Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1966

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-09-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13/02642
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3145
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het Hof heeft zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich i.h.b. voordeed gedurende het tijdsbestek dat hij de televisie heeft afgekoppeld en weggedragen, hoewel het Hof ook heeft vastgesteld dat de steken toegebracht na het wegbrengen van de televisie niet fataal waren. Dat het Hof in zijn overwegingen eerder heeft beschreven dat uit de sectiebevindingen volgt dat alle door verdachte aan het slo. toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood, doet aan die uiteindelijke vaststelling niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02642

Zitting: 16 september 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 5 april 2013 de verdachte wegens 1 primair “moord” en 2. “diefstal en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts zijn de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald. Ook heeft het Hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen als nader in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel stelt dat het Hof de bewezenverklaarde voorbedachte raad ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 6 november 2011 tot en met 8 november 2011 te Ruinen, gemeente De Wolden, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd immers heeft verdachte met dat opzet en na enig kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer], meermalen, met een mes in de nek en de hals en de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

5. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

Voorbedachte raad

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen verklaard kan worden dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer heeft gedood. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld met een waas voor zijn ogen. Deze waas zou zijn ontstaan doordat het slachtoffer verdachte plotseling op zijn mond zoende en zogenaamde 'neukbewegingen' maakte tegen het achterwerk van verdachte. Verdachte die - zoals hij zelfstelt - in zijn jeugd door een buurman seksueel is misbruikt, raakte hierdoor volgens de raadsman dusdanig in de war dat hij in paniek het slachtoffer meermalen met een mes heeft gestoken. Deze handelingen van verdachte zijn - aldus de raadsman - gepleegd in een blinde razernij, in een hoge mate van opwinding en in een kort tijdsbestek, waarbij geen plaats was voor een mogelijkheid tot bezinning. Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De raadsman is van mening dat de subsidiair ten laste gelegde doodslag wel bewezen kan worden verklaard.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012 (LJN BR2342, NJ 2012/518).

"Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten – anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven'.

Het hof overweegt als volgt

Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 09.30 uur wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in zijn eigen huis te [plaats]. In en rondom de woning is forensisch/technisch onderzoek verricht. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] door meerdere messteken om het leven is gebracht en dat er meerdere goederen van hem zijn weggenomen.

Op 10 november 2011 heeft dr. B. Kubat arts en patholoog, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, uit- en inwendige schouwing gedaan op het lichaam van het slachtoffer en geconcludeerd dat de dood is ingetreden door verbloeding ontstaan ten gevolge van steekletsels. Uit de sectie op het lichaam van het slachtoffer is onder andere gebleken dat het slachtoffer zeven steekletsels had, te weten drie steekletsels in de nek/hals (waarvan één doorsteek), twee steekletsels in de rug, één steekletsel in de rechter heup en één steekletsel in het rechter onderbeen. Uit de sectiebevindingen volgt voorts dat alle door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood.

Op grond van de resultaten van het volledig forensisch onderzoek komt blijkens het proces-verbaal als het meest waarschijnlijke scenario naar voren dat aan het slachtoffer de verwondingen in de nek zijn toegebracht terwijl hij op het bed lag, liggend op zijn rechterzijde met het dekbed over zich heen tot minstens oorhoogte. Dit scenario wordt onderbouwd met het gegeven dat op zowel de dichte kant van het dekbedhoes (bovenkant dekbed) als het kussen waarop het slachtoffer zou hebben gelegen steekbeschadig[ing]en zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt: 'Steekbeschadiging in het kussensloop is hoogst waarschijnlijk veroorzaakt door het doorsteekletsel in de nek van het slachtoffer, waarbij het uiteinde van het mes is geëindigd in het kussen'.

In dit meest waarschijnlijke scenario heeft zich een tweede steekmoment voorgedaan toen het slachtoffer naast het bed op de grond was beland, nadat hij eerst rechtop op de rand van het bed had gezeten. Voorts wordt in dit scenario uit de aanwezige bloedsporen afgeleid dat verdachte tussen beide steekmomenten de televisie heeft losgekoppeld en weggedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 22 maart 2013 verklaard dat hij het slachtoffer in de nek heeft gestoken terwijl beiden op de drempel tussen de woonkamer en de hal stonden. Ter terechtzitting van de rechtbank op 26 juni 2012 heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer op het bed was beland en omhoog kwam toen hij hem in de nek stak. Dit was ook zijn aanvankelijke verklaring bij de politie. Later verklaart hij dat hij heeft gestoken terwijl het slachtoffer nog in bed lag. In alle verklaringen noemt verdachte de ongewenste seksuele toenadering van het slachtoffer als oorzaak voor zijn waas en woede die hem ertoe brachten een mes uit de keuken te pakken en te steken. Ook verklaart verdachte telkens dat hij het slachtoffer alleen in de nek heeft gestoken.

Het hof stelt vast dat verdachte niet consequent is in zijn verklaringen en dat geen enkele variant van de door hem afgelegde verklaring is te rijmen met de uitkomsten van het technisch/forensisch onderzoek. Verdachte heeft ook geen verklaring voor de aangetroffen kneuzingen bij het slachtoffer en ontkent in tweede instantie nog te hebben gestoken toen het slachtoffer op de grond lag.

Het hof wil verdachte volgen in zijn verklaring dat hij kwaad is geworden toen het slachtoffer seksuele avances maakte waarvan hij niet was gediend. Daarbij gaat het hof er wel van uit dat verdachte op dat moment bij het slachtoffer in bed heeft gelegen. Dit gezien het feit dat de logeerbank niet was opgemaakt en gelet op de getuigenverklaring van [getuige]. De getuige woonde destijds bij verdachte in huis en werd die nacht (vlak na het incident) door verdachte wakker gemaakt. [getuige] heeft bij de politie, d.d. 9 november 2011 verklaard over de nacht van zondag 6 november 2011 op maandag 7 november 2011: 'Hij (verdachte) maakte me wakker, hij was helemaal door het dolle. Hij was echt helemaal wild en zwaaide met zijn armen en riep: 'Ik heb hem helemaal kapot gestoken'. Hij zei tegen mij dat hij naast die man (slachtoffer) had gelegen. Ik vroeg aan [verdachte] (verdachte) hoe hij dat gedaan had. [verdachte] zei, dat de man op zijn zij lag te slapen en dat hij hem vervolgens 2 of 3 keer in de nek had gestoken'.

Het hof stelt vast dat verdachte aldus gerekend vanaf het bed en niet vanaf de drempel een grotere afstand heeft moeten overbruggen van het slachtoffer naar het messenblok in de keuken en weer terug, dan waarvan hij het hof ter terechtzitting heeft proberen te overtuigen.

Bij de vraag of de kwaadheid van verdachte zo'n dimensie heeft aangenomen dat verdachte niet meer in staat is geweest om zijn handelen onder controle te houden neemt het hof in beschouwing dat uit de processtukken is af te leiden dat verdachte actief contact zocht met homoseksuele mannen en daar ook seksuele contacten mee had.

Dat financieel gewin voor hem daarbij voorop stond, doet niet af aan het feit dat verdachte op dit gebied dus wel wat gewend moet zijn geweest. Voorts overweegt het hof dat het er op grond van het technisch/forensisch onderzoek voor moet worden gehouden dat zich twee steekmomenten hebben voorgedaan en dat verdachte in de tussentijd de televisie van het slachtoffer heeft afgekoppeld en weggedragen. Dat betekent dat verdachte na het wegnemen van de televisie nog een aantal steken heeft toegebracht. Deze steken waren weliswaar niet fataal, maar zijn wel toegebracht op een moment dat het slachtoffer nog in leven was en wellicht nog te redden. De conclusie van het hof is dat moet worden aangenomen dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn handelen en de gevolgen daarvan en dat er geen contra-indicatie bestaat voor het aannemen van voorbedachte raad.”

6. In zijn hierboven weergegeven overwegingen haalt het Hof de relevante overwegingen aan uit het arrest van 28 februari 20121 van de Hoge Raad waaruit volgt dat de Hoge Raad nadere eisen is gaan stellen aan (het bewijs van) voorbedachte raad. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen2 het volgende overwogen:

“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

7. In het middel wordt geklaagd over de wijze waarop het Hof invulling heeft gegeven aan (het bewijs van) de voorbedachte raad. Betoogd wordt dat het Hof onvoldoende heeft aangewezen welke tijdspanne – zowel bij het eerste als bij het tweede steekmoment – toereikend is geweest voor de verdachte zodat geen sprake meer zou kunnen zijn van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Ook het oordeel dat de kwaadheid van de verdachte niet zo groot was dat hij niet meer in staat was om zijn handelen onder controle te houden is ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

8. Zowel de materiele invulling van de voorbedachte raad als het bewijs ervan houdt strafrechtelijk Nederland bezig.3 Moet de rechtspraak van de Hoge Raad zo worden begrepen dat een gelegenheid tot beraad behoudens contra-indicaties (hevige drift, korte tijdspanne, pas beraad tijdens uitvoering) voldoende is om aan te nemen dat er sprake is geweest van daadwerkelijk beraad? Bij een bevestigende beantwoording wordt de recente rechtspraak van de Hoge Raad vooral gezien als een kader voor de bewijsconstructie van voorbedachte raad. Het hier boven gedeeltelijk geciteerde arrest van 2012 is niet zelden zo begrepen. Keulen (noot onder NJ 2014/156) ziet in het arrest van oktober 2013 tevens een meer materieelrechtelijke benadering. Hij leidt uit het arrest voorzichtig (‘zo lijkt het’) af dat de gelegenheid tot beraad niet altijd voldoende is. Ook als de mogelijkheid tot beraad bestaat, is het niet altijd redelijk daaruit ook af te leiden dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht. Keulen zegt het zo: “De gelegenheid tot nadenken is te oordelen naar deze formulering niet doorslaggevend, maar staat naast de andere feitelijke omstandigheden van het geval. En het gaat er uiteindelijk om, zo lijkt het, ‘wat in de verdachte is omgegaan.’ Hij voegt daar nog aan toe dat ook als er geen sprake is van een hevige gemoedsopwelling, beraad achterwege kan zijn gebleven.

9. Het Hof heeft in het voetspoor van het door het Hof geciteerde arrest van de Hoge Raad uit 2012 in een afzonderlijke bewijsoverweging nadere aandacht besteed aan het bewijs van de voorbedachte raad. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Op grond van de resultaten van het forensisch onderzoek is het Hof gekomen tot het meest waarschijnlijke scenario dat zich twee steekmomenten hebben voorgedaan. De verwondingen in de nek van het slachtoffer zijn als eerste toegebracht terwijl het slachtoffer op bed lag – hetgeen het Hof als eerste steekmoment heeft aangemerkt – en het tweede steekmoment heeft zich voorgedaan toen het slachtoffer naast het bed op de grond was beland. De mogelijkheid tot beraad heeft het Hof blijkens de hierboven onder 5 geciteerde bewijsoverweging enerzijds afgeleid uit de afstand die de verdachte heeft moeten overbruggen vanaf het bed naar het messenblok in de keuken en weer terug naar het bed en anderzijds uit het feit dat de verdachte nadat hij het slachtoffer op bed had gestoken de televisie heeft afgekoppeld en heeft weggedragen en vervolgens nog een aantal steken heeft toegebracht.

10. In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat voor het bewijs van het voor voorbedachte raad vereiste tijdsverloop niet een scherp onderscheid moet worden gemaakt tussen de eerste serie steken die plaatsvond toen verdachte zich nog op het bed bevond en de tweede serie die plaatsvond toen verdachte inmiddels op de grond was terechtgekomen. Beide momenten moeten niet geïsoleerd, maar in onderling verband worden bezien. Ook als de steller van het middel zou worden gevolgd dat het tijdsverloop in het kader van de eerste serie steken op zichzelf nog niet betekent dat er gelegenheid voor kalm beraad is geweest, staat dat dus nog niet in de weg aan het bewijs van de voorbedachte raad. De steller van het middel moet worden toegegeven dat het door het Hof in aanmerking genomen tijdsverloop bij de eerste serie steken niet zonder meer wijst op voorbedachte raad. Het Hof heeft kennelijk het oog op de tijd die nodig is om de afstand tussen het bed en het messenblok in de keuken te overbruggen (heen en terug). Het Hof heeft die afstand niet in meters of seconden vastgesteld. Dat de afstand tussen bed en messenblok in de keuken groter is dan die tussen drempel en messenblok in de keuken zal juist zijn, maar bepalend is het niet. Ook de afstand tussen bed en messenblok zal immers gelet op de in de aanvulling met bewijsmiddelen opgenomen situatieschets van de woning heen en weer binnen zeer korte tijd4 kunnen worden overbrugd.

11. Voor het bij voorbedachte raad in aanmerking te nemen tijdsverloop lijkt mij in het onderhavige geval hetgeen plaatsvindt na de eerste serie steken van grote betekenis. Het Hof heeft vastgesteld dat na de eerste serie steken de televisie door verdachte is afgekoppeld en weggedragen en dat de tweede serie steken is toegebracht terwijl het slachtoffer inmiddels op de grond lag. Het tijdsverloop tussen beide series steken bood verdachte (opnieuw) gelegenheid tot beraad. Het afkoppelen en wegdragen van de televisie heeft het Hof kennelijk gezien en kunnen zien als een (rationele) handeling die enige tijd in beslag heeft genomen. In verband met dat tijdsverloop heeft het Hof kennelijk ook in aanmerking genomen dat verdachte volgens zijn voor het bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 1) eerst nog de achterdeur en de auto heeft open gedaan. De tweede serie steken vindt dus in ieder geval plaats na ruim tijdsverloop dat voldoende was voor het ophalen van een mes uit de keuken, een eerste serie steken, het openen van de auto, het afkoppelen en wegdragen van de televisie. Dat het Hof deze steken (in de rug, de heup en in het onderbeen) als niet fataal heeft aangemerkt staat hieraan niet in de weg. Het Hof heeft immers overwogen dat deze steken zijn toegebracht op het moment dat het slachtoffer nog in leven was en wellicht nog te redden was. Uit dat laatste volgt dat ook de tweede serie steken een bijdrage vormt aan de dood. Het Hof heeft daarop in de bewijsoverweging ook gewezen: “Uit de sectiebevindingen volgt voorts dat alle door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsels een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood”.

12. Gelet op het voorgaande is de conclusie van het Hof dat moet worden aangenomen dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn handelen en de gevolgen daarvan niet onbegrijpelijk. Dan nu aandacht voor de conclusie dat er geen contra-indicatie bestaat voor het aannemen van voorbedachte raad.

13. Voor wat betreft de aanleiding voor het incident heeft het Hof verdachte gevolgd in zijn verklaring dat hij kwaad is geworden toen het slachtoffer seksuele avances maakte waarvan hij niet was gediend. Het Hof is er kennelijk, anders dan de verdachte, vanuit gegaan dat deze seksuele avances hebben plaatsgevonden op het moment dat de verdachte bij het slachtoffer in bed lag. Bij de vraag of de kwaadheid van de verdachte zo’n dimensie heeft aangenomen dat verdachte niet meer in staat is geweest om zijn handelen onder controle te houden heeft het Hof mede betrokken dat verdachte actief contact zocht met homoseksuele mannen en daar ook seksuele contacten mee had. Op grond hiervan moet – in de woorden van het Hof – de verdachte “wel wat gewend zijn geweest”. Hieruit kan worden afgeleid dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte in een opwelling van boosheid of in een waas heeft gehandeld. Het Hof heeft dan ook kunnen oordelen dat van een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad geen sprake was.

14. Gelet op het voorafgaande is het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van “voorbedachte raad” niet onjuist of onbegrijpelijk, zodat de bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen is omkleed.

15. Het middel faalt.

16. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens de verdachte is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 21 februari 2014 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van zes maanden5 is derhalve overschreden. Voorts merk ik op dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de termijn van zestien maanden waarbinnen de cassatieprocedure behoort te zijn afgerond zal worden overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen.

2 Ik wijs ook op de andere in dezelfde aflevering van de NJ gepubliceerde uitspraken van de HR: HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1112, NJ 2014/157 m.nt Keulen en onder de nrs 158 t/m 163 HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1113, NJ 2014/158, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1111, NJ 2014/159, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:17, NJ 2014/160, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:16, NJ 2014/161, HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2014:1754, NJ 2014/162, HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2543, NJ 2014/163. Zie ook de recente uitspraken HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1561, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1560 en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1500.

3 De recente rechtspraak komt aan de orde in onder meer: D.H. de Jong, De hoge, de ontbrekende en de voorbedachte raad., in: Het roer recht. Liber amicorum Wim Vellinga en Feikje Vellinga-Schootstra, onder redactie van A. Dijkstra e.a., 2013, p. 206-209 en W.H. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra, Voorbedachte raad en contra-indicatie?, in: Ad hunc modum, Opstellen over materieel strafrecht. Liber amicorum A.J. Machielse, onder redactie van J.W. Fokkens e.a., 2013, p. 296-298 alsmede in hetzelfde Liber E.J. Hofstee, De voorbedachte raad in Nederland en Duitsland, p. 107-124. Zie ook het artikel van A. Das, Y. Piekhaar en N. Tielemans, Gelegenheid voor beraad? Over indicaties voor voorbedachte raad, DD 2014/54.

4 Het Hof heeft de afstand in meters niet vastgesteld en evenmin de tijdspanne in seconden. Gelet op de situatieschets schat ik dat het in ieder geval om aanzienlijk minder dan 10 meter c.q. tien seconden gaat.

5 Verdachte zat ten tijde van het instellen van het beroep in cassatie preventief gedetineerd in de onderhavige zaak.