Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1942

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-09-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
13/06335
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3108, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Verschoningsrecht. Doorzoeking in kantoor klaagster i.v.m. tegen cliënten van klaagster gerezen verdenking. Inbeslagname harde schijf. Door advocaten klaagster wordt in een aan het klaagschrift gehechte brief, en door klaagster in haar klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer, een beroep gedaan op dit verschoningsrecht. Middel slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/06335 B

Zitting: 9 september 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 29 november 2013 het door klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klaagster heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat de stelling van klaagster, dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende [A] onder het verschoningsrecht van de advocaten van [klaagster] vallen, in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. In het klaagschrift is aangevoerd dat onder klaagster gegevens in beslag zijn genomen die vallen onder het verschoningsrecht. In het klaagschrift wordt in dit kader verwezen naar een brief van mr. Harmsen en mr. Kortmann, die als bijlage 8 aan het klaagschrift is gehecht. Ook bij de behandeling in raadkamer is bepleit dat gegevens in beslag zijn genomen die onder het verschoningsrecht vallen.

4.3. De in het klaagschrift genoemde brief van 4 juni 2013 van mr. C.M. Harmsen en mr. J.S. Kortmann, beiden advocaat, gericht aan officier van justitie M. Mol (bijlage 8) houdt het volgende in:

“De correspondentie en andere communicaties vanaf het moment waarop [klaagster] ons benaderde, vanaf 28 januari 2011, zijn onlosmakelijk verbonden met onze bijstand aan [klaagster] en het feitelijk onderzoek dat [klaagster] op ons verzoek verrichtte in dat kader. Aldus vallen de correspondentie en andere communicaties vanaf 28 januari 2011 onder het advocaat-cliënt privilege.”

4.4. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De stelling van klaagster, inhoudende dat alle communicatie en correspondentie vanaf 28 januari 2011 betreffende (aan) [A] (gelieerde bedrijven, personen en onderwerpen) vallen onder het verschoningsrecht van de advocaten van [klaagster], omdat die communicatie louter in verband staat en kan staan met de door de advocaten verleende bijstand aan klaagster en het in dat kader verrichtte onderzoek kan in haar algemeenheid – zonder onderzoek naar de desbetreffende communicatie – niet als juist worden aanvaard.

Niet uit te sluiten valt dat zich op de harde schijf gegevens bevinden die zozeer in verband staan met, of het verlengde zijn van, het vertrouwelijke verkeer tussen advocaat en cliënt dat deze – ook al zijn zij niet afkomstig van of bestemd voor een geheimhouder zelf – onder een verschoningsrecht kunnen vallen, maar dat moet per gegeven worden beslist. Het onderzoek naar dit soort communicatie zal eveneens onder de regie van de rechter-commissaris dienen plaats te vinden (bijvoorbeeld op dezelfde wijze als overeengekomen op 15 november 2013 met betrekking tot de gegevens tot 28 januari 2011) waarbij het uiteraard in eerste instantie aan de verschoningsgerechtigde zal dienen te zijn om aangetroffen gegevens die verband houden met de adviserende rol van advocaten omtrent deze kwestie te beoordelen op een eventueel verschoningsrecht.

Een en ander brengt mee dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede de afspraken die partijen ter behandeling in raadkamer op 15 november 2013 hebben gemaakt.”

4.5. In het onderhavige geval heeft de doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor van klaagster. In haar klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer heeft klaagster aangevoerd dat zich onder het inbeslaggenomene correspondentie en andere communicaties bevinden ten aanzien waarvan haar advocaten, blijkens een aan het klaagschrift gehechte brief, zich beroepen op hun verschoningsrecht. Het oordeel van de Rechtbank dat deze stelling van klaagster in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, is ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de overwegingen van de Rechtbank aldus moeten worden begrepen dat zij van oordeel is dat nader onderzoek onder regie van de rechter-commissaris moet uitwijzen of het in de bedoelde brief neergelegde standpunt van de advocaten van [klaagster] juist is, miskent de Rechtbank dat dit standpunt moet worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor zover de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij die brief niet toereikend acht voor de beoordeling van de vraag of de bedoelde correspondentie en andere communicatie object zijn van het verschoningsrecht, miskent de Rechtbank dat zij in dat geval de betrokken advocaten als belanghebbenden in de gelegenheid had moeten stellen zich dienaangaande uit te laten.1

5. Het middel slaagt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, rov. 3.4.