niet heeft, bepaald niet in haar voordeel werkt. Voorts wijs ik op haar verklaring op de terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2013 afgelegd, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (p. 11) luidende: “De messen had ik die ochtend uit de gereedschapskist van [betrokkene 2] meegenomen. Ik heb die messen niet meegenomen om [slachtoffer] iets aan te doen. Ik voelde mij mogelijk wel bedreigd. Toen ik de messen wegnam had ik daar geen bepaalde gedachte bij. Of ik ze heb gepakt met het oog op mijn bezoek aan [slachtoffer] kan ik niet zeggen. Ik weet eigenlijk niet waarom ik ze heb gepakt.” Deze verklaring is niet serieus te nemen en dan wordt de samenhang met de vermomming, de reservebroek en de handschoenen veelzeggend.

14. Uit het voorgaande blijkt naar mijn mening dat geen sprake is van een situatie waarin de gelegenheid eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan.1 De overweging van het Hof dat het meenemen van de twee messen veeleer past bij het plan om desnoods met (bedreiging met) geweld toegang tot de woning van het slachtoffer te verkrijgen, doet daaraan niet af, te minder nu zij de overige vaststellingen van het Hof niet uitsluit.

15. Nog kort iets over de beoordeling van de vraag of de besluitvorming en uitvoering niet in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden, waarbij betrokken dient te worden de slotoverweging van de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest, dat “de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad”.

16. Omtrent deze contra-indicatie is in het licht van de feiten en omstandigheden, zoals door het Hof vastgesteld, geen deugdelijk verweer gevoerd. Alles wat daaromtrent door de verdediging naar voren is gebracht, komt uit de mond van verzoekster zelf maar vindt geen bevestiging in het voorhanden zijnde materiaal. De voorbeelden die de steller van het middel geeft, overtuigen niet. Zo zegt de aangehaalde verklaring van verzoekster, afgelegd op ‘s Hofs terechtzitting van 11 juni 2013, dat zij niet weet waarom zij, toen zij dacht dat het slachtoffer nog leefde, geen hulp heeft ingeroepen en dat zij toen in paniek was, niets over haar gemoedstoestand en gedragingen voor en tijdens het begaan van het feit. En haar verklaring dat zij pas na het gevecht tot het besef kwam dat zij “iets heel ergs had gedaan”, dat zij niet meer precies weet wat er gebeurde toen zij het mes greep, dat het was alsof zij naar zichzelf keek en ineens tot haar positieven kwam en besefte dat zij iets heel ergs had gedaan, en dat zij alcohol had gedronken, zijn emoties die zij eerst bij het Pieter Baan Centrum en kennelijk niet al meteen bij de politie onder woorden heeft gebracht. Op grond van het voorgaande, ik wijs met name op de hierboven onder 12 weergegeven vaststellingen, meen ik dat ook deze derde door de Hoge Raad genoemde contra-indicatie ontbreekt.

17. In deze zaak gaat het om niet onbegrijpelijke waarderingen van in hoofdzaak feitelijke aard. De door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen op een goed doordachte actie van verzoekster, terwijl relevante contra-indicaties ontbreken. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend oordeel van het Hof, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

18. Het lijkt mij dat het middel faalt.

19. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof onvoldoende gemotiveerd in hoger beroep een hogere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd.

20. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de strafoplegging het volgende in:

“Op te leggen straf en/of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de eerste rechter aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

Met betrekking tot de door de rechtbank opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege overweegt het hof als volgt.

De advocaat-generaal heeft geen oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gevorderd nu de inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum de oplegging van genoemde maatregel niet rechtvaardigt.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat, indien het hof tot enige bewezenverklaring zou komen, aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, nu door het Pieter Baan Centrum is gerapporteerd dat bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouwe is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet meer aan de orde is nu - gelet op de inhoud en de conclusie van het rapport van het Pieter Baan Centrum - niet is voldaan aan het in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste dat voor oplegging van genoemde maatregel sprake moet zijn van een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof als volgt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 (achttien) jaren met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft ten aanzien van de op te leggen straf het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijkheid van verdachte en met de omstandigheid dat zij niet eerder is veroordeeld.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof houdt voor wat betreft de persoon van verdachte rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts houdt het hof rekening met de conclusie van het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 22 januari 2013 dat sprake is van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is op 2 oktober 2010 naar de woning van het slachtoffer gereden. Verdachte had zich op dit bezoek voorbereid door zich te vermommen en door een rugzak mee te nemen met daarin onder meer twee heel scherpe messen en reservekleding. Haar opzet was om, onder het voorwendsel van een enquête, toegang te verkrijgen tot het appartement van het latere slachtoffer, [slachtoffer]. Nadat deze voor verdachte de deur opende, is er direct een schermutseling ontstaan waarbij het slachtoffer heeft geprobeerd om verdachte haar woning uit te krijgen. Verdachte weigerde echter te vertrekken en beide vrouwen zijn op enig moment al worstelend op de galerij terechtgekomen. Het slachtoffer heeft diverse malen om hulp geroepen maar dat heeft verdachte niet bewogen het gevecht te staken. Integendeel: het is verdachte gelukt om het slachtoffer weer haar woning in te trekken, de voordeur achter hen dicht te doen en in de hal van de woning de worsteling voort te zetten. Verdachte heeft [slachtoffer] daarbij op gruwelijke wijze vele messteken toegebracht, waarna verdachte haar naar de woonkamer heeft gesleept. Volgens de verklaring van verdachte was het slachtoffer op dat moment nog in leven. Ook dat heeft verdachte er niet toe gebracht om alsnog hulp voor haar in te roepen. Verdachte heeft zich in het geheel niet meer om het slachtoffer bekommerd en heeft zich in plaats daarvan omgekleed en haar met bloed besmeurde kleding en het door haar gebruikte mes in haar rugzak gedaan. Over het bloed in de hal van het appartement heeft verdachte een deken gelegd.

Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning - een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen - vermoord en haar daarmee het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Daarbij is verdachte berekenend en op gruwelijke wijze te werk gegaan.

De dood van [slachtoffer] heeft, blijkens hun ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken slachtofferverklaring, voor haar kinderen onherstelbaar leed en verdriet met zich gebracht. Haar kinderen en overige nabestaanden zullen haar niet alleen missen maar ook beseffen hoe gewelddadig zij van het leven is beroofd.

Het feit als bewezen verklaard is een oninvoelbare en gruwelijke daad. Door een misdrijf als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Bovendien getuigt het handelen van verdachte van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Moord wordt dan ook beschouwd als het ernstigste commune misdrijf. Niet voor niets heeft de wetgever op het plegen van dit misdrijf de zwaarste sanctie gesteld.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren passend en geboden is.”

21. De appelrechter behoeft, behoudens bijzondere omstandigheden, niet nader te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de rechter in eerste aanleg.2 Van dergelijke bijzondere omstandigheden zal slechts sprake zijn indien de opgelegde straf verbazing wekt. Het Hof heeft gemotiveerd uiteengezet waarom het tot de opgelegde straf is gekomen. Gelet op het aan het bewezenverklaarde feit verbonden strafmaximum en de door de Advocaat-Generaal bij het Hof gevorderde straf is de strafoplegging niet onbegrijpelijk gemotiveerd en wekt zij geen verbazing. Ik merk nog op dat de suggestie in het middel dat het Hof de duur van de – in hoger beroep niet opgelegde – TBS-behandeling gedeeltelijk in de strafoplegging heeft verrekend, feitelijke grondslag mist, terwijl deze suggestie bovendien op de ongefundeerde aanname berust dat indien het Hof de TBS-maatregel zou hebben opgelegd, het Hof een gevangenisstraf van dezelfde duur zou hebben opgelegd als eerder door de Rechtbank werd gedaan. Tot slot waag ik te betwijfelen dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren (met de daarvoor geldende datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling) zwaarder is dan een combinatievonnis van een gevangenisstraf van twaalf jaren en een TBS met dwangverpleging die ter zake van een misdrijf als het onderhavige van onbepaalde duur is.

22. Het middel faalt.

23. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159 en HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1755.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 287.