Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
14/04182
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:247, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Door de OvJ kan niet afzonderlijk h.b. worden ingesteld tegen een ttz. gegeven beslissing strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis (VH). Gelet op art. 406 Sv staat tegen die beslissing voor de OvJ hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak open. Ingevolge art. 406.1 Sv is immers tegen in e.a. gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, h.b. slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten en de in art. 406.2 Sv voorziene uitzondering op die hoofdregel is beperkt tot de in dat tweede lid uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M.L.C.C. de Bruijn-Lückers annotatie in JIN 2015/64
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04182 CW

Zitting 4 november 2014

Mr. Knigge

Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake

[verdachte]

1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 juli 2013 waarbij het Hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaarde in zijn hoger beroep tegen een beslissing van de Rechtbank Oost-Brabant strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Een gewaarmerkt afschrift van de beschikking en het procesdossier zijn bijgevoegd.

2. Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon rechtsmiddel open. Art. 446 Sv maakt dat voor het openbaar ministerie niet anders, aangezien er geen sprake is van een beschikking waarbij een krachtens het wetboek van strafvordering genomen vordering niet is toegewezen.1 Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv).

3. De reden voor het indienen van deze vordering is dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag of door de officier van justitie afzonderlijk hoger beroep kan worden ingesteld tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

4. De bestreden beschikking (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2013:3058) houdt – voor zover relevant – het volgende in:

“Het hof is anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat er ten deze sprake is van een op de terechtzitting genomen beslissing, zodat (mede) artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof dient - gelet op het systeem van de wet en de ratio van de bepaling - artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering, mede gelet op het bepaalde in artikel 71, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering zodanig gelezen te worden dat niet alleen de verdachte afzonderlijk appel kan instellen tegen de afwijzing van een op de zitting gedaan verzoek tot opheffing, maar dat ook het openbaar ministerie afzonderlijk appel kan instellen tegen een toewijzing van een ter terechtzitting gedaan verzoek tot opheffing.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.”

5. In artikel 71 lid 3 Sv wordt bepaald dat in het geval de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis - anders dan op vordering van de officier van justitie - heeft opgeheven, tegen deze beschikking voor de officier van justitie uiterlijk veertien dagen hoger beroep openstaat bij het gerechtshof. Onduidelijkheid bestaat kennelijk over de vraag wat heeft te gelden indien er geen sprake is van een beschikking, maar van een ter terechtzitting gegeven beslissing. In art. 406 Sv wordt bepaald dat tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn, hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak is toegelaten. In het tweede lid van art. 406 Sv wordt een uitzondering op dit concentratiebeginsel gemaakt voor de volgende beslissingen: het bevel gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Bij die uitzondering sluit de – gewijzigde – tekst van art. 71 lid 1 Sv aan. Daarin wordt niet meer van ‘beschikking’ gesproken, maar van ‘beslissing’.2 De toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt in art. 406 lid 2 Sv niet vermeld. Art. 71 lid 3 Sv, dat van ‘beschikking’ spreekt, is ongewijzigd gebleven.

6. Het standpunt dat het Hof in de onderhavige zaak inneemt, wordt tevens ingenomen in eerdere, in 2011 gegeven beschikkingen van hetzelfde Hof.3 In gelijke zin oordeelde het Hof Den Haag in een nog lopende zaak met parketnummer 10-810356-13.4 Opmerkelijk genoeg oordeelde Hof ‘s-Hertogenbosch in een beschikking van 14 juni 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7324) dat de opvatting dat artikel 406 Wetboek van Strafvordering, gelet op het systeem van de wet en op de ratio van die bepaling, zodanig gelezen dient te worden dat de officier van justitie afzonderlijk tussentijds appel kan instellen tegen de op de terechtzitting genomen beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis, geen steun vindt in het recht en het verklaarde de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep tegen de ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Dat afwijkende standpunt wordt gedeeld in Hof Arnhem 4 januari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV3518, NbStraf 2012/72 en Hof Amsterdam 11 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2935. Er bestaat dus verdeeldheid over de hier aan de orde zijnde rechtsvraag in de lagere rechtspraak.

7. In HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526 liet de Hoge Raad zich in het belang der wet uit over de vraag of de verdachte afzonderlijk hoger beroep kan aantekenen tegen een ter terechtzitting gegeven afwijzende beslissing op een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:

“3.2. Ingevolge het eerste lid van art. 406 Sv is tegen in eerste aanleg gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten. Mede gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in de vordering moet worden aangenomen dat de in het tweede lid van art. 406 Sv voorziene uitzondering op die hoofdregel is beperkt tot de in dat tweede lid uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. De eerste volzin van het tweede lid van art. 87 Sv, inhoudende dat de verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek bij het gerechtshof in hoger beroep kan komen, leidt niet tot een ander oordeel, in aanmerking genomen dat dit hoger beroep moet worden ingesteld uiterlijk drie dagen na de betekening. Daaruit moet worden afgeleid dat deze bepaling slechts het oog heeft op een bij beschikking gegeven afwijzing van dat verzoek en dus niet ziet op een ter terechtzitting gegeven beslissing.

3.3. Het Hof heeft de verdachte dus terecht en op goede grond niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daarom faalt het middel. Opmerking verdient nog dat het openstellen van rechtsmiddelen buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad valt en daarom aan de wetgever moet worden overgelaten.”

8. In punt 30 van de vordering die heeft geleid tot dit arrest merkt mijn ambtgenoot Vellinga op dat hij de wettelijke regeling niet een gelukkige vindt. Als voorbeeld van de gebreken die aan de in art. 406 lid 2 Sv getroffen regeling kleven, noemt hij onder meer dat geen voorziening is getroffen voor de officier van justitie in gevallen waarin ter terechtzitting een vordering tot gevangenneming wordt afgewezen of een verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis wordt gehonoreerd. Het gevolg is dat de officier van justitie tegen deze beslissingen, anders dan het geval zou zijn wanneer zij bij beschikking waren gegeven, niet afzonderlijk hoger beroep kan instellen en dat hij dus moet wachten op de einduitspraak, hetgeen gelet op de tijd die daarmee gemoeid is, bezwaarlijk kan zijn, bijvoorbeeld omdat de bevelen tot opheffing van de voorlopige hechtenis in beginsel dadelijk uitvoerbaar zijn (art. 73 lid 1 Sv). Mijn ambtgenoot komt echter tot de conclusie dat het niet op de weg van de Hoge Raad ligt in de door hem opgesomde leemten c.q. gebreken te voorzien.

9. Dat algemene – niet tot het geval waarop de vordering betrekking had, beperkte – standpunt lijkt door de Hoger Raad te zijn gedeeld. Hij overweegt immers “dat het openstellen van rechtsmiddelen buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad valt en daarom aan de wetgever moet worden overgelaten.” Het dunkt mij dan ook dat het aangehaalde arrest van de Hoge Raad geen ruimte laat om aan te nemen dat er buiten de in artikel 406 lid 2 Sv uitdrukkelijk genoemde gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op het concentratiebeginsel. Het arrest biedt evenmin ruimte om bepalingen als zijn neergelegd in art. 71 lid 3 Sv en art 446 Sv, waarin appelmogelijkheden worden geregeld tegen beslissingen die bij beschikking zijn gegeven, analoog toe te passen in gevallen waarin het gaat om een ter terechtzitting gegeven beslissing.

10. Hieruit volgt mijns inziens dat het oordeel van het Hof dat artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering zodanig gelezen dient te worden dat niet alleen de verdachte afzonderlijk appel kan instellen tegen de afwijzing van een op de zitting gedaan verzoek tot opheffing, maar dat ook de officier van justitie afzonderlijk appel kan instellen tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een ter terechtzitting gedaan verzoek tot opheffing, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel van cassatie

11. Ik stel in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor:

Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 71 lid 3 en artikel 406 Sv, doordat het Hof oordeelde dat het openbaar ministerie afzonderlijk appel kan instellen tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, welk oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

12. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beschikking van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 juli 2013 in het belang der wet zal vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 6 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB9585, NJ 1984, 299.

2 Het recht van hoger beroep tegen de in art. 406 lid 2 Sv eveneens genoemde beslissingen waarbij een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, is niet gebaseerd op art. 71 lid 1 Sv, maar op art. 87 lid 2, tweede volzin Sv. Die volzin is niet gewijzigd, mogelijk omdat daarin reeds van ‘beslissing’ werd gesproken. De Hoge Raad oordeelde evenwel in het hierna uitvoeriger aan de orde komende HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526 dat deze bepaling geen betrekking heeft op ter terechtzitting gegeven beslissingen.

3 Zie Hof ’s-Hertogenbosch, 20 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5448 en de niet gepubliceerde zaken met de zaaknummers AVNR. 001437-11, AVNR. 001439-11, AVNR. 001440-11 en AVNR. 001441-11.

4 Zie het in het hemd gevoegde proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 19 december 2013.