Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12/01740
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3110, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht (tweede) uitvoer van XTC-pillen. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/01740

Zitting: 9 september 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens onder meer 2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 12/01660, 12/01740, 12/01857, 12/01858P, 12/01859, 12/01860 en 12/01861P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Het middel klaagt dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde handelingen betrekking hadden op een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl- MDA (MDEA).

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 17 maart 2003 tot en met 31 december 2003 in Nederland tezamen en in vereniging met een anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en toen in Nederland en Spanje tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl- MDA (MDEA), vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

5. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs van het onder 2 bewezenverklaarde onder meer overwogen:

“Dat nog een tweede transport naar de verdachte zou hebben plaatsgevonden komt, behalve uit de verklaring van [getuige 1], naar voren uit de verklaringen van [getuige 3] en vindt voorts bevestiging in de verklaring van [betrokkene 11].

(…)

Het hof ziet, alles beschouwend, geen aanleiding de verklaringen van [getuige 3] over zijn twee reizen met verdovende middelen naar Madrid, welke naar zijn verklaring als laatste van de door hem uitgevoerde ritten voor [betrokkene 1] in 2003 hebben plaatsgevonden, als onbetrouwbaar aan te merken.

Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [betrokkene 11] acht het hof bewezen dat in de onder feit 2 tenlastegelegde periode door [getuige 3] een transport aan de verdachte is afgeleverd. Dat het hierbij om XTC-pillen is gegaan acht het hof eveneens bewezen, gelet op de verklaringen van [getuige 1] en gelet op het feit dat verdachtes naam in de administratie van [betrokkene 1] slechts in verband met 'buttons', ofwel XTC-pillen voorkomt en tevens vaststaat dat het hiervoor bewezen geachte transport eveneens XTC-pillen betrof, waarbij onbekend is gebleven om welke hoeveelheid het daarbij is gegaan.”

6. Mijns inziens kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat dit tweede transport betrekking had op XTC-pillen. [getuige 1] spreekt wel van een transport van XTC-pillen (bewijsmiddelen 19, 21, 22, 26), maar dan gaat het om het eerste transport waarop het onder 1 bewezenverklaarde betrekking heeft. [getuige 3] kreeg desgevraagd van [getuige 1] de horen dat er in de camper geperste wiet – en dus niet XTC -zat (bewijsmiddel 34). [betrokkene 11] (bewijsmiddel 39) heeft verklaard dat zij ongeveer 5 à 6 jaar een relatie heeft gehad met [verdachte] en met hem in Spanje heeft gewoond. Zij heeft gezien dat [verdachte] een keer een zak pillen in een zuil deed en er weer uithaalde. Volgens haar waren het XTC-pillen, dat zag zij aan het pilletje. Of dit gaat over het tweede transport wordt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet duidelijk. Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen ook niet dat verdachtes naam in de administratie van [betrokkene 1] slechts in verband met 'buttons', ofwel XTC-pillen voorkomt, en wel niet omdat uit hetgeen van die administratie onder de bewijsmiddelen is opgenomen (bewijsmiddelen 56-62) niet kan worden opgemaakt dat verdachtes naam alleen wordt genoemd in verband met 'buttons'. In bewijsmiddel 60 wordt verdachtes naam immers genoemd in verband met ‘spijkers’. Bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat verdachtes naam in 2003 in het geheel niet wordt genoemd in verband met 'buttons'.

7. Het middel slaagt.

8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 23 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.1

9. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.