Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1948

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
13/04701
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3115, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 9.2 WVW1994. Ongeldig verklaard rijbewijs, weten of redelijkerwijs moeten weten. Slagende bewijsklacht. De omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs per aangetekende brief aan verdachte is verzonden en niet retour is gekomen naar het CBR is niet voldoende voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte volgt dat evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04701

Zitting: 9 september 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 september 2013 verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt erover dat het Hof voor de bewezenverklaring gebruik heeft gemaakt van een (mini)proces-verbaal van een opsporingsambtenaar dat in strijd met art. 153 lid 2 Sv niet de redenen van wetenschap vermeld en dat te summier is om daaraan redengevende feiten voor het bewijs te distilleren. Dit zou ertoe hebben geleid dat het Hof de ontbrekende gegevens heeft aangevuld (naar ik begrijp) zonder dat daarvoor steun is te vinden in het voorhanden bewijsmateriaal. Daarbij kan in de toelichting op het middel met enige goede wil de zelfstandige klacht gelezen kunnen worden dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

4.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij op 9 juli 2009 te Rotterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Spinozaweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

4.3. Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal Misdrijf d.d. 6 oktober 2009 van de politie Rotterdam-Rijnmond met zaaknummer 0390352. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik zag/constateerde dat een persoon het volgende feit pleegde: terwijl een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur besturen of doen besturen.

Overtredingsgegevens:

Datum : 09-07-2009

Plaats : Rotterdam

Locatie : Spinozaweg, een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Voertuig : personenauto

Kenteken : [AA-00-BB]

Personalia verdachte:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboren : [geboortedatum]-1977

Geboortegemeente : [geboorteplaats]

Geslacht : mannelijk

Nadat ik de verdachte had meegedeeld niet tot antwoorden verplicht te zijn, verklaarde deze: "Ik moet werken".

2. Een geschrift, zijnde een List CRB Vorderingprocedures d.d. 09-07-2009, met nummer 09072009.0835.002583. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Naam : [verdachte]

Voornaam : [voornaam verdachte]

Geb. datum : [geboortedatum]-1977

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Rijbewijsnummer : [001]

Gevorderde inleverdatum : 30-06-2008

Datum ongeldigverklaring : 23-06-2008

Categorie : B

3. Een geschrift, zijnde een besluit van het CBR, d.d. 23 juni 2008, ondertekend door [verbalisant], hoofd divisie Vorderingen, betreffende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977. Dit geschrift is als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 4 genoemde geschrift . Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

I. Betrokkene heeft niet de vereiste medewerking verleend aan de EMA.

II. Het rijbewijs van de betrokkene wordt voor alle categorieën ongeldig verklaard.

De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na dagtekening van dit besluit.

4. Een geschrift, zijnde een brief met bijlagen, d.d. 9 februari 2010, ondertekend door mr. E. van Pernis-van de Wal, manager divisie Vorderingen. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

U heeft het CBR verzocht om aan u de stukken te sturen over de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

Hierbij ontvangt u deze stukken. Het besluit van 23 juni 2008 hebben wij aangetekend verzonden. De aangetekende brief is niet retour gekomen naar het CBR.”

4.4. Het Hof heeft wat betreft de gevoerde verweren en het bewijs het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige staandehouding, omdat niet zichtbaar was dat de verdachte zonder geldig rijbewijs reed en de reden van staandehouding niet uit het dossier blijkt.

Het hof acht aannemelijk dat de verbalisant de verdachte op grond van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gecontroleerd en staande gehouden. Voor bewijsuitsluiting is geen reden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet bekend was met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en daarom dient te worden vrijgesproken.

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het CBR aan de verdachte de EMA-cursus opgelegd. Het is het hof ambtshalve bekend dat in een dergelijk schrijven de ontvanger alsdan erop wordt gewezen dat wanneer hij de kosten van de EMA-cursus niet tijdig betaalt of zonder geldige reden niet op de cursus verschijnt, het CBR zijn rijbewijs ongeldig zal verklaren.

Het hof heeft op grond van de van het CBR ontvangen stukken vastgesteld dat de reden van de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte is gelegen in het feit dat de verdachte niet tijdig de kosten van de EMA-cursus heeft betaald.

Het hof heeft voorts vastgesteld dat het besluit van 23 juni 2008 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aangetekend aan de verdachte per adres [a-straat 1] te [woonplaats] is verzonden en dat de aangetekende brief niet is retour gekomen naar het CBR.

De verdachte was per 18 juni 2008 tot 9 april 2009 in de GBA ingeschreven op dat adres - waar hij overigens blijkens het GBA ook in de periode 2005/2006 ingeschreven was - dat blijkens zijn eigen opgaaf op 9 juli 2009 ook zijn adres was. Het hof acht daarom aannemelijk dat het besluit van 23 juni 2008 de verdachte omstreeks of kort na 23 juni 2008 heeft bereikt.

Dit gegeven leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde redelijkerwijs moest weten, dat zijn rijbewijs met ingang van 30 juni 2008 ongeldig was verklaard.

Daar komt nog bij dat nadat de verdachte op 9 juli 2009 was staande gehouden en - kennelijk - ermee geconfronteerd werd dat hij een auto bestuurde, terwijl hij geen rijbewijs had, en hem gevraagd werd waarom hij dan toch auto reed, de verdachte uitsluitend verklaarde: "ik moet werken". Voor zover hieruit al geen (impliciete) wetenschap dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard is af te leiden, biedt dit antwoord in ieder geval geen enkele steun voor de - overigens niet onderbouwde - stelling dat de verdachte niet bekend zou zijn met de hem opgelegde ontzegging.

Het hof is van oordeel dat uit het bovenstaande genoegzaam naar voren komt dat de verdachte - op zijn minst - redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Derhalve is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.”

4.5. In art. 153 Sv wordt aangegeven in welke vorm een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Hieruit volgt dat een proces-verbaal door een opsporingsambtenaar persoonlijk en op ambtseed (of - belofte) dient te worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Uit de jurisprudentie volgt dat met name de handtekening en de ambtseed (of -belofte) van essentieel belang zijn. Een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, of niet is ondertekend, is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt en kan slechts als ander geschrift in de zin van art. 344, lid 1, aanhef en onder 5, Sv tot het bewijs meewerken1. Het ontbreken van de redenen van wetenschap staat echter volgens vaste jurisprudentie aan het gebruik van het proces-verbaal als wettig bewijsmiddel niet in de weg. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

4.6. Uit een proces-verbaal hoeft evenmin, wil het als bewijsmiddel gebruikt kunnen worden, te blijken dat het daarin gerelateerde aangemerkt kan worden als rechtmatig verkregen bewijs. Aan het verweer dat de “staandehouding” onrechtmatig was, heeft de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van de zitting enkel ten grondslag gelegd dat niet zichtbaar is dat zonder rijbewijs wordt gereden en de reden van de staandehouding niet uit het dossier blijkt. Het ontbreken van gegevens over de gang van zaken maakt echter nog niet dat aannemelijk is geworden dat het optreden van de opsporingsambtenaar onrechtmatig was. Ik merk daarbij op dat de raadsvrouw zich schuldig lijkt te maken aan wat de steller van het middel het Hof verwijt, namelijk dat de ontbrekende gegevens zelf worden ingevuld. Waarop de raadsvrouw baseerde dat sprake was van een staandehouding (waarvoor een redelijke verdenking is vereist), is niet duidelijk. Het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een staande houding (zodat het verweer feitelijke grondslag miste) is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat, juist omdat zonder rijbewijs rijden niet waarneembaar is, het veel aannemelijker is dat de verdachte bij een verkeerscontrole tegen de lamp is gelopen. Zo gezien is er in zoverre geen sprake van feitelijke vaststellingen waarvoor in het dossier geen steun is te vinden.

4.7. Dan nu de klacht dat het proces-verbaal te summier is om daaraan redengevende feiten te kunnen ontlenen. Ik stel daarbij voorop dat ook voor zogenaamde miniprocessen-verbaal geldt dat zij alleen voor het bewijs bruikbaar zijn voor zover daarin feiten worden weergegeven die de verbalisant zelf waargenomen of ondervonden heeft. Overeind blijft dus staan dat conclusies en meningen van de verbalisant (“de wet is overtreden”) geen bruikbaar bewijs opleveren. Iets anders is dat, gegeven dat miniprocessen-verbaal in de rechtspraktijk breed zijn geaccepteerd en daaruit ook moeilijk meer zijn weg te denken, bij het interpreteren van dergelijke verbalen rekening mag worden gehouden met hun karakter als bevattende een kernachtige weergave van hetgeen de verbalisant heeft geconstateerd. Daarbij mag rekening gehouden worden met de specifieke deskundigheid van de opsporingsambtenaar, zodat de waarnemingen tot op zekere hoogte een concluderend karakter mogen hebben. Een miniproces-verbaal dat bijvoorbeeld inhoudt de feitcode van door rood licht rijden, kan zonder veel bezwaar worden opgevat als de eigen waarneming van de verbalisant dat de verdachte door rood licht reed. Tegelijk is het zaak in de kwalificerende weergave van de waarnemingen die het gevolg is van het werken met feitcodes, niet meer te lezen dan wat een deskundig opsporingsambtenaar kan waarnemen. Zo kan in het als bewijsmiddel 1 gebruikte relaas van de desbetreffende opsporingsambtenaar (“ik constateerde dat een persoon het volgende feit pleegde”) bezwaarlijk gelezen worden dat de opsporingsambtenaar waarnam of constateerde dat de bedoelde persoon wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat subjectieve element, dat zich niet voor directe waarneming leent, komt in de weergave van het geconstateerde “feit” niet voor. Uit de bewijsoverweging van het Hof blijkt dat het Hof het bewijs van dit subjectieve element dan ook niet op dit relaas heeft gebaseerd. Voor zover het middel op een andere lezing van de bewijsmotivering berust, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.8. Anders dan de steller van het middel lijkt te menen, kan een ter zake kundig opsporingsambtenaar wel constateren dat de verdachte reed met een rijbewijs dat ongeldig is verklaard. Het als bewijsmiddel 1 gebruikte relaas moet zo begrepen worden dat de verbalisant daarin weergeeft wat haar is gebleken toen zij de desbetreffende gegevens bij het CBR opvroeg. In combinatie met bewijsmiddel 2, dat de weergegeven concluderende waarneming onderbouwt en preciseert, is het relaas ook in zoverre bruikbaar voor het bewijs. Volledigheidshalve merk ik daarbij op dat dit niet anders wordt door hetgeen uit een blik achter de papieren muur lijkt te kunnen worden afgeleid (en waarop de steller van het middel in ander verband een beroep doet). Het als bewijsmiddel 1 gebruikte proces-verbaal bevat een weergave van gegevens die ontleend zijn aan door de desbetreffende opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakte en ondertekende brondocumenten en waarbij dat proces-verbaal door een andere opsporingsambtenaar – na controle – is getekend voor akkoord.2 De brondocumenten bestaan uit twee processen-verbaal, een op 9 juli 2009 (de datum waarop het feit werd geconstateerd) opgemaakt proces-verbaal en een aanvullend proces-verbaal van 17 juli 2009. Het eerst genoemde proces-verbaal vermeldt op p. 1 als feitcode K055 met als omschrijving “rijden zonder rijbewijs”. Op p. 2 staat vervolgens als opmerking van de verbalisant vermeld: “Abusievelijk feitcode K055 gebruikt, moet zijn G325”. In het aanvullende proces-verbaal (waarin de verklaring van de verdachte is opgenomen) wordt alleen G325 als feitcode vermeld. De gang van zaken lijkt aldus te zijn geweest dat de verbalisant eerst constateerde dat de verdachte geen rijbewijs bij zich had, vervolgens het CBR raadpleegde en op grond daarvan – nog steeds op 9 juli 2009 – constateerde dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. Die werkelijkheid wordt geen geweld aangedaan door de kernachtige weergave daarvan in het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal.

4.9. Het middel snijdt wel enig hout voor zover het klaagt over de betekenis die het Hof toekent aan de verklaring die de verdachte tegenover de verbalisant aflegde. Dat de verdachte de bedoelde verklaring aflegde nadat de verbalisant hem vroeg waarom hij zonder rijbewijs reed, blijkt inderdaad niet uit de bewijsmiddelen zoals die voor het bewijs zijn gebezigd. Die laten – zeker nu daaruit niet blijkt dat het ingevorderde rijbewijs is ingeleverd – de mogelijkheid open dat de verdachte wel een, zij een ongeldig verklaard, rijbewijs bij zich had en aan de verbalisant toonde. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, maakt het beroep dat hij doet op de vermoedelijke gang van zaken zoals die uit de brondocumenten kan worden afgeleid, de onderhavige klacht er niet sterker op. Juist die brondocumenten maken aannemelijk dat de verbalisant constateerde dat de verdachte geen rijbewijs bij zich had en de verdachte daarmee confronteerde. Wat in een miniproces-verbaal als verklaring van de verdachte wordt weergegeven, pleegt zich immers te beperken tot hetgeen de verdachte te zeggen heeft op het door de verbalisant geconstateerde feit. Dat het bij die verklaring ging om een antwoord op de vraag wat de verdachte daar deed of waar hij naar toeging, zoals de steller van het middel oppert, is dus hoogst onwaarschijnlijk.

4.10. Het voorgaande neemt niet weg dat het Hof een beroep doet op een feitelijk gegeven waarvan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt. Van veel belang is dat overigens niet, omdat ook als dit anders zou zijn, het bewijs tekortschiet wat het weten of redelijkerwijs moeten weten betreft. De Hoge Raad betoont zich op dit punt namelijk streng. Volgens vaste jurisprudentie kan uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden en deze brief niet als onbestelbaar retour is gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.3 Dat wordt niet anders door het feit dat de verdachte niet de vereiste medewerking aan de EMA-cursus heeft verleend.4 De verklaring van de verdachte voegt daaraan weinig toe, ook niet als daaruit zou mogen worden afgeleid – gelijk het Hof heeft gedaan – dat de verdachte op 9 juli 2009 zonder rijbewijs reed en daarvan op de hoogte was. Een impliciete erkenning dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, ligt daarin niet besloten. Dat die verklaring ook geen steun biedt voor de stelling dat verdachte met die ongeldigverklaring onbekend was, moge zo zijn, maar aanvullend bewijs levert dat niet op.5

5. Voor zover het middel erover klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, slaagt het.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie HR 16 januari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ2481, NJ 2007, 67)

2 Dat is een werkwijze die op zich door de beugel kan (zie o.m. HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5768), zij het dat de opsporingsambtenaar die het als bewijsmiddel gebruikte proces-verbaal voor akkoord tekende, niet vermeldt dat dat proces-verbaal op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt. Het middel klaagt daarover niet.

3 Zie o.m. HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762.

4 Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246. Over het beroep dat het Hof doet op de van het CBR ontvangen stukken, klaagt het middel niet, hoewel men zich afvragen of dat beroep voldoet aan de eisen die de Hoge Raad aan bewijs onder de streep stelt.

5 Wanneer naast de niet-retour gekomen kennisgeving over de ongeldigverklaring van het rijbewijs tevens zou worden vastgesteld dat het CBR het rijbewijs van verdachte heeft ontvangen en dat verdachte nadien geen nieuw rijbewijs heeft aangevraagd, kan daaruit wél worden afgeleid dat een verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (zie HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8747. Daarvan is hier evenwel geen sprake.