Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1954

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-10-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
14/04200
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3596, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Met verzoekschrift ingeleide cassatie in dagvaardingsprocedure; art. 407 lid 1 Rv. Wisselbepaling, art. 69 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04200

Mr. F.F. Langemeijer

31 oktober 2014 (incident)

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

ONVZ Ziektekostenverzekering N.V.

1. Verzoekster tot cassatie heeft een ziektekostenverzekering gesloten bij ONVZ met een aanvullende verzekering voor tandartskosten. ONVZ heeft betaling gevorderd van € 2.166,90 in hoofdsom ter zake van eigen bijdragen en door ONVZ op basis van een volmacht voorgeschoten kosten van tandheelkundige hulp die niet onder de dekking vielen, plus buitengerechtelijke kosten en rente. De gedaagde (thans verzoekster tot cassatie) heeft verweer gevoerd. Na een tussenvonnis van 13 juni 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam bij eindvonnis van 9 januari 2013 de vordering toegewezen. Bij arrest van 13 mei 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam deze vonnissen bekrachtigd.

2. Bij verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 13 augustus 2014, heeft de verzoekster te kennen gegeven zelf beroep in cassatie in te stellen. Het verzoekschrift was alleen door haar ondertekend; volgens de toelichting op blz. 1 heeft zij niet tijdig een advocaat bij de Hoge Raad bereid gevonden (art. 426a Rv). Op 27 augustus 2014 − binnen veertien dagen − heeft een advocaat bij de Hoge Raad een door hem ondertekend verzoekschrift ingediend tot herstel van het op 13 augustus 2014 ingediende verzoekschrift1.

3. In dit geval is tevens een verkeerde rechtsingang gekozen: het beroep in cassatie had moeten worden ingesteld bij dagvaarding. Art. 69 lid 1 Rv, in beginsel ook in cassatie van toepassing2, schrijft voor dat indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding (of omgekeerd), de rechter zo nodig de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. Indien de Hoge Raad toepassing wenst te geven aan deze bepaling, zou dit een geschikt moment in de cassatieprocedure zijn. In cassatie is tot nu toe geen verweerschrift ingediend.

4. Toepassing van art. 69 lid 1 Rv leidt ertoe dat de verweerder alsnog op de juiste wijze in het geding wordt geroepen en dat de procedure − in dit geval: de procedure in cassatie − in de juiste vorm kan worden voortgezet. De procedure geldt als aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening of dagvaarding. Het vierde lid van art. 69 Rv bepaalt dat de rechter partijen, zo nodig, in de gelegenheid stelt hun stellingen aan de dan toepasselijke rechtsregels aan te passen. Deze bepaling mag ruim worden opgevat: zo kan bijvoorbeeld na het overschakelen van een verzoekschriftprocedure op een dagvaardingsprocedure in eerste aanleg alsnog een eis in reconventie of een incidentele vordering (vrijwaring, voeging enz.) worden ingesteld3. De wisselbepaling in art. 69 Rv is evenwel bedoeld om de gevolgen te herstellen van het feit dat aanvankelijk een verkeerde rechtsingang was gekozen (verzoekschrift in plaats van dagvaarding of omgekeerd). Gelet op die doelstelling, kan de toepassing van art. 69 lid 1 Rv m.i. niet worden gebruikt om na het verstrijken van de wettelijke cassatietermijn andere middelen van cassatie voor te dragen dan die welke in het oorspronkelijk ingediende verzoekschrift waren opgenomen4.

5. Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad beveelt dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, een roldatum bepaalt en aan de verzoekster gelast bij exploot, met inachtneming van de voor een dagvaarding in cassatie geldende vormvoorschriften, aan ONVZ aan te zeggen dat de zaak op die zitting van de Hoge Raad zal worden uitgeroepen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833. De advocaat heeft daarbij een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het middel na ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal van de pleitzitting in hoger beroep. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

2 Zie HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7571, NJ 2011/480, met verdere verwijzingen in de conclusie van de A-G Wesseling-van Gent. De memorie van toelichting op art. 69 Rv vermeldt: “Ook in hoger beroep of in cassatie gemaakte fouten als hier bedoeld, moeten in voorkomend geval kunnen worden hersteld.” (Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, Van Mierlo/Bart, blz. 220).

3 Zie de MvT, Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, Van Mierlo/Bart, blz. 221.

4 Zie over de mogelijkheid van misbruik van art. 69 Rv: SDU commentaar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aant. C.1.1 op art. 69 (J.W.M. Tromp); Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 9 op art. 69 (A. Knigge en M. Zilinsky).